Nico Knapper (91) speelde decennialang een sleutelrol in de Nederlandse televisie- en muziekgeschiedenis. Hij was ontdekker van talent, regisseerde bijna 1.000 afleveringen van fameuze series en werkte met zo ongeveer alle acteurs van Nederland. ‘Mijn credo was: laten we het harmonieus houden.’
Nico Knapper (91) speelde decennialang een sleutelrol in de Nederlandse televisie- en muziekgeschiedenis. Hij was ontdekker van talent, regisseerde bijna 1.000 afleveringen van fameuze series en werkte met zo ongeveer alle acteurs van Nederland. ‘Mijn credo was: laten we het harmonieus houden.’
Afgelopen januari zat er opeens een envelop in de bus, met een bijzondere uitnodiging om te gast te zijn op de Franse ambassade. Nico Knapper (91) is er nog steeds van onder de indruk. Want op die ambassade werd hij door de Franse ambassadeur François Alabrune benoemd tot Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres. Een bekroning voor zijn inzet voor het Franse chanson, onder meer het Concours de la Chanson, dat hij jarenlang samen met de Franse tolk Sabine de Tonnac in Nederland organiseerde.
Het werd een prachtige ceremonie, zegt Knapper. ‘Die mensen van de ambassade hadden hun werk goed gedaan. Ze hebben mijn hele leven uitgeplozen, en kwamen er dus achter dat ik op mijn 26ste al een carrière achter de rug had als chansonnier.’ Knapper trad eind jaren vijftig op in Parijse cabarets met zijn toenmalige vrouw als het duo Janine & Nico, zichzelf begeleidend op gitaar en blokfluit. ‘Daar raakten we bevriend met mensen die later beroemd werden, maar die dat toen nog niet waren. Jacques Brel, Jean Ferrat en Barbara.’
Maar Nico Knapper werd vooral bekend als tv-regisseur. Rond 1960 belandde hij bij de Vara als regisseur-producer. Daar ging hij onder meer programma’s bedenken voor Rudi Carrell (die zou uitgroeien tot een beroemde showmaster op tv). ‘Rudi had kort daarvoor meegedaan aan het Eurovisiesongfestival en daar had hij helemaal niks van gebakken. Ik had uit Frankrijk allerlei sketches en chansons meegenomen. Rudi was een talentvolle knaap, die zelf nog niet ontdekt had wat hij allemaal kon. Als ik zei: ‘We gaan dat sketchje doen’, zei hij: ‘Maar dat kan ik helemaal niet.’ Waarop ik zei: ‘Dat kan je wél.’ Uiteindelijk groeide dat uit tot een succesformule, die hij later ook in Duitsland nog jarenlang heeft gebruikt.’
En Knapper ontdekte meer talenten. ‘Iemand zei: ‘Ik heb een nichtje dat heel leuk Franse chansons zingt.’ Ik ging naar dat nichtje kijken. Ze bleek Liesbeth List te heten. Ze zong op een feestje en dat deed ze fantastisch. Ik viel als een blok voor haar. Ik zei: ‘Als je hier carrière wilt maken, moet je eigenlijk ook in het Nederlands zingen.’
O nee, dat zag ze niet zitten. Nederlands was in haar ogen zo’n prozaïsche taal. Ik begreep wat ze bedoelde. Als je pomme de terre zegt, dan klinkt dat romantisch. Maar voor een Fransman is dat gewoon een aardappel. Ik heb haar meegenomen naar een studio. Ik had een liedje voor haar bij me: Laat me niet alleen, een vertaling van Ne me quitte pas van Jacques Brel. Aan het eind van de middag zei ze: ‘Ja, het kan toch eigenlijk wel, dat Nederlands.’’
Liesbeth List zou uitgroeien tot een van de beste Brel-vertolkers van haar tijd. List en Knapper waren ook aanwezig bij het laatste optreden van Jacques Brel in Nederland, in 1964 in café-restaurant Het huis met de pilaren in Bergen. Een gedenkwaardige middag, omdat Brel razend was.
