Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Casper Hinskens (42) had baliedienst toen een moeder in paniek met haar zoontje het bureau binnenrende.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Dit verhaal laat zien dat in ons werk de adrenaline ineens van nul naar honderd schiet, terwijl je toch rustig blijft en gewoon doet wat je moet doen. Heel wonderlijk eigenlijk, hoe goed je instinct werkt.
‘Ik had baliedienst en ging net koffie halen in de centrale hal van ons bureau in Amsterdam, toen ik buiten plotseling een vrouw keihard hoorde gillen. Zodra ik me omdraaide om te kijken wat er gebeurde, kwam die vrouw schreeuwend het bureau binnenrennen, helemaal overstuur met een peuter in haar handen die ze zo, als een pop, onder z’n oksels vasthield. ‘Mijn jochie, mijn jochie. Help hem! Red hem!’ riep ze. Ze zag lijkbleek, duwde dat ventje in mijn handen en wendde haar hoofd af.
‘Het kind keek verdrietig. Ik scande hem van boven tot onder, en zag toen dat zijn linkervoet in een onnatuurlijke hoek los aan het beentje hing. Van de voet tot halverwege het been zat een enorme snee, ik kon de pezen en het bot zien zitten. Zijn bloed drupte op de vloer en ik dacht: wow, zal hij ooit nog goed kunnen lopen?
‘‘Ik heb iemand nodig!’, brulde ik met dat ventje in mijn handen. Want ik wist: als ik nu ga lopen, gaat die voet bungelen en dan kunnen die pezen afscheuren. De brigadier van dienst kwam op het gegil af en nam het kind van me over, waardoor ik het voetje kon fixeren. Zo stonden we daar, met z’n tweeën met die peuter bij de balie, wachtend op de ambulance. Die moeder zat op een stoel aan de zijkant van de hal overstuur te huilen.
‘Ik deed maar wat, ik ben totaal niet medisch opgeleid. Ik hield die voet vast om nog meer schade te voorkomen, en probeerde het jochie gerust te stellen. Het ventje was onder de indruk van ons uniform, ik denk dat hij daarom redelijk rustig was. Of misschien was hij in shock. ‘De ambulance is onderweg’, zei ik, ‘die komen dalijk even naar jouw voetje kijken. Ik heet Casper. En hoe heet jij?’
‘Met gierende banden stopte de ambulance voor de deur. De chauffeur en een verpleegkundige kwamen binnenrennen, ze schrokken van die lange, diepe snee in dat been. Terwijl wij de peuter vasthielden, verbonden zij de wond. Ondertussen vroeg de chauffeur aan de moeder: ‘Wat is er gebeurd?’
‘Ze had haar kind niet goed in het fietsstoeltje vastgezet, waardoor hij was gaan scheefhangen, naar beneden gleed en zijn been tussen de spaken kwam. Ineens blokkeerde haar fiets en hoorde ze een krak. Ze keek om en zag haar zoon niet meer. Hij hing helemaal aan de zijkant, met die kapotte voet. Ze zag de schade, trok hem uit het stoeltje en rende in paniek ons bureau binnen.
‘De hulpverleners laadden moeder en zoon in de ambulance en hop, het hele spul vertrok naar het ziekenhuis. En dan hoor je in principe nooit meer iets. Dat is inherent aan ons werk; het ziekenhuis vertelt je niks vanwege privacy, hoewel je soms graag zou willen weten hoe iets afloopt, zeker als het bijvoorbeeld gaat over een kinderreanimatie.
‘Maar deze keer was dat anders. Een week of twee later kwam die moeder naar het bureau met dat zoontje op haar arm. Zijn voet zat in het gips en in zijn hand hield hij een politieautootje dat hij me aanreikte. Hij herkende me meteen.
‘‘Hé boefie, wat een mooi ding’, zei ik. In een familiekamer vertelde die moeder dat er een grote kans was dat haar kind weer goed zou kunnen lopen. Ze vertelde dat ze door de radeloze paniek niet meer wist wat ze moest doen, en kwam me bedanken voor de hulp. Ik kreeg een cadeau en scheurde samen met dat ventje het pakpapier eraf, er zat een grote chocoladereep in.
‘Dit is nou typisch zo’n incident waarvan je denkt: wat heb ik meer gedaan dan alleen maar een voetje vastgehouden? Maar dan zie je dat de betekenis van je werk vaak veel groter is. Wij blijven rustig waar een ander in paniek raakt. Wij gaan niet mee in angst, pijn of verdriet.
‘Door je opleiding en ervaring ontwikkel je een instinct waardoor je in stressmomenten vaak het goede doet. Wij gaan meteen in de handelmodus, zonder emoties, ook als je adrenaline van nul naar honderd schiet. Pas later besef je: oeh, dat was best pittig.
‘En het is fijn om te horen hoe iets afloopt. Want je vraagt je toch altijd af: heb ik dat goed gedaan? Gaat die persoon het redden? Had ik iets anders moeten doen? Dit was een mooie afronding. En een stukje erkenning voor je werk. Daar put je dan weer kracht en optimisme uit. En ja, daar kan ik héél lang op teren.’
Source: Volkskrant