Home

Nederland geeft roofkunst terug aan Joodse gemeenschap: ‘Met het roven werd ook de waardigheid van de eigenaar aangetast’

Verweesde roofkunst Als eerste land besloot Nederland in 2021 wat er met verweesde roofkunst moest gebeuren: teruggeven aan de Joodse gemeenschap. Maar hoe doe je dat? Woensdag werd daarover een rapport gepresenteerd. NRC sprak met Chanan Hertzberger en Lodewijk Asscher, nauw betrokken bij het advies.

Een vrachtwagen van het Amsterdamse verhuisbedrijf Puls, gevestigd in de Kerkstraat, dat tijdens de bezetting in opdracht van de Duitsers inboedels ophaalde uit de woningen van gedeporteerde Joden.

Ingeklemd tussen de A28 en de Amersfoortse wijk Vathorst staat het CollectieCentrum Nederland. Een futuristische doos waarin, naast collecties van verschillende Nederlandse musea, een pijnlijk stuk geschiedenis wordt bewaard. Het gaat om enkele duizenden objecten – schilderijen, tekeningen, muziekinstrumenten, wandkleden, tapijten en serviesgoed; ooit waren ze iemands eigendom. Er werd naar gekeken, mee gespeeld of van gegeten, maar in de Tweede Wereldoorlog werden ze door de nazi’s geroofd.

Soms werden objecten na de oorlog teruggevonden in Duitsland en gerepatrieerd door de geallieerden. Soms werden ze teruggehaald uit Nederlandse overheidsgebouwen die tijdens de bezetting door de nazi’s in gebruik waren genomen. Maar allemaal werden ze door de Nederlandse staat ondergebracht in de Nederlands Kunstbezit-collectie, kortweg NK-collectie.

De NK-collectie bestaat uit zo’n 3.700 objecten. De achtergrond hiervan wisselt: de collectie bestaat uit roofkunst, verloren objecten, al dan niet vrijwillig verkochte objecten en niet alles is afkomstig uit Joodse huishoudens. Sinds de jaren 90 wordt de herkomst van de objecten onderzocht. Van 2022 tot 2025 werd het onderzoek geïntensiveerd, in een uiterste poging om meer informatie over de herkomst te vergaren. Een klein deel van de objecten werd gerestitueerd naar de oorspronkelijke eigenaren, hun erfgenamen of nazaten: zo’n vijfhonderd kwamen de afgelopen decennia via (soms slepende) restitutieprocedures terug. Een derde gaf de staat in bruikleen aan Nederlandse musea, ambassades of andere rijksgebouwen. Het grootste deel staat al jaren verweesd in het Amersfoortse depot.

In 2021 besloot Ingrid van Engelshoven, toenmalig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), dat de Joodse gemeenschap „op morele gronden” aanspraak heeft op de NK-collectie. Daar ging een uitgebreid onderzoek aan vooraf, waarbij het Nederlandse restitutiebeleid tegen het licht werd gehouden. Maar wat moest er na de overdracht gebeuren met de objecten? Wie kreeg er het beheer over? Wie betaalde de kosten die daarmee gemoeid zijn?

In 2024 vroeg de minister van OCW aan Chanan Hertzberger, voorzitter van het Centraal Joods Overleg, om inspraak binnen de Joodse gemeenschap te organiseren. Er werd een zeskoppige Commissie Verweesde Joodse roofkunst samengesteld, met oud-vicepremier en voormalig PvdA-leider Lodewijk Asscher als voorzitter. Die bracht deze woensdagochtend een adviesrapport uit, tijdens een bijeenkomst in het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam.

Veertien aanbevelingen

In Verweesde Joodse roofkunst uit de NK-collectie doet de Commissie veertien aanbevelingen aan OCW-minister Rianne Letschert (D66). Het basisadvies is om een onafhankelijke stichting op te richten die wordt ondergebracht bij een bestaande rijksgesubsidieerde instelling, bij voorkeur het Joods Museum in Amsterdam. Een deel van de objecten moet via tentoonstellingen of projecten op scholen onder de aandacht van een breder publiek worden gebracht. Een gastcurator of projectleider moet elk jaar een nieuw project bedenken.