‘In Frankrijk en België was hij de zaaltjes en cabaretjes allang ontgroeid. In Bergen stond hij ineens op een piepklein podium naast de schouw te zingen. Ver onder zijn niveau. Brel was een fantastische artiest die dat programma professioneel afwerkte. Maar hij keurde het publiek, vooral bestaande uit bejaarde kunstenaars, geen blik waardig. Toen hij na afloop zijn geld kreeg, keurig in een envelopje, smeet hij dat woedend op de grond. Z’n manager raapte dat natuurlijk snel op. Maar ik kreeg die middag geen gelegenheid om Liesbeth aan hem voor te stellen. Dat is pas later gebeurd.’
In diezelfde periode werd Knapper getipt dat er een jonge jongen uit Utrecht was, die verdomd aardig kon zingen. Ene Herman van Veen. Hij bezocht een optreden, waarbij conservatoriumstudent Van Veen begeleid werd door pianist Laurens van Rooyen. ‘Ik zag een waanzinnig talent. Een ruwe diamant, nog ongepolijst. Hij zong onder meer Drie schuintamboers. Na afloop ging ik naar hem toe en zei: ‘Het is leuk wat je doet, jongeman, maar je repertoire deugt niet. Maar geen probleem, als je wilt heb ik allemaal mooie liedjes voor je uit Frankrijk.’ Vervolgens zijn we aan het werk gegaan om een voorstelling te maken, met liedjes als Waar blijft de tijd en Liefde van later. Uiteindelijk hebben we in het Singer in Laren de première gedaan.’
Herman van Veen gold direct als een sensatie. Zowel Wim Kan als Wim Sonneveld was geïnteresseerd in die jonge collega. Sonneveld wilde Van Veen graag een keer ontmoeten. ‘Wim speelde op dat moment in Groningen, dus wij naar Groningen met de auto. Hij begon direct tegen Herman te foeteren. Dat Herman opkwam van achter uit de zaal kón volgens hem helemaal niet. Dat mocht je alleen maar doen als je minstens twintig jaar ervaring had, maar zeker niet als debutant. Ken je plek!
‘En hij vond dat Herman veel te veel deed; een plaat maken, theater, televisie. Daar zat beslist jaloezie bij. Sonneveld vond dat je eerst jarenlang in de provincie moest ploeteren, zoals hij zelf had gedaan. Herman moest een voorbeeld nemen aan Sonnevelds protegé Rients Gratama. Die deed het tenminste stapje voor stapje. Aan het einde van het gesprek zei hij tegen Herman: ‘Zou het niet een idee zijn als ik jouw manager werd?’ Herman dacht daar natuurlijk niet aan. Die deed het allemaal liever zelf. Terug in de auto riepen we af en toe ‘Rients Gratama!’ tegen elkaar, en kregen we elke keer de slappe lach.’
Knapper deed ook de regie van de oudejaarsconferences van Wim Kan. De conferencier verzorgde al jaren de oudejaarsconference op de radio en wilde liever niet op televisie. Uiteindelijk stemde hij toe tijdens een proefopname, in mei 1973. Maar toen hij die terugzag, keurde hij hem resoluut af. ‘Hij zei: ‘Ik heb twee onderkinnen en een hondenkop.’ Toen zei ik tegen hem: ‘Maar meneer Kan, u mag het publiek die vermoeide hondenkop van u toch niet ontzeggen?’ Daar was hij zo verbaasd over dat hij zei: ‘Goed, laten we het dan met oudejaar maar proberen’.’
Kon u veel aan Wim Kan regisseren? Of hoefde u het alleen in beeld te brengen?
‘Ik wil het geen regie noemen. Ik deed het samen met Joop Koopman, een uiterst kundig iemand. We maakten meestal vier opnames van zijn oudejaarsshow. Die waren altijd te lang. Na afloop gingen we in de kleedkamer zitten kijken: dit kan korter en dit kan er misschien uit. Dan was Kan enorm coöperatief. Hij deed nergens moeilijk over.’
Eind jaren zeventig bedacht Joop Koopman dat de Vara een comedyserie moest gaan maken: Knapper werd gevraagd om die serie op te zetten. Hij besloot om zowel schrijver K. Schippers als acteurs Alexander Pola en Chiem van Houweninge te vragen om het scenario voor een pilotaflevering van Ieder zijn deel te bedenken. ‘Uiteindelijk koos ik voor Alexander en Chiem. Vervolgens hebben we het vak eigenlijk op elkaars rug geleerd, door het gewoon maar te dóén.’
