Home

In 1914 was Stefan Zweig een fanatieke nationalist

In zijn wedijver met Engeland en Frankrijk snakte de Duitse keizer Wilhelm II naar overzeese koloniën en gebiedsuitbreiding in Oost-Europa. Ook vreesde hij voor een eventuele Frans-Russische omsingeling als het tot een conflict met dat bondgenootschap zou komen. Na de moord op de Habsburgse troonopvolger in Sarajevo bood zich voor Wilhelm dan ook een kans aan om een preventieve oorlog tegen zijn neef Nicolaas II te beginnen. Het was nu of nooit, want Rusland was zich steeds zwaarder gaan bewapenen en zou in de nabije toekomst mogelijk niet meer te verslaan zijn.

Vrijwel iedereen ging er in 1914 nog vanuit dat die oorlog zo’n twee weken zou duren. In het kamp van de Duitsers en Oostenrijkers stond menig gezaghebbende intellectueel dan ook te juichen van patriottisme. Behalve voor Thomas Mann, die zijn lofzang op het krijgsgewoel als morele reiniging in een vuistdik essay goot, gold dat ook voor de eerder zo vredelievende Stefan Zweig.

In eerdere jaren had de wereldberoemde schrijver zich nog een ijveraar voor een verenigd Europa getoond. In zijn in Braziliaanse ballingschap geschreven en postuum uitgegeven memoires De wereld van gisteren (1942) zou hij dat nog eens benadrukken. Dat de waarheid een tikkeltje anders was, lees ik in Bart Slijpers Zwijgen is nu een misdaad. Toonaangevende Europese schrijvers tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zweig komt hieruit naar voren als een fanatieke nationalist, wat Slijper opmaakt uit diens dagboeken en krantenartikelen uit de jaren 1912-1918 waarin zelfs de Duitse oorlogsmisdaden in België worden goedgepraat.

Zweigs bezoek aan een Franse bioscoop in 1913, samen met de bevriende Franse schrijver Romain Rolland, kan een rol bij zijn ultranationalisme hebben gespeeld. Toen op het filmscherm keizer Wilhelm verscheen tijdens een bezoek aan Wenen, liet het publiek in de zaal zo’n afkeurend gefluit en stampvoeten horen, dat de francofiele Zweig zich rotschrok, zoals hij achteraf schrijft in De wereld van gisteren.

Iemand als Romain Rolland was allerminst verbaasd over de commotie in die bioscoop: „We zijn in een tijd van massa-emoties, van massahysterie beland, waarvan we helemaal nog niet kunnen overzien hoeveel agressie er in een oorlog van kan uitgaan.” Je zou bijna denken dat het over het heden gaat.

Rolland zou Zweig algauw weer op het pacifistische spoor zetten. Hetzelfde deed hij bij Roger Martin du Gard, wiens oorlogservaringen hun neerslag kregen in zijn meesterlijke romancyclus De Thibaults.

Slijper geeft in zijn boek een beknopt college literatuurgeschiedenis over die periode van grote intellectuele verwarring. Aan de hand van Zweigs wedervaren komen bovendien veel van mijn favoriete schrijvers uit die tijd voorbij, van de voorzienige Joseph Roth en de gebroeders Mann tot de flegmatieke Marcel Proust, de linkse frontsoldaat Ernst Toller, de romantische Konstantin Paustovski en de melancholieke Roger Martin du Gard. Dankzij Rolland is zelfs een belangrijke rol weggelegd voor de pacifisten Frederik van Eeden en Frans Masereel.

De conclusie die Slijper trekt is dat die schrijvers, ook al zat een deel van hen aanvankelijk op het verkeerde spoor, uiteindelijk als geen ander de waanzin hebben laten zien waarin de wereld zich tussen 1914 en 1918 had gestort. Bovenal bewijst hij dat hun teksten nog altijd de moeite waard zijn. Al was het maar omdat er in sommige opzichten helemaal niets is veranderd.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next