Voor het werk van de instelling moet het ministerie van OCW, als het aan de commissie ligt, jaarlijks een bedrag van 400.000 euro beschikbaar stellen. De objecten mogen niet verkocht worden, omdat het voor Joodse oorlogsslachtoffers en hun nazaten mogelijk moet blijven een restitutieverzoek in te dienen, zolang het restitutiebeleid voor roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog van kracht blijft.

Bij objecten die door de staat in bruikleen zijn gegeven aan musea, moet volgens de commissie een bordje komen waarop duidelijk wordt gemaakt dat het tussen 1933 en 1945 „geroofd, geconfisqueerd of onder dwang verkocht” is. En: dat het door de staat is overgedragen aan de Joodse gemeenschap, omdat de eigenaar niet geïdentificeerd kon worden en zich geen erfgenamen hebben gemeld.

Lodewijk Asscher (links) en Chanan Hertzberger: „Het is belangrijk dat museumbezoekers zich door een bordje realiseren dat die kunstwerken gestolen zijn.”

Nederland is voor zover bekend het eerste land dat een bewuste keuze maakt over de toekomst van verweesde Joodse roofkunst. Hoe kwam de commissie tot deze aanbevelingen, die „onderling samenhangen” en „als één pakket” moeten worden beschouwd? In hoeverre zijn Nederlandse Joden ermee geholpen? NRC sprak Asscher en Hertzberger enkele dagen voor de uitreiking van het rapport.

In het voorwoord van het rapport staat: ‘Als je iemand heel erg mist, kan je gehecht blijven aan die ene trui, die koffiemok of het schilderij dat bij je ouders hing. Voor mensen van wie de hele familie vermoord is, kan een teruggevonden voorwerp van enorme betekenis zijn.’ Hoe herkenbaar is dit voor jullie als Joodse mannen?

Asscher neemt een slokje van zijn koffie en gebaart Hertzberger om als eerste het woord te nemen.

Hertzberger: „Mijn opa is door de nazi’s vermoord, mijn oma heeft de oorlog overleefd. Hun huis was leeggeroofd, bleek na terugkomst uit het concentratiekamp. Een harde klap. ‘De oorlog was verschrikkelijk en daarna begon de hel’, zei mijn oma altijd tegen mijn moeder, die in 1942 is geboren en haar vader nooit heeft gekend. Alleen een kleine foto herinnert nog aan zijn bestaan.”

Asscher: „Toevallig was ik vorige week bij de legging van een Stolperstein [een gedenksteen die in de stoep wordt geplaatst voor de woning van iemand die slachtoffer werd van het nationaal-socialisme]. Alida Lissauer-Asscher, een familielid, kwam om in Bergen-Belsen. Terwijl ik in het zonnetje voor dat huis stond dacht ik: zij is eruit gezet en vermoord. Ik heb twee keer het depot in Amersfoort bezocht. Een klinische, zwaar bewaakte omgeving. Dan keek ik naar het bestek dat ooit door een Joods gezin werd gebruikt. Of naar een schilderij dat ooit boven een bank moet hebben gehangen. Heel aangrijpend.”

In het rapport worden de objecten ‘getuigen van uitgewiste levens’ genoemd.

Asscher knikt. „Het is toch bizar dat de vernietiging van Joden zó succesvol was dat we niet weten bij wie die spullen horen?”

In het voorwoord schrijft u dat uw opa, Lodewijk Asscher, er na de oorlog achter kwam dat zijn huis was leeggeroofd door de nazi’s.

„Ik vond een brief van hem uit 1949. In die brief schreef hij over de redding van mijn vader uit de Hollandsche Schouwburg. Nadat mijn opa uit het concentratiekamp was teruggekeerd, hoorde hij van omwonenden dat Ferdinand aus der Fünten [een beruchte SS’er] bij het leeghalen van zijn woning de leiding had. Dat meldde hij terloops in die brief. Goh, dacht ik, dan heeft hij dat allemaal overleefd, en dan zat de vernedering van de roof hem zó dwars dat hij er een paar jaar na de oorlog over schreef. Ik proefde zijn verontwaardiging. En ik besefte dat de bredere ontrechting en de roof op grote schaal lang geen aandacht kreeg, omdat het vermoorden van mensen ons vanzelfsprekend meer naar de keel grijpt.”

