Home

‘Er wordt van alles gezegd over gen Z’ers en er zijn ook genoeg mensen die daar geld mee verdienen’

Over de gedeelde eigenschappen van generaties wordt veel beweerd, maar van de vaak hatelijke stereotyperingen blijkt weinig te kloppen, ontdekte arbeidseconoom Paul de Beer. Hij ziet het gehamer op vermeende tegenstellingen als bedreiging voor de onderlinge solidariteit.

is economieredacteur van de Volkskrant. Hij is een middelbare millennial en schrijft over de financiële sector.

Millennials zijn allemaal zo halfzacht als de avocado’s die ze klodderdik op hun zuurdesembrood smeren. Babyboomers lijden, zoals de Top 2000 elk jaar bewijst, aan een tragische vorm van alzheimer, waardoor ze ergens na het verschijnen van Bohemian Rhapsody zijn gestopt met het aanmaken van muzikale herinneringen. En gen Z’ers zijn zo schermverslaafd dat er maar één manier is om te voorkomen dat ze naar hun telefoon staren tijdens een begrafenis: niemand mag ooit nog doodgaan.

Pas op met dit soort generalisaties, zegt econoom (en boomer) Paul de Beer (1957). De meeste beweringen over generaties – zoals babyboomers (1946 tot 1964), gen X’ers (1965-1979), millennials (1980-1994) en gen Z’ers (1995-2009) – zijn leuterpraatjes, toont hij aan in zijn op vijf decennia aan grootschalige enquêtes gestoelde boek Generatiestrijd: feit en fictie over generaties.

En deze hatelijke stereotyperingen over jong en oud zijn niet altijd even onschuldig. Ze wakkeren een intergenerationele cultuuroorlog aan, een soort leeftijdsgebonden tribalisme. De onderlinge solidariteit is daar niet mee geholpen, waarschuwt De Beer.

Een van de weinige gedeelde passies in ons gepolariseerde landje is zeuren over andere generaties. Waarom moet u de Nederlanders zo nodig dit pleziertje afpakken?

‘Als mensen graag klagen over andere generaties, mogen ze daar van mij best mee doorgaan. Het is een ander verhaal wanneer werkgevers of overheden hun personeelsbeleid afstemmen op het beeld dat zij hebben van een generatie, bijvoorbeeld van de jongste medewerkers op de werkvloer, gen Z’ers. Als dat beeld niet klopt, kun je daar als organisatie last van krijgen. En voor jongeren zelf is het natuurlijk ook niet goed.

‘Het kan ertoe leiden dat we denken dat de jongste generatie zo compleet anders is dan de oudere, dat we al bij voorbaat veronderstellen dat die twee groepen niet echt kunnen samenwerken. Misverstanden en vooroordelen over generaties kunnen ons gedrag en beleid beïnvloeden op een manier waar uiteindelijk iedereen nadeel van heeft.’

Bedrijfscursussen ‘Omgaan met gevaarlijke stoffen’ zijn gebaseerd op 250 jaar aan scheikundige inzichten. Cursussen ‘Omgaan met gen Z’ers’ daarentegen zijn gebaseerd op …

‘Niks.’

Op niks?

‘Ja, in wezen op niks. Er wordt van alles gezegd over gen Z’ers en er zijn ook genoeg mensen die daar geld mee verdienen. Als je al kunt achterhalen waar ze hun beweringen op baseren, dan steunt het bewijs heel vaak op wat gesprekjes met jongeren. Als je geluk hebt, ligt er nog een lijst met vragen aan ten grondslag die aan meerdere generaties zijn gesteld, maar meestal worden die vragen dan allemaal precies op hetzelfde moment gesteld. Dus weet je niet of de geconstateerde verschillen in waarden echt berusten op verschillen tussen generaties, of slechts op verschillen in levensfase, simpelweg omdat de ene groep op dat moment jonger is dan de andere. Het overgrote deel van wat er over generaties wordt verkondigd, stoelt daardoor eigenlijk nergens op.’

‘De mythekraker’

‘De mythekraker’ kreeg De Beer als eretitel van zijn vakbroeders en -zusters toen hij eind 2024 met pensioen ging als hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en als directeur van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging. Tijdens zijn carrière schepte de arbeidseconoom er genoegen in om met empirie en nuchterheid allerlei mythes op te blazen.

Bijvoorbeeld dat de baan voor het leven dood is. Onzin, bewees De Beer: het aantal mensen dat veertig jaar of langer voor één baas werkt stijgt juist. Of dat arbeidsmigratie altijd economisch gunstig is. In werkelijkheid verdienen sommige arbeidsmigranten, zoals in slachthuizen of tomatenkassen, zo weinig dat het werkgevers lui maakt. Die investeren daardoor minder in arbeidsbesparende technologie, wat nadelig is voor de welvaartsgroei.

Tijdens lezingen merkte De Beer dat vooral millennials en gen X’ers er uitgesproken ideeën op na houden over de vreemde clan die hun kantoren is binnengedrongen: gen Z’ers. ‘Wat ik bijvoorbeeld vaak hoorde van oudere werknemers was dat jongeren veel minder gericht zijn op salaris en werkzekerheid, en meer op zinvol werk, maatschappelijk ondernemen en purpose’, vertelt De Beer vanuit zijn Amsterdamse appartement, onder het wakend oog van zijn witpluizige poolhond Pluto.

Als De Beer tegenwierp dat gen Z’ers misschien niet per se een andere mensensoort vertegenwoordigen, maar gewoon jonger zijn, of dat de tijdgeest wellicht aan het veranderen is, iets wat niet alleen gen Z’ers, maar alle levende generaties beïnvloedt, stuitte hij op ongeloof. ‘Nee, nee’, klonk het dan, ‘wij waren vroeger écht anders.’

De Beer ging op onderzoek uit. Hij dook in meer dan honderd enquêtes, waarin sinds 1970 door organisaties als het Sociaal en Cultureel Planbureau, het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Europese Commissie bijna 297 duizend Nederlanders zijn ondervraagd over hun waarden en gedrag.

Met regressieanalyses en andere statistische technieken probeerde De Beer te ontwarren wat onze veranderende opvattingen over werk, de man-vrouw-rolverdeling en andere thema’s precies verklaart. Zijn de verschillen een kwestie van levensfase, omdat mensen die met pensioen zijn of juist net kinderen hebben anders tegen de wereld aankijken dan toen ze studeerden? Is de tijdgeest omgeslagen, en zijn we collectief anders gaan denken over bijvoorbeeld abortus, de economie of het klimaat? Of verschilt de ene generatie echt van de andere? Het resulterende boek biedt een blik in de krochten van de Nederlandse psyche, en van wat daarin de voorbije halve eeuw aan het gisten en borrelen was.

Hechten gen Z’ers inderdaad minder belang aan een goed salaris en zekere baan?

‘Juist niet. Vergelijk je gen Z’ers met hoe oudere generaties dachten toen ze jonger waren, dan blijkt dat jongeren nu meer belang hechten aan loon en werkzekerheid. Ze hechten ook iets meer belang aan het maatschappelijke effect van werk, maar dat verschil met andere generaties is niet zo groot als wat loon en werkzekerheid betreft. Jongeren zijn dus iets materialistischer geworden.’

Over gen Z wordt ook gezegd dat ze lui zijn.

‘Daar zijn totaal geen aanwijzingen voor. Dit werd bijvoorbeeld ook al gezegd over wat voetbaltrainer Leo Beenhakker de ‘patatgeneratie’ noemde, wat later bekend werd als ‘generatie X’. Ook toen klopte het al niet.

‘We weten dat jongeren steeds vroeger beginnen met werken. Gen Z’ers studeren langer dan voorgaande generaties, en hebben daarnaast veelal een bijbaan. Gemiddeld hebben ze al op hun 16de hun eerste baantje.

‘Daarmee onderscheiden ze zich vooral van babyboomers. Die begonnen gemiddeld rond hun 18de pas met werken. Soms hadden ze wel een vakantiebaantje, maar niet permanent. Nu werken de meeste studenten het hele jaar door. En bedenk ook dat ze langer zullen moeten doorwerken, tot na hun 70ste.’

Jongeren blijken wel iets traditioneler te denken over de rolverdeling tussen vrouwen en mannen.

‘Ja, je ziet bijvoorbeeld dat gen Z’ers het iets vaker bezwaarlijk vinden als een kind naar de crèche gaat. Mannelijke gen Z’ers vinden ook vaker dat vrouwen geschikter zijn voor het opvoeden van kinderen dan mannen. Hierin verschillen zij van millennials en gen X, al moeten we de verschillen niet overdrijven.’

Maar een fenomeen als de tradwife komt dus niet helemaal uit de lucht vallen?

‘Nee, dat klopt. Maar het beeld dat tradwives uitdragen – alleen maar huisvrouw zijn en voor man en kind zorgen – komt totaal niet overeen met de werkelijkheid. We zien dat vrouwen nog altijd steeds meer gaan werken. De jongste generatie vrouwen heeft vaker betaald werk dan millennials.

‘Tegelijkertijd hebben de meeste gen Z’ers nog geen kinderen. Het zou kunnen dat we over tien of vijftien jaar constateren dat de iets traditionelere opvattingen van gen Z’ers over de rolverdeling ertoe leiden dat vrouwen, naast hun werk, nog meer van de zorg voor de kinderen op zich nemen dan nu al het geval is.’

Oud-politicus en schrijver Jan Terlouw (1931-2025) maakte tien jaar geleden furore met zijn verhaal over de touwtjes die vroeger uit brievenbussen hingen. ‘We vertrouwen elkaar niet meer’, concludeerde hij. Had Terlouw gelijk?

‘Terlouw had het deels over de jaren vijftig en zestig, een periode waarover ik geen cijfers heb. Maar vanaf de jaren zeventig krijgen mensen in allerlei onderzoeken standaard de vraag of ze vinden dat hun medemensen te vertrouwen zijn, of dat je zo voorzichtig mogelijk moet zijn in de omgang met anderen. Uit de antwoorden van de geënquêteerden blijkt dat het vertrouwen in elkaar de afgelopen decennia is toegenomen, en behoorlijk fors ook.

‘Waarom dit is, weten we eigenlijk niet goed. Maar waarom er geen touwtjes meer uit brievenbussen hangen, is eenvoudiger te verklaren. In de tijd van Terlouw was er immers altijd iemand thuis, namelijk de huisvrouw. En dankzij dat touwtje hoefden moeders niet elke keer naar de deur te lopen als bijvoorbeeld de kinderen van school kwamen.’

Millennials klagen vaak dat zij het als eerste generatie niet beter zullen krijgen dan hun ouders, de babyboomers. In hoeverre is dit gegrond?

‘Vooralsnog is daar geen enkele aanwijzing voor. Het is belangrijk dat je millennials vergelijkt met babyboomers of generatie X in dezelfde levensfase. En dan zie je dat millennials het zowel wat vermogen als inkomen betreft, gecorrigeerd voor inflatie, even goed of beter hebben dan voorgaande generaties toen die in de dertig of begin veertig waren. Dat oudere generaties rijker zijn, komt alleen doordat zij meer tijd hebben gehad om vermogen op te bouwen.

‘Vergeet ook niet hoe het was toen babyboomers jong waren. Het waren de vooroorlogse generaties die het meest profiteerden van de opbouw van de verzorgingsstaat. Neem de AOW, die werd ingevoerd in 1957: daar hadden ouderen destijds nooit premie of belasting aan bijgedragen. Dat moest allemaal worden betaald door de ‘stille generatie’, geboren tussen 1930 en 1945, en de babyboomers.

‘En waar de stille generatie dankzij genereuze WAO-uitkeringen en VUT-regelingen vaak al jong stopte met werken, konden babyboomers daar door versoberingen veel minder van profiteren. Terwijl ze er wel decennialang premie en belasting voor hadden betaald. De belastingdruk lag toen babyboomers jong waren duidelijk hoger dan nu. Jongeren klagen soms dat de collectieve voorzieningen zijn versoberd. Terecht, maar als ze een royalere verzorgingsstaat willen, zullen ze hogere belastingen moeten accepteren.’

We voeren dit gesprek in een fraai Amsterdams appartement met uitzicht op het IJ. Jongeren zullen wellicht denken: leuk en aardig, maar op de woningmarkt maken we geen schijn van kans tegen babyboomers zoals hij.

‘Allereerst, dit is geen koopwoning, maar een huurappartement. En toen ik 30 was, woonde ik ook gewoon op een flatje in de Bijlmer. Maar je zou inderdaad verwachten dat jongere generaties minder kans hebben op de woningmarkt dan babyboomers. Dit blijkt echter niet zo te zijn, wat ik zelf wel verrassend vond. Uit belastingopgaven blijkt het eigenwoningbezit van gen Z’ers en millennials niet minder te zijn dan in dezelfde levensfase bij babyboomers en gen X’ers.

‘Een kanttekening is dat het eigenwoningbezit afgelopen decennia enorm is toegenomen. Begin jaren zestig waren drie op de tien huizen een koopwoning, in 2024 bijna zes op de tien. Het relatieve aandeel van jongeren in het totale woningbezit is nu kleiner dan toen babyboomers jong waren. Maar omdat er nu veel meer koophuizen zijn, hebben jongeren in absolute zin evenveel kans op een eigen woning als babyboomers destijds. Bovendien stijgt de waarde van de huizen van de jongere generaties, na aftrek van hypotheekschuld, sneller dan bij babyboomers en gen X’ers het geval was.’

Dus jongere generaties moeten minder klagen?

‘Nou ja, tegenwoordig heb je wel twee inkomens nodig om een huis te kopen. Onder jonge babyboomers was het vaak nog alleen de man die het geld verdiende. Gen Z’ers en millennials zijn vrijwel allemaal tweeverdieners. Toch hebben zij niet vaker een eigen woning dan babyboomers. Je zou dus kunnen concluderen dat jongeren harder moeten werken voor een eigen huis.

‘Daar staat tegenover dat vanaf de gen X’ers elke generatie steeds meer erft. Babyboomers zelf erfden relatief weinig, deels omdat ze met zoveel waren, en omdat ze hun erfenissen vaak net tijdens de kredietcrisis kregen, toen de huizenprijzen flink daalden. Het vermogen van babyboomers gaat niet weg, maar belandt via schenkingen en erfenissen bij millennials. Inclusief de mooie huizen van babyboomers.’

Spottende etiketten

De Beer gruwelt van alle spottende etiketten die babyboomers de laatste jaren krijgen opgeplakt, als zou hun generatie ‘de meest egoïstische ooit’ zijn, zoals Doortje Smithuijsen schrijft in haar boekenweekessay Ik zou uw dochter kunnen zijn. Sommige Amerikaanse boeken maken het nog bonter, met titels als A Generation of Sociopaths of How the Baby Boomers Stole the Millennials’ Economic Future.

Dat babyboomers bijvoorbeeld in het klimaatdebat veelvuldig de zwartepiet toegespeeld krijgen, vindt De Beer te makkelijk. ‘De aandacht voor het milieu begon al in de jaren zestig en zeventig, denk aan het onderzoek van de bioloog Rachel Carson of het rapport De grenzen aan de groei van de Club van Rome. Ook babyboomers hebben juist veel actie gevoerd tegen milieuvervuiling.

‘Dat ze ondertussen via hun gedrag wel hebben bijgedragen aan klimaatverandering kun je boomers verwijten, maar daar waren ze zich destijds niet volop bewust van. Het is pas de laatste pakweg twintig jaar dat de aandacht is verschoven van milieuschade naar klimaatopwarming. Dus om het hele klimaatprobleem nu bij babyboomers in de schoenen te schuiven, gaat wat ver.’

Het demoniseren van jongere of oudere generaties lijkt vaak tot doel te hebben om het collectieve ego van de eigen kliek te strelen, zoals de Canadese schrijver Douglas Coupland, de bedenker van de term ‘Generation X’, ooit vaststelde.

‘Het gehamer op vermeende tegenstellingen tussen generaties kan grote schade aanrichten, omdat het tot stereotyperingen en groepsdenken kan leiden. En dan met name het idee dat er een generatiestrijd woedt, waarin alles dat ten goede komt aan de ene generatie per definitie ten koste gaat van de andere. Het is gevaarlijk wanneer dit soort wij-zij-denken dominant wordt. Het kan ertoe leiden dat generaties minder goed samenwerken, en elkaar minder gunnen, wat uiteindelijk de hele maatschappij verarmt.’

‘Een samenleving kan alleen floreren als er veel solidariteit is tussen generaties. Anders moet elke generatie feitelijk weer bij nul beginnen. Denk alleen aan alle kennis en kunde die ouderen door de millennia heen hebben overgedragen op jongeren. Generaties hebben elkaar keihard nodig. Dus elke vorm van denken die ertoe leidt dat we mensen van een andere generatie gaan zien als tegenstanders die onze belangen in de weg zitten, schaadt de onderlinge solidariteit. En dan betreden we mijns inziens gevaarlijk terrein.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next