Renate Baardman-Eitel is 100 jaar. Ze groeide op in nazi-Duitsland en verhuisde voor de liefde naar Nederland.
Renate Baardman-Eitel is een assertieve en kritische dame die eerst van de hoed en de rand wil weten voordat het interview kan beginnen. Wat is het doel, wat wordt er van haar verwacht en waar wordt haar verhaal gepubliceerd? Dat het de Volkskrant is, de krant waarvan ze al decennialang abonnee is, breekt het ijs. Ook al kan ze moeilijk geloven dat de buitenwereld haar levensverhaal interessant kan vinden, een overtuiging die veel 100-jarigen met haar delen.
Hoe gaat het met u?
‘Goed.’ (Lachend:) ‘Ik zeg altijd: mijn man heeft mij hierheen gehaald én mij hier laten zitten. Ik kwam uit een groot land en ging na mijn huwelijk in 1956 verder leven in een klein land. Bob is anderhalf jaar geleden gestorven, hier in deze flat, 96 jaar oud. Dat hij vredig is ingeslapen en we een gelukkig huwelijk hebben gehad, helpt mij eroverheen. Alles hangt af van hoe je iets beleeft.’
Waar hebben jullie elkaar leren kennen?
‘Op een boot van Venetië naar Athene, begin jaren vijftig. Ik werkte als onderwijzeres in Steinhausen in Zuid-Duitsland. In de vele schoolvakanties die ik had, ging ik graag op reis. Tijdens die bootreis naar Griekenland zag ik tussen de passagiers drie mannen en dacht: dat zijn vast een vader en twee zoons – en schonk er verder geen aandacht aan. Op een avond was het zo warm, dat ik afkoeling zocht op het dek. Daar raakte ik aan de praat met een van die drie, hij bleek een jonge Nederlandse advocaat onderweg naar Athene om daar een kapitein te verhoren. Hij zou drie weken in Griekenland blijven, ik twee weken. Het was een leuk gesprek en we wisselden adressen uit.
‘Twee weken later stond ik op de boot terug naar Venetië. Iemand uit mijn reisgezelschap riep: ‘Da steht Ihr blonde Holländer.’ Ik keek en zag hem wuiven op de kade. Hij bleek voor mij naar de haven te zijn gekomen, een sprookje. Bij thuiskomst lagen er al een paar brieven van hem op mij te wachten, en begreep ik hoe de vork in de steel zat. Hij stelde duizend-en-een vragen, of ik katholiek was bijvoorbeeld. Ik woonde nog bij mijn ouders, en vroeg mijn vader of ik alles moest beantwoorden. ‘Ja’, zei hij, ‘je moet heel eerlijk zijn.’
‘We zijn een tijd met elkaar gaan corresponderen, zo leerden we elkaar goed kennen. Schiller schreef in een van zijn gedichten: ‘Drum prüfe, wer sich ewig bindet, ob sich das Herz zum Herzen findet. Der Wahn ist kurz, die Reu ist lang.’ (Onderzoek goed, voordat je een levenslange verbintenis aangaat, of de harten elkaar vinden. Verliefdheid is van korte duur, spijt duurt lang.)
‘Bij onze eerste afspraak in Duitsland hadden we elkaar meteen gevonden. Daarna dacht ik: ik ga in Rotterdam kijken, waar hij woont. We spraken af op de Coolsingel, vlak bij het advocatenkantoor waar hij werkte. Bob had zijn nichtje meegenomen, om haar te laten bekijken of ik bij zijn familie paste. Niet lang daarna bezocht hij mij in Kressbronn aan het Bodenmeer, waar ik met mijn ouders woonde. Onze relatie ging vanzelf, we zijn altijd verliefd gebleven.
‘Bob hield ook van Duitsland, én hij kon goed met mijn vader en moeder overweg, dat was belangrijk voor mij, maar ook voor hem, want hij had geen fijne jeugd gehad. Van zijn ouders kreeg hij weinig liefde, ze hadden veel ruzie en gingen uit elkaar toen hij studeerde. Mijn vader en moeder hadden juist een heel gelukkig huwelijk – dat heeft effect op kinderen. Ik heb er mijn zelfvertrouwen aan te danken, dat helpt je in het leven door alles heen.’
Hoe werd u ontvangen in Nederland? Anti-Duitse sentimenten leefden door de oorlog nog volop onder de bevolking.
‘Mijn man was mijn schild. Van hem wist ik dat veel Nederlanders Duitsers niet mochten. Daar moet je niet overgevoelig voor zijn. Het stoorde me niet als mensen naar me keken zodra ze mijn Duitse accent hoorden. Ze hadden geen idee hoe het was om in de nazitijd in Duitsland te leven, dat niet iedereen achter de nazi’s stond, maar ze hadden er wel een oordeel over.
‘Mijn man had vrienden, ook Joodse, uit zijn studietijd in Amsterdam, waar hij rechten had gestudeerd. Hij was ervan overtuigd dat hij hen voor het hoofd zou stoten door met een Duitse vrouw te trouwen. Maar dat hebben ze nooit te kennen gegeven. En anders zou hij toch voor mij hebben gekozen. Wat voor mij heel belangrijk is, is dat ik altijd de Duitse nationaliteit heb behouden. Ik blijf van Duitsland houden.’
Hebben jullie ook overwogen in Duitsland te gaan wonen?
‘Nee, dat heb ik mijn man niet gevraagd, daarvoor had ik te veel respect voor hem. Met zijn juridische opleiding had hij daar niet zo makkelijk aan de slag gekund.