Ieder zijn deel werd opgevolgd door Zeg ’ns Aaa. Die serie zou uiteindelijk de parel aan Knappers kroon worden. ‘Chiem had bedacht dat het een serie moest worden over een vrouwelijke huisarts, die een heel druk leven heeft met een gezin en een praktijk. Sjoukje Hooymaayer zou de hoofdrol spelen. Maar al snel bleek dat mevrouw Dobbelsteen, de werkster (gespeeld door Carry Tefsen), de favoriet van de kijkers was. Haar bijrol werd vanzelf een hoofdrol.’
Knapper vond het belangrijk dat juist Mien Dobbelsteen consequent ‘mevrouw Dobbelsteen’ werd genoemd, en nooit ‘Mien’. Dat was hem bijgebleven van de werkster in zijn ouderlijk huis. ‘Zij heette ‘juffrouw Slove’. What’s in a name. Mijn moeder stond erop dat we haar zo aanspraken: ‘Jongens, jullie zeggen keurig ‘juffrouw Slove’ tegen haar.’ Dus daar heb ik het vandaan.’ Dat gold ook voor de manier waarop Mien Dobbelsteen de telefoon aannam: ‘Met het huis van dokter Van der Ploe-hoeg.’ Mijn vader was chirurg. En ons dienstmeisje nam altijd zo de telefoon op: ‘U spreekt met de assistente van dokter Knapper’.’
Zeg ’ns Aaa werd een ongekend succes; in de hoogtijdagen trok de serie soms 7 miljoen kijkers. Tussen 1981 en 1993 werden er 212 afleveringen van gemaakt. Voor Knapper is het duidelijk waar dat succes in zat. ‘In het liefdevol met elkaar omgaan tussen verschillende sociale klassen. Dat hebben we later ook geprobeerd met Oppassen. Daarin ging het om de omgang tussen verschillende generaties.’
Vanuit de klassieke Vara-gedachte: verheffing van het volk?
‘Dat zat er zeker achter. Al werd dat niet door iedereen bij de Vara gewaardeerd. Sommige afdelingen binnen het bedrijf zeiden: ‘Hier wordt openlijk een werkster geëxploiteerd. Dat kan niet’.’
Eind jaren tachtig begon Knapper met een nieuwe serie, deze keer voor John de Mol: Medisch Centrum West. Als locatie voor de serie werd een leegstaande verdieping van het ziekenhuis in Lelystad gekozen. Handig, want daarmee kon alle benodigde apparatuur op een vaste plek worden geïnstalleerd, inclusief een complete montage-unit. ‘Daardoor kon alles op één plek gespeeld, gedraaid en gemonteerd worden.’
Hoe kon u dat combineren met Zeg ’ns Aaa?
‘’s Winters deed ik Zeg ’ns Aaa, en ’s zomers Medisch Centrum West.’ Een kwestie van efficiënt werken, zegt Knapper. Hij keek vaak met mededogen naar collega’s uit de filmwereld. ‘Die moesten eerst twee jaar lang langs allerlei commissies voordat hun script werd aangenomen. Vervolgens gingen ze die film maken en werkten ze zich in een paar maanden tijd helemaal over de kop. Het resultaat was goed of niet goed, maar het was altijd roofbouw. Zo wilde ik niet werken. Dus ik zei: ‘We moeten het fabrieksmatig aanpakken. We beginnen om 9 uur precies en we eindigen klokslag 6 uur.’ Gewoon normale werkdagen. Dat bleek prima vol te houden.’
Aanvankelijk werkte hij bij Medisch Centrum West met een technische crew die gewend was films te maken, met lichtmensen die urenlang bezig waren met het voorbereiden van de mooiste shots. ‘Maar ik zei: ‘Jongens, ik wil geen tandpastareclame. Ik wil licht waarmee ik vanuit alle hoeken kan draaien.’ Bij veel comedy’s worden scènes eerst van de ene kant gedraaid – met zicht op de ene acteur – en vervolgens van de andere kant. Die beide versies moet je vervolgens aan elkaar plakken. Daar had ik geen zin in. Ik werkte met onervaren acteurs die het soms maar één keer goed konden spelen. Dus dat ene moment moesten we direct kunnen pakken.’
‘Iemand als Marc Klein Essink was natuurlijk een mooie jongen met die donkere krulletjes, maar zonder veel ervaring. Ik kende Marc van een klein rolletje in Zeg ’ns Aaa en dacht: dat is een leuke jongen, die ga ik erbij halen. Die heeft echt star potential. Dus hij werd de goodguy in de serie. Daarna heb ik Rob van Hulst erbij gehaald, als de badguy. Rob had blond peenhaar. Ik dacht: ‘Die moet ook nog een brilletje.’ Dus Rob heeft een brilletje aangemeten gekregen met gewoon vensterglas. Dat werd zijn handelsmerk.’
Wist u hoe u met die acteurs in al die series om moest gaan?
‘Dat ging probleemloos. Ik heb het altijd ontzettend goed met acteurs kunnen vinden.’
Met wie was het vooral een feest om te werken?
‘Met Coen Flink en Ben Hulsman, de opa’s uit Oppassen. Die hadden aan een half woord genoeg. En Carry Tefsen, hè. Carry is echt een gouden wijf. Die volgde mijn aanwijzingen ook heel goed op. Soms zei ze: ‘Hoe moet ik dat nou doen, totale verbijstering spelen?’ Ik zei: ‘Nou, je komt binnen, je laat je mond openvallen en dan blijf je even zo staan’.’ Hij doet het voor, zijn mond wijdopen. ‘Dat werkte direct.’
Sommige acteurs hadden wel een speciale behandeling nodig. Manfred de Graaf bijvoorbeeld, die in Zeg ’ns Aaa de rol van dokter Hans Lansberg speelde. ‘Voordat het nieuwe seizoen begon, ging ik altijd een keer met hem eten. Hij moest gewoon eerst even gepamperd worden.’
Joost Prinsen heeft weleens over hem gezegd: ‘Manfred de Graaf is de meest constante acteur van Nederland… altijd slecht.’
‘Voor Manfred was dit de rol van zijn leven. Ik had tegen hem gezegd: ‘Je moet een chirurg spelen in zijn vrije tijd. Dus met een jackje aan en zonder das.’ Dat deed hij perfect. En Sjoukje heeft het ook heel goed gedaan. Zij was een werkpaard, het kwam haar niet aanwaaien. Als zij grappen had, dan ging ze er altijd te zwaar in. ‘Lichter, het moet lichter’, zei ik dan. En dan werkte het wel.’
Hij zwijgt, zegt dan: ‘Ach ja, Manfred en Sjoukje… Ook allebei al dood.’
Je hebt in totaal bijna duizend afleveringen van series geregisseerd. Is er één waar je extra trots op bent?
‘Ik ben er vooral trots op dat al die langlopende series zonder één conflict zijn gemaakt. Dat kwam door mijn aanpak, kan ik zonder enige bescheidenheid zeggen. Als regisseur ben je zowel de vader van het grote gezin als dieptepsycholoog. Ik heb al die acteurs wel een keer huilend aan de keukentafel gehad. Omdat ze niet genoeg aandacht kregen, of omdat ze naar hun idee onvoldoende in het script voorkwamen. Dat hoort erbij. Mijn credo was altijd: jongens, laten we het harmonieus houden.’
Wat blijft er over van een tv-regisseur?
‘Heel weinig. Laatst gingen we naar een verjaardagspartijtje van onze buurvrouw, die 34 werd. Daar waren allemaal leuke jonge mensen. Ik stond met een groepje te praten. Ik vroeg: ‘Wat doe jij, en wat doe jij?’ Ze vroegen ook naar mijn achtergrond. Dan vraag ik altijd eerst: ‘Hoe oud ben jij?’ Als ze 40 zijn, is het oké. Dan hebben ze nog met natte haartjes voor de televisie naar Oppassen gekeken. Maar hier zeiden ze: ‘Ja, Zeg ’ns Aaa… Ik heb er geloof ik weleens van gehoord. Dat was een kwis toch?’ Schaterend: ‘Dat is toch ontzettend grappig?’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant