Waterafstotend, maar dan zonder de schadelijke pfas. Zo prijzen winkels hun nieuwe outdoorkleding aan. Klinkt goed, want ‘wat je aan producten meeneemt naar buiten, belandt nu eenmaal deels in de natuur’. Is het echt zoveel beter?
schrijft voor de Volkskrant over medisch onderzoek, psychologie en (neuro-)biologie.
‘Ja, die lekt hoor.’ De outdoorjas, jarenlang gedragen door weer en wind, ligt nu bij buitensportwinkel Bever Leidschendam onder een metalen pers die de waterdruk opvoert. Druppeltjes water duwen zich langs de metalen rand door de jas: dat hoort niet. Een doorweekte plek blijft achter op de binnenvoering. Zonde, zegt duurzaamheidsdirecteur Christian de Jong van Bever. Als een outdoorjas niet meer waterdicht blijkt, is het vaak moeilijk om deze nog te repareren.
Tot voor kort was zo’n beetje elke buitenlaag van een outdoorjas of waterdichte schoen geïmpregneerd met pfas, een groep spekgladde stoffen waaraan niets hecht en waar de waterdruppels zo van afrollen. Logisch dus dat ze overal op zaten, van anti-aanbakpannen tot bacterievrije medische apparatuur. Maar pfas zijn mogelijk giftig en stapelen zich onherroepelijk op in het drinkwater en de grond. Wetenschappers noemen ze ‘forever chemicals’, omdat je er nooit meer van afkomt zodra ze in het milieu zijn terechtgekomen. Het RIVM en de Europese Unie willen daarom pfas uitbannen.
Dat is nogal een kanteling: regenkleding, wintersportjassen en andere outdoorkleding die er van buiten nog hetzelfde uitziet als voorheen, maar van binnen totaal anders in elkaar steekt. Outdoorfabrikanten maken massaal de draai naar pfas-vrije kleding. Hoe werken die nieuwe materialen? En: zijn ze wel echt zo milieuvriendelijk en goed waterafstotend?
Een ding is zeker: makkelijk is het niet, een ander waterafstotend laagje uitkiezen. Het outdoorbedrijf Patagonia is daar relatief open over in hun recentste duurzaamheidsrapport. In 2016 nam Patagonia trots afscheid van de giftige stof pfoa, om bij de vervangende stof C6 in 2017 opnieuw tegen problemen aan te lopen. ‘Verdomme’, schrijft Patagonia over die ontdekking. ‘Nieuw onderzoek laat zien dat C6 net zo schadelijk is.’
Een regrettable substitution heet dat in de chemiewereld. ‘Eigenlijk hebben ze dan gewoon een chemische stof vervangen door een andere chemische stof waar nog niet zoveel over bekend is’, zegt milieuchemicus Sicco Brandsma van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). ‘Dan denk je dat je als consument goed bezig bent, maar nee, dus niet.’
Het is een tegenstelling die aan het geweten kan knagen: daar loop je dan, als natuurliefhebber door de bergen en bossen, terwijl je met je kleding ondertussen diezelfde natuur vervuilt, bijvoorbeeld als je even met je jas langs een boom schuurt. Honderden jaren blijven de pfas-chemicaliën die daarbij vrijkomen achter. En ze stapelen zich op in de organen van wilde dieren, zoals muizen, schildpadden en vogels. Vlaamse onderzoekers troffen pfas aan in de eieren van koolmezen en het zou zomaar kunnen dat het niet goed is voor de kuikens.
‘Wat je aan producten meeneemt naar buiten, belandt nu eenmaal deels in de natuur’, zegt duurzaamheidsdirecteur Christian de Jong van Bever nadat we de jassen hebben getest. Om de gevolgen daarvan zo klein mogelijk te houden, zegt Bever net als veel andere outdoorbedrijven pfas vaarwel en zet het in op biologisch afbreekbare middelen.
Hoe zien pfas-vrije alternatieven er dan uit? Een recente studie in het blad Environmental Science & Technology zette liefst 530 alternatieve stoffen op een rij. Daarvan zijn sommige al beschikbaar. Zo verkoopt buitensportbedrijf Decathlon sprays die bijvoorbeeld ‘siloxanen’ bevatten.
‘Dat zijn eigenlijk een soort siliconen’, zegt Jacco van Haveren, die alternatieven voor pfas onderzoekt aan de Wageningen Universiteit. ‘Die worden deels gemaakt uit kleine stukjes zand en aardolieproducten.’ Een alternatief middel dat zowel Decathlon als veel schoenwinkels verkopen bestaat uit polymeren. Dat zijn kleine sliertjes van plastic-achtig materiaal; ook niet helemaal milieuvriendelijk, maar in elk geval geen pfas.
Bever heeft een huismerk-impregneermiddel dat volgens het etiket Europese richtlijnen volgt voor biologische afbreekbaarheid. Het middel komt van het bedrijf OrganoClick in Zweden, een laboratorium en chemische fabriek iets ten noorden van Stockholm. Op het etiket staat dat het werkzame middel geïnspireerd is op het ‘waterafstotende effect van het lotusblad’.
Dat klinkt natuurlijk, maar een ingrediëntenlijst ontbreekt, net als bij de middelen uit andere winkels. OrganoClick zegt desgevraagd dat het dat doet uit zelfbescherming: als de ingrediënten bekend zouden worden, zouden anderen hun formule kunnen kopiëren.
Toch is zulk bedrijfsgeheim onderzoekers een doorn in het oog. ‘Er zijn heel betrouwbare start-ups die inderdaad gewoon leveren wat ze zeggen’, zegt Van Haveren. ‘Maar je hebt er ook cowboys tussen zitten waarbij later blijkt dat het niet klopt. In dit geval weten we het gewoon niet.’