Hoe bepaal je wat voor bestemming geroofde objecten krijgen?

Asscher: „Toen Chanan mij vroeg voor deze opdracht wist ik dat het niet gemakkelijk zou worden. Want je kunt wel zeggen ‘we gaan objecten overdragen aan de Joodse gemeenschap’, maar je bewaart ze natuurlijk niet in iemands achtertuin. De commissie heeft heel veel gesprekken gevoerd met experts. Wat zijn verweesde goederen en wat betekent het als je die teruggeeft aan een gemeenschap in plaats van een individu? Chanan – en ook de commissie – vond het essentieel dat de goederen niet verkocht worden.”

Hertzberger: „Binnen de Joodse gemeenschap gaan stemmen op om ze te verkopen, maar dat voelt voor mij niet juist. De goederen zijn niet van ons, ze zijn van de mensen van wie ze ooit waren. En áls zich in de toekomst erfgenamen melden, moeten ze er nog zijn.”

Heeft de overdracht nog gevolgen voor het huidige restitutiebeleid?

Asscher: „In principe vinden we het restitutiebeleid goed, en ik zou niet willen dat de overdracht dat beleid in de weg staat. Het is niet ondenkbaar dat er door de tentoonstellingen die we gaan organiseren nieuwe eigenaren opduiken. Dat zou een mooi effect zijn.”

Hertzberger: „Ik ben opgevoed met een groot wantrouwen. De politie heeft ons verraden en de overheid en koningin liepen weg: je kan van niemand wat verwachten. Dat is de laatste twintig jaar wel veranderd. De politie is er als we beveiliging nodig hebben, de koning en de regering staan achter ons. Die veranderde houding blijkt ook uit hoe er met de collectie verweesde objecten wordt omgegaan. Er is ongelooflijk veel geld en mankracht gestoken in het digitaliseren ervan en de zoektocht naar erfgenamen. Dat vind ik positief.”

Verweesde roofkunstEnkele objecten

Plooischotel, maker onbekend, 1700-1749, aardewerk, glazuur, 35 cm. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, inventarisnummer: NK325

Soms kan de herkomst niet worden achterhaald, maar is de context verdacht. Zoals deze plooischotel die na de oorlog werd aangetroffen bij veilinghuis Lempertz in Keulen. Van dit veilinghuis is bekend dat tijdens de bezettingsjaren grootschalig werd aangekocht uit geroofd Joods bezit. Dit vormt aanleiding om te veronderstellen dat het object afkomstig kan zijn uit onvrijwillig verloren bezit.

Uit: Advies verweesde Joodse roofkunst uit de NK-collectie

‘De Waarzegster’, Jan Steen, 1650-1654, olieverf op doek, 73,5 x 60 cm. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, inventarisnummer: NK2727

Van dit schilderij zijn geen of onvoldoende herkomstgegevens uit de periode 1933-1945 bekend. Na onderzoek zijn geen bronnen gevonden die informatie over de herkomst kunnen geven. Daarom is er geen uitspraak te doen over mogelijk verdachte herkomst of mogelijk onvrijwillig bezitsverlies. Het schilderij bevindt zich momenteel in bruikleen bij het Mauritshuis.

Uit: Advies verweesde Joodse roofkunst uit de NK-collectie

Strooilepel, maker onbekend, verzilverd metaal, 1900-1929, 14,8 cm. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, inventarisnummer: NK3591

In 2000 werden bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) verschillende objecten, waaronder deze strooilepel, ingeleverd. Bijgevoegd was een brief waarmee het echtpaar dat waarschijnlijk eigenaar was, kon worden geïdentificeerd. Zij zijn in de kampen omgebracht. Er zijn geen nabestaanden getraceerd die een verzoek willen indienen. Daarom wordt de lepel als ‘verweesd’ aangemerkt.

Uit: Advies verweesde Joodse roofkunst uit de NK-collectie

Ruim duizend objecten bevinden zich in bruikleen bij musea, op ambassades of in andere rijksgebouwen, heeft de commissie becijferd. Blijven die daar als de Nederlandse staat ze overdraagt aan de stichting?

