Hoe zullen latere generaties terugkijken op deze tijd? Hoe zullen ze oordelen over ons? Ik ben niet de enige die het zich afvraagt deze dagen. „Als we nu onze ogen sluiten voor het kwaad in de wereld, dan zal de volgende generatie ons de rekening presenteren. Ze zullen ons vragen waar we waren toen het misging, wat we deden”, stelde de Pools-Belgische filosofe Alicja Gescinska vorige week in een interview in NRC.
Gescinska schreef het boek Vrouwen in duistere tijden, over tien denkers uit de vorige eeuw die elk op hun eigen manier een antwoord probeerden te formuleren op het kwaad van hun tijd: het fascisme, het communisme, de wereldoorlogen, de Holocaust. Hoewel de titel van het boek in eerste instantie verwijst naar die twintigste-eeuwse verschrikkingen, lijkt het ‘duistere tijden’-etiket ook steeds beter te passen op het nu schrijft ze. Nieuwe oorlogen, een nieuwe wapenwedloop, een nieuwe generatie autoritaire leiders, en dat allemaal op een planeet die in een onrustbarend tempo raakt opgewarmd, uitgeput, vervuild.
Trekken wij – bewoners van een vooralsnog vrij gerieflijk stukje aarde, bezitters van een aangenaam niveau van welvaart – ons dit alles voldoende aan? Velen niet, vindt Gescinska. Achteraf zullen we misschien beweren het niet geweten te hebben, maar in een tijd waarin het wereldnieuws in onze broekzak zit valt dat niet vol te houden, schrijft ze in haar boek. „Wir wissen es.”
Twee dagen na haar interview lees ik een reportage, NRC vraagt Nederlanders hoe zij aankijken tegen de onrust in de wereld. Bij een pompstation in Drenthe antwoordt een seniorenkoppel vooral te willen genieten. „Jongens, het is wat het is”, zegt een ander, „dood gaan we allemaal”. Een Amsterdamse beurshandelaar mijmert over de grillen van Trump: niet goed voor de wereld, „maar voor de handel niet slecht”. Een collega vult aan: „Hoe zeg je dat ook alweer? Kopen als het bloed door de straten loopt.”
Wat zullen historici concluderen als ze straks de archieven van ons tijdvak induiken? Het is ook het thema van de nieuwe roman van de Britse schrijver Ian McEwan, Wat we kunnen weten. Het is het jaar 2119, als gevolg van rampzalige klimaatverandering en een nucleaire oorlog heeft de zee grote delen land overspoeld; op de onherbergzame archipel die rest van Groot-Brittannië vormt onderzoekt de jonge wetenschapper Tom Metcalfe de cultuur uit de periode 1990-2030.
Natuurlijk ziet hij het, „de misère, wreedheid en ziekelijke hebzucht van toen”; „de stompzinnigheid en de verspilling”; „de zorgeloze minachting voor de volgende generaties”. Maar net zoals wij nu soms met een romantische blik kijken naar de tijd van Shakespeare, de roaring twenties of de vrije jaren zeventig, zo voelt Tom toch ook groot ontzag voor de decennia die hij bestudeert. Ontzag voor ons dus: voor onze weelde, onze overmoed, onze eindeloze vindingrijkheid.
Hoe vet, zegt hij tegen zijn vriendin: „de hangbruggen, de orkesten, de straatfeesten en de honderden soorten muziekfestivals, de mensen die tuinierden en kokkerelden, hun behoefte aan vakanties, extreme sporten, het naspelen van historische gebeurtenissen, de gay-pride-optochten, de risico’s die mensen namen met AI, hun gevoel voor humor, de veilige vliegtuigen, hun passie voor zinloze sporten. Honderdduizend toeschouwers bij een voetbalwedstrijd! Een astronaut die golf speelt op de maan! Had ze gehoord van de kaasrolwedstrijden?” Wat een levenslust hadden die mensen, wat een onbegrensd vermogen tot genieten.
Zal dat het zijn, wat ze later over ons zeggen? Het paradoxale van zulke overpeinzingen is dat speculeren over de vraag hoe wij de geschiedenisboeken in zullen gaan, ook de functie kan hebben om mensen in de huidige tijd in hun denken en handelen te beïnvloeden, waardoor de voorspelling uiteindelijk juist niet uitkomt. Zowel Gescinska als McEwan deelden in interviews over hun boeken de hoop dat mensen zich na lezing verantwoordelijker zouden voelen voor het lot van anderen en de toekomst van de wereld.
Ik weet niet of het zo werkt, maar lees toch die boeken maar. Al is het enkel om er schaamteloos van te genieten.