De 79-jarige countryzangeres Emmylou Harris geeft in mei vier uitverkochte afscheidsconcerten in Nederland. Zou zij beseffen dat zij haar succes hier vooral te danken heeft aan de deze week overleden radiomaker Jan Donkers? Ik vrees van niet.
Toch was Donkers dé smaakmakende discjockey die in zijn VPRO-uitzendingen in de jaren zeventig de aandacht vestigde op onder anderen dit aanstormende Amerikaanse talent. Hij deed dat op de hem kenmerkende wijze: bondig, welsprekend, zonder overdrijving. Voordat Harris een eigen debuutelpee (Pieces Of The Sky) maakte, zong ze prachtige duetten met Gram Parsons op diens platen. Parsons was een andere favoriet van Donkers die hem bij zijn luisteraars in Nederland introduceerde. De platenindustrie was in die jaren veel dank verschuldigd aan Donkers en zijn VPRO-collega’s Wim Noordhoek en Rik Zaal.
Ook voor mij, thuis gretig luisterend naar hun uitzendingen, ging een wereld van nog nauwelijks bekend, vooral Amerikaans, talent open. Je deelde niet alleen hun voorkeuren, maar ook hun afwijzing van andere stromingen. Zo hebben zij nauwelijks een goed woord overgehad voor de Britse pop van Roxy Music, Queen en David Bowie.
Ook in zijn schrijvende werk bleef Donkers zijn idolen trouw. Hij schreef in 1972 een indringend interview met Gram Parsons. Het is te vinden in een van Donkers’ beste non-fictieboeken, Amerika, Amerika, uit 1982. Donkers beschrijft hem zo: „Een zachte, kwetsbare jongen met iets zeer ver-wegs in zijn diepliggende, omfloerste ogen. (…) Van de arrogantie, het zelfdestructieve cynisme dat hem werd toegeschreven merkte ik niets.”
Ze wisselden adressen uit en hoopten elkaar terug te zien als Parsons in Nederland zou optreden. Het is er niet meer van gekomen: Parsons overleed in 1973 op 26-jarige leeftijd aan een overdosis morfine en alcohol.
Zelfdestructie zie je in dezelfde bundel ook al aankomen in het verhaal over de befaamde schrijver Hunter S. Thompson. Terwijl Thompson een cassette met muziek van, jawel, Emmylou Harris, hard aanzet, ontwikkelt zich een chaotisch gesprek. „Hij deponeert al pratend wat cocaïne op het puntje van een zakmes en snuift het met forse halen omhoog. Daarna druppelt hij iets uit een flesje in hetzelfde neusgat, blijft langdurig nasnuiven.” Vervolgens vertrouwt Thompson hem toe: „Ik hou niet van schrijven, ik hou niet van journalistiek. (…) Maar je moet godverdomme je brood verdienen.” Dat was in 1975. Dertig jaar later, 67 jaar oud, schiet Thompson zichzelf dood.
Donkers ambieerde ook zelf het literaire schrijverschap. Hij was vooral een kenner van Amerikaanse literatuur; in die hoedanigheid leerde ik hem kennen toen hij voor korte tijd toetrad tot de redactie van het literaire tv-programma van Adriaan van Dis. Hij bleek een rustige, relativerende man. Hij had toen al zijn eerste verhalenbundels geschreven. Ze waren welwillend ontvangen, maar bij de derde bundel ging het mis. Tom van Deel, gezaghebbend criticus in Trouw, schreef een snoeiharde, afwijzende kritiek: „Dit is zwoegerig proza. Dit is ondoorzichtig proza.”
Daarna heeft Donkers nog maar weinig andere fictie geschreven. Ook zelf keek hij met grote spijt terug op zijn eerste verhalenbundels. Maar wat zou het – hij kon trots zijn op zijn andere verdiensten.