‘Na ons huwelijk ging ik bij Bob in Rotterdam wonen. Hij had een kamer in een groot huis van een stel zonder kinderen, waar nog meer mensen inwoonden. Eén bewoner was Dick Visser, die tijdens de oorlog actief was geweest in het verzet. Toen Bob vertelde dat hij ging trouwen met een Duitse vrouw, zei hij: ‘Die komt hier nooit binnen!’ Waarop Bob zei: ‘Je moet haar eerst leren kennen.’ Na de eerste ontmoeting was het ijs gebroken. Ik deed gewoon, ging niet geforceerd grapjes maken.’
Hoe herinnert u zich de eerste jaren in Nederland?
‘Het is niet zo makkelijk Fuß zu fassen in een ander land. Ik kende niemand. Bob was veel aan het werk, eerst op een advocatenkantoor en daarna 24 jaar als bedrijfsjurist bij Unilever. Dat hij later ook nog hoogleraar zou worden en raadsheer bij de Hoge Raad, had hij niet kunnen bedenken – het ging allemaal vanzelf. Ik was vrij zelfstandig, in Duitsland had ik al vanaf mijn 19de gewerkt als onderwijzeres. Ik vond het verrückt dat in Nederland getrouwde vrouwen in het onderwijs werden ontslagen.
‘Om mensen te leren kennen, sloot ik mij aan bij een koor. Bob vond het goed dat ik, zodra onze zoon wat groter was, een opleiding volgde om een bevoegdheid te halen als docent Duits. Jarenlang heb ik privéles gegeven, vooral aan zakenmensen die in contact stonden met bedrijven in Duitsland. Ik herinner mij een Japanner die in het World Trade Center in Rotterdam werkte en zó gemotiveerd was om Duits te leren, dat hij in de auto op weg naar mijn conversatieles naar Duitse liedjes luisterde en bij het tanken Duits ging praten.’
Hoe kijkt u terug op uw jeugd?
‘Als een heerlijke tijd. Mijn ouders hadden een harmonieus huwelijk. Ze hadden elkaar ontmoet tijdens een treinreis in Duitsland. Mijn vader gaf haar zijn visitekaartje, ze zocht hem op en negen weken later trouwden ze.
‘We maakten veel klassieke muziek samen, ik kreeg al jong pianoles. We woonden afgelegen in een oud klooster in een dal, met twee grote tuinen op twee niveaus, de ene bereikte je via de kelder. Mijn zusje en ik hadden veel ruimte en vrijheid om te spelen en onze gang te gaan. Eens in de zoveel weken kwam een naaister kleding voor ons maken. Mijn vader had een hoge positie als Landrat, een soort commissaris van de Koning, van een groot district in wat nu de deelstaat Baden-Württemberg is. Hij ging over alles; over de brandweer, de ziekenhuizen, de wegen.
‘Toen de nazi’s aan de macht kwamen, moesten alle ambtenaren lid worden van hun partij, de NSDAP. Mijn vader ook, maar hij liet zich niets voorschrijven en deed niet mee. Daardoor viel hij in ongenade en werd eerst gedegradeerd en daarna ontslagen. Hij moest werken in een fabriek, iets met spijkers. Ik merkte er niets van, als kind ben je met duizend andere dingen bezig.’
Was u lid van de Bund Deutscher Mädel, Hitlers jeugdbeweging voor meisjes?
‘Ja natuurlijk, dat waren alle meisjes van 10 tot 18 jaar verplicht. We droegen uniformen, een lange zwarte rok, een witte blouse met een sjaaltje, en een kort jasje. Er werden activiteiten georganiseerd die jongeren enthousiast maakten, zoals samen sporten en zingen, dat sprak me aan. Onbewust kreeg je de nazi-ideologie mee, meisjes werden klaargestoomd voor het moederschap, maar thuis had ik een kritische vader en een zelfstandig denkende moeder.
‘In 1944, ik was 18 jaar, moest ik in Arbeitsdienst. Jonge vrouwen zoals ik moesten gezinnen ondersteunen waarvan de man aan het front vocht. We sliepen in een kamp vlak bij Stuttgart, heel gezellig met allemaal meisjes van dezelfde leeftijd, ook daar zongen we veel. Overdag liep ieder naar ‘haar’ gezin. Langs de weg waren verschillende Schutz Kampfflieger (schuilkelders) en stond oorlogsmaterieel opgesteld. Het gezin waar ik werkte, telde tien kinderen, ze waren heel gedisciplineerd opgevoed, ieder kind had een eigen taak.
‘Na de oorlog ben ik gaan studeren, werken en reizen – ik was een zelfstandige vrouw.’
Lijkt u meer op uw vader of op uw moeder?
‘Ik heb de liefde voor klassieke muziek en de mentaliteit van mijn vader: kritisch zijn, geen meeloper. Van mijn moeder heb ik het sterke en zelfstandige, ze is 104 jaar geworden. Zij leerde mij dat het er niet om gaat wat je doet, maar hoe je bent.’
Hoe staat u in het leven?
‘Je moet het leven nemen zoals het komt en je ogen openhouden, dan valt er veel te ontdekken.’
geboren: 25 november 1925 in Biberach an der Riß, Duitsland
woont: zelfstandig, in Rotterdam
familie: 1 zoon, 3 kleinkinderen, 1 achterkleinkind beroep: docent Duits
weduwe sinds 2024
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant