Vol ongeloof volgen veel Libanon-veteranen het nieuws in het Midden-Oosten. Zaterdag kwamen ze bij elkaar in Eindhoven om te praten over het gebied waar ze ruim veertig jaar geleden als blauwhelmen naartoe gingen.
is verslaggever van de Volkskrant.
Alles, zegt Chris Laarhoven. De Libanon-veteraan valt even stil, maar herpakt zich snel. ‘Alles’, vervolgt hij, ‘is vernietigd. Twee weken geleden vloog er een raket bij buren naar binnen. En een paar dagen geleden was het hier ook drama. Kaboem, kaboem, kaboem. Wegen, huizen, bomen. Alles is weggevaagd.’
Het is zaterdagmiddag als Laarhoven via de telefoon verslag doet vanuit Zuid-Libanon. Zijn gezicht is te zien op een groot scherm in De Treffer, een ontmoetingscentrum voor veteranen in Eindhoven. Enkele tientallen zestigers luisteren muisstil naar zijn verhaal.
Stuk voor stuk somt Laarhoven plaatsnamen op waar de veteranen ruim veertig jaar geleden gestationeerd waren als leden van een VN-vredesmissie. Het zijn plaatsen en wijken die afgelopen weken door ‘bommen van de buren’ zijn weggevaagd. ‘In ons gebied’, vervolgt Laarhoven, ‘is dus alles kapot.’
Een zucht van ongeloof klinkt in de zaal. ‘Kafra, in die plaats was ik gestationeerd in 1981’, zegt iemand met betraande ogen.
Laarhoven is één van de veteranen die geregeld terugkeerreizen organiseert voor oud-Libanongangers. Toen begin maart de bombardementen begonnen, was hij opnieuw in het land. Hij besloot te blijven, om ‘als ogen en oren’ te fungeren – net als in de jaren tachtig.
Sindsdien houdt hij andere veteranen bijna dagelijks op de hoogte vanuit Tyre, met foto’s en filmpjes. En ook deze zaterdag belt hij tijdens een speciaal voor Libanon-veteranen georganiseerde ontmoetingsdag van de BMNO, de bond voor gewonde militairen.
‘Hoe is het sinds het staakt-het-vuren, Chris?’, wil één van hen weten. ‘Welk staakt-het-vuren?’, reageert hij cynisch. ‘Er wordt nog steeds geschoten.’ Om er even later aan toe te voegen: ‘De eerste gevluchte bewoners komen terug, maar de situatie is gespannen, fragiel.’
Nederland zond in de periode tussen 1979 en 1985 ruim negenduizend militairen naar Zuid-Libanon. Een jaar eerder was het Israëlische leger het zuiden van Libanon binnengevallen om aanslagen van Palestijnse groeperingen te stoppen.
Kort daarna werd een VN-vredesmacht (UNIFIL) gevormd. De blauwhelmen hadden als taak de rust en orde in het gebied te handhaven, en de Libanese regering te helpen bij het herstel van haar gezag. Daarnaast fungeerden de militairen als ‘ogen en oren van de internationale gemeenschap’.
Hoewel de vredesmissie voor de veteranen ruim veertig jaar geleden is, volgen ze de actualiteit op de voet. ‘Moet je kijken.’ Eén van hen houdt hoofdschuddend zijn telefoon omhoog. ‘Er is daar vandaag een Franse blauwhelm omgekomen’, zegt hij terwijl hij anderen het laatste nieuws toont.
Voor veel van de aanwezigen is Libanon ‘een tweede thuisland’, legt André Matthijssen (63) uit. ‘We voelen ons nog altijd begaan met de lokale bevolking en het onrecht dat hen wordt aangedaan. We waren er misschien maar even, maar in ons hoofd zit het land voor het leven.’
De Brabander was ‘zeven weken 18 jaar’ toen hij als dienstplichtige voor zes maanden in 1980 werd uitgezonden. ‘Ik kwam uit Sint Willebrord en mijn wereld reikte niet veel verder dan de voetbalclub.’ Hij herinnert zich nog hoe hij als 17-jarige begon aan zijn vervroegde dienstplicht. ‘Ik reisde via Utrecht Centraal, ik had nog nooit zoveel treinen bij elkaar gezien.’
Enkele maanden later vloog hij naar Beiroet, om vervolgens door te trekken naar het zuiden van het land. ‘De chaos daar was onwerkelijk, alles was kapot geschoten. Wij moesten overdag sociale patrouilles lopen en contact leggen met de lokale bevolking.’ ’s Nachts moesten de blauwhelmen de wacht houden en voorkomen dat indringers het gebied inkwamen. ‘We waren wel gewapend, maar mochten alleen schieten uit zelfverdediging.’
Die zes maanden, zegt Matthijssen, ‘hebben een stempel gedrukt op de rest van mijn leven’. Uit een onderzoek van het Veteraneninstituut uit 2022 blijkt dat hij daarin lang niet de enige is. Relatief veel Libanon-gangers zijn beschadigd teruggekomen en kampen met mentale of fysieke problemen. ‘We waren jonge, naïeve dienstplichtigen, onvoldoende voorbereid op wat we aantroffen en nazorg was er nauwelijks’, zegt Matthijssen.
Zo denkt ook veteraan Roland erover. De zestiger wil niet met zijn volledige naam in de krant. ‘Want ik heb dingen gedaan waar ik spijt van heb.’ Hij was 19 toen hij naar Libanon ging. ‘We stonden tussen de strijdende partijen, maar mochten vrijwel niets en opereerden met onze handen op de rug.’
In de jaren erna raakte hij verslaafd, kwam in aanraking met justitie en worstelde met psychische problemen. Inmiddels gaat het beter, zegt Roland die gediagnosticeerd is met PTSS. Maar de dag dat hij thuiskwam uit Libanon herinnert hij zich nog goed. ‘Ik zat op de bank bij mijn ouders. In de gang hoorde ik mijn moeder met de buurvrouw bellen. Ze zei: mijn zoon is thuis, maar het is mijn jongen niet meer.’
Met name het gevoel van machteloosheid heeft hem getekend. Deze zaterdag luistert Roland in stilte naar het laatste nieuws over Libanon.
Chris Laarhoven vertelt zijn toehoorders inmiddels meer over zijn dagelijks leven. Zo leeft hij op blikken tonijn, smac en knakworsten. ‘Net als vroeger in het leger. Ik gooi het gewoon bij mijn noodles’, zegt hij lachend. Maar snel daarna wordt zijn toon weer serieuzer. ‘De wereld is een gekkenhuis geworden’, vervolgt Laarhoven. ‘Zelfs hulpverleners van het Rode Kruis zijn aangevallen.’
Als Laarhoven even later van het scherm is verdwenen, blijft Roland nog even zitten. ‘Ik bleef toch al die jaren hoop houden dat onze aanwezigheid uiteindelijk iets had betekend, maar nu lijkt het toch voor niets te zijn geweest.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant