Home

Maarten Asscher maakt zowel het leven als de dood licht verteerbaar

Op de begrafenis van mijn plotseling overleden vriend Bart Nanninga refereerde zijn weduwe aan een passage uit het boek Elke dag. Over de drie stadia van sterfelijkheid van Maarten Asscher. Die passage betrof De tijdelijken, een toneelstuk van Elias Canetti. De personages hebben er geen namen, maar nummers die overeenkomen met hun sterfleeftijd. Asscher noemt het „een soort voorprogrammering van je lot”, omdat je met zo’n nummer precies weet waar je aan toe bent en daardoor allerlei voornemens tijdig kunt realiseren.

Nu was Bart Nanninga behalve een voortreffelijke dokter ook een ondernemend mens, die veel van zijn voornemens al in daden had omgezet. Toch had hij nog allerlei plannen voor de komende kwarteeuw. Ik had zijn naam op z’n Canetti’s daarom graag veranderd van 65 in 90.

Na Barts begrafenis las ik het boek van Asscher voor een tweede keer. En om de een of andere reden maakte het nu pas echt indruk. Alsof ik eindelijk begreep wat sterven was.

In Elke dag doet Asscher op erudiete en lichte manier verslag van zijn overpeinzingen als ernstig zieke kankerpatiënt. Zo denkt hij na over zijn sterfelijkheid en dringt tot hem door hoe hij daar in de loop van zijn fysieke achteruitgang anders tegenaan is gaan kijken.

Van een cerebrale schrijver, die met droge humor door het leven wandelt, verandert hij in die tijd in een waarnemer van zijn eigen lot. Zijn verbazing daarover doet je je eigen leven relativeren en dwingt je om serieus na te denken over wat je zelf nog zou willen doen.

Asschers luchtigheid over zijn leven en bijna dood maakt Elke dag tot een troostrijk boek. Als filosoof speelt hij met zijn fantasie, zijn verleden en zijn mogelijke einde op korte termijn. Al schrijvend verzoent hij zich met zijn lot. Zijn eruditie komt hem daarbij van pas. Zo citeert hij op de eerste bladzijde Giorgio Bassani, die in zijn roman De tuin van de Finzi-Contini’s schreef: „Als iemand in het leven wil begrijpen, serieus wil begrijpen, hoe in deze wereld de dingen gaan, dan moet hij minstens één keer sterven, bij voorkeur wanneer hij jong is, wanneer hij nog alle tijd voor zich heeft om op te staan en zich weer op te richten.” Met zo’n zin lijkt Asscher te benadrukken dat hij door zijn meervoudige confrontatie met de dood het leven alleen maar beter is gaan begrijpen.

Om zichzelf ervan te overtuigen dat de dood iets onvermijdelijks is, haalt hij herinneringen op aan gestorven klasgenootjes, buurjongens, familie. vrienden en uitgevers. Als romanticus voelt Asscher zich ook aangetrokken tot sarcofagen, waarop de dood wordt afgebeeld als iets om naar uit te kijken, en achttiende- en negentiende-eeuwse gedichten. Een daarvan is Paul Valéry’s Le Cimetière marin, dat over een wandeling op een begraafplaats gaat. „Alles wat mij aan begraafplaatsen charmeert en ontroert en aan het denken zet lijkt in dit gedicht samen te komen”, schrijft hij. Sterven krijgt door dat gedicht ineens iets lichts, waarvoor je niet bevreesd hoeft te zijn. „Zo is’t”, zou mijn vriend Bart zeggen. Al doet die constatering er natuurlijk niets aan af dat ik hem een veel langer leven had toegewenst.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next