Asscher: „Het zijn nu bruiklenen met het Rijk. De zeggenschap over de objecten die verweesd Joods zijn, gaat over naar de stichting, en dus moeten er ook nieuwe bruikleenovereenkomsten komen. Mij lijkt het logisch dat je een Jan Steen, Rembrandt of Vermeer in musea laat hangen zodat veel mensen die kunnen bewonderen. Maar het is wel belangrijk dat bezoekers zich door een bordje realiseren dat die kunstwerken gestolen zijn. De stichting moet ook eens in de zoveel tijd de ruimte krijgen om kunstwerken uit musea te gebruiken voor een eigen tentoonstelling.”

Hertzberger: „Op ambassades en in musea hangen nu kunstwerken van wie bijna niemand weet dat ze geroofd zijn. Je wil toch duidelijk maken dat een schilderij in het Mauritshuis ooit toebehoorde aan een Jood voordat-ie vermoord werd? Die duiding is wat mij betreft heel belangrijk.”

Asscher: „Met het roven van kunst werd ook de waardigheid en levenswijze van de eigenaar aangetast. Veel mensen staan daar niet bij stil. Dat er een depot met duizenden kasten, wandkleden en schilderijen is, is onbekend.”

Hoe reageren musea op de aanbevelingen?

Asscher: „Artistieke intentie en morele verplichting kunnen botsen. Waarom een ongezellig bordje over moorden plaatsen in een tentoonstelling over de kleur geel? Maar over het algemeen is de houding van de museumdirecteuren met wie ik heb gesproken, en ook van de Museumvereniging, welwillend. Neem Taco Dibbits van het Rijksmuseum, die graag met ons samenwerkt en herkomstonderzoek belangrijk vindt. Voor dat laatste hebben kleine musea niet altijd de kennis en mensen. Daarom vragen we de overheid musea daarbij te helpen. Aan het in 2022 gestarte overheidsprogramma naar de herkomst van werken in de Nederlands Kunstbezit-collectie, dat nu ten einde loopt, werkt een aantal superspecialisten mee. Wij zeggen: stel die expertise ten dienste van musea.”

In de binnenkort te verschijnen documentaire Verweesd eigendom, van Piet de Blaauw en Frénk van der Linden, brengen twee Joodse zussen een bezoek aan een museumdepot, waar meerdere bordjes liggen die aan hun grootvader toebehoorden. Als ze de curator vragen of hij onderscheid maakt tussen wel en niet geroofde kunst, zegt hij: ‘Voor ons is het allemaal hetzelfde, het zijn borden.’

Asscher: „Ik ken deze casus niet, maar in algemene zin denk ik dat elke drempel voor iemand die groot verdriet heeft, een bevestiging is van wat er na de oorlog allemaal is misgegaan. Er is een massaal gebrek aan vertrouwen bij nabestaanden.”

Kijken musea weg?

Asscher: „Voor sommige musea zal dat gelden. Het is moeilijk om met een niet zo fraaie geschiedenis geconfronteerd te worden. Als je je realiseert hoe mensen behandeld zijn kan dat gevoelens van schaamte oproepen.”

De commissie hoopt dat „opnieuw ontluikend antisemitisme” met educatieve projecten en tentoonstellingen de kop in wordt gedrukt.

Asscher: „Ik hoop dat als mensen de geschiedenis achter die voorwerpen horen, ze een brug naar het heden kunnen slaan.”

Hertzberger: „Door die objecten te tonen laat je zien wat er kan gebeuren als je mensen uitsluit.”

Asscher: „Het is een glijdende schaal.”

Hertzberger knikt. „Het begon met een bordje ‘Voor Joden verboden’ in het Vondelpark. Het eindigde bij moord. We wonen in een mooi land, maar het blijft alleen mooi als we de rechten van álle Nederlanders beschermen. Je kunt dat niet vaak genoeg benoemen.”

Het CollectieCentrum Nederland in Amersfoort.

Depots in het CollectieCentrum. Het is niet bekend of onder de getoonde kunst ook geroofde kunst zit.

Tweede Wereldoorlog

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next