Bovendien hoeft transparantie volgens milieuchemicus Brandsma een bedrijf niet in de weg te zitten. Op de etiketten van cosmetica is het verplicht om de ingrediënten te vermelden en dat gaat in de praktijk prima, zegt hij. ‘Onderzoekers maken zich al jaren hard voor een soort chemisch paspoort. Wat zit erin en waar komt het vandaan?’ Het zou het werk voor de milieucontrole en -wetgeving een stuk makkelijker maken.
Bever zou ook best meer transparantie willen, zegt De Jong. ‘Maar wij kunnen niet zelf onze vierhonderd merken met een supply chain met pakweg vijftig leveranciers controleren. Zo groot zijn we niet. Wij vertrouwen dus op de keurmerken van anderen.’ Bevers huismerk-impregneerfabrikant OrganoClick laat bijvoorbeeld de middelen keuren door Oekotex, een laboratorium in Zwitserland.
Oekotex controleert ook of een bedrijf werkelijk pfas uit zijn producten houdt. Dat is een uitdaging omdat de forever chemicals nu eenmaal óveral in en op zitten. Geen enkel product is echt pfas-vrij. Daarom zegt bijvoorbeeld outdoorbedrijf Patagonia liever dat zijn outdoorkleding geen ‘intentioneel toegevoegde’ pfas bevat.
Wat er ook in de nieuwe waterafstotende middelen zit, allemaal hebben ze een nadeel: ze verliezen veel sneller hun waterafstotende werking dan pfas. Dat maakt nieuwe ademende regenkleding kwetsbaarder voor permanente lekkages, net als de jas die we zojuist hebben laten testen, legt De Jong uit.
Elke outdoorjas werkt met minstens twee lagen die er helemaal op gericht zijn om de binnenste laag droog te houden. Dat lukt met een speciaal binnenmembraan dat met gaatjes en poriën zweet en waterdamp laat ontsnappen naar buiten. Dat werkt alleen als de gaatjes van die binnenste laag zo droog mogelijk blijven. Vandaar dus de waterafstotende laag aan de buitenkant, zodat regendruppels niet zomaar binnendringen en de binnenlaag verknoeien.
Maar ook zoutkristallen uit zweet, huidvet en ander vuil kunnen de ademende werking saboteren of zelfs kapotmaken, zegt De Jong. ‘Mensen zijn gewend om kleding niet te vaak te wassen omdat ze bang zijn voor slijtage. Maar je moet jassen met ademende lagen juist vaak wassen en opnieuw impregneren om de membranen schoon te houden.’
Een Volkskrant-collega herkent dat probleem: die kocht een outdoorjas van 500 euro die na een jaar al lek was; te weinig gewassen, aldus de klantenservice. Volgens Bever en Patagonia moet een outdoorjas elke zeven tot tien wandeldagen de was in en in elk geval na elke vakantie. Vies de kast in is een doodzonde. ‘Dan is hij snel stuk.’
Maar meer wassen en impregneren betekent ook dat er meer resten van zulke middelen wegspoelen in de wasmachine of de natuur. Of iets dan ‘biologisch afbreekbaar’ is, maakt de kwestie volgens Van Haveren niet per se makkelijker, want iets dat snel afbreekt moet je dus ook vaker aanbrengen. ‘Voor was- en schoonmaakmiddelen geldt dat ze binnen zes tot acht weken voor 80 procent afgebroken moeten zijn. Terwijl een omgevallen boom jarenlang blijft liggen, die is niet biologisch afbreekbaar volgens de bioafbreekbaarheidsnormen.’ Zijn punt: als een middel bewezen veilig is, ook voor de natuur, is het misschien duurzamer dat het iets langer meegaat.
Is de chemische trukendoos überhaupt nodig om kleding waterafstotend te maken? Waterwerende kleding bestond op zichzelf wel voor de uitvinding van chemische fabrieken. Kijk naar de Yu’pik-bevolking op de Noordpool en je ziet dat ze afhankelijk waren van bijvoorbeeld zeehonddarmen en visolie, legt conservator Sara Serban uit op een blog van van het McCord Museum in Montréal.
Maar met natuurlijke vetten is er nog een ander probleem: zoveel is daarvan niet beschikbaar. Een typisch voorbeeld is bijenwas, dat in gele blokjes als impregneermiddel te koop is bij outdoorwinkels. ‘Maar er zijn niet genoeg bijen op de wereld om er voldoende van te kunnen maken’, zegt Van Haveren. Hetzelfde geldt voor vet uit schapenwol: de 1 miljard schapen op aarde produceren samen weliswaar tientallen miljoenen kilo’s wolvet, maar dat is te weinig om alle outdoorkleding mee te impregneren, want veel ervan gaat ook naar cosmetica. Vandaar dat fabrikanten in dit soort gevallen vrijwel altijd andere vetten bijmengen, zoals paraffine uit aardolie.
Puur vet smeren op een jas in plaats van pfas sprayen is sowieso niet ideaal. Ja, vet houdt net als pfas regendruppels tegen, maar het voorkomt ook dat iemands zweet naar buiten kan trekken. Je wordt dus alsnog nat, maar dan van het eigen zweet. Daarnaast zijn vetten ook niet vuilafstotend, waardoor de ademende membranen weer sneller gaan lekken, zegt Van Haveren. ‘Dat was het unieke van de middelen met pfas, die combineerden al die eigenschappen in één materiaal.’
De heilige graal is natuurlijk iets dat net als pfas zowel vuil- als waterafstotend is, maar milieuvriendelijk én op enorme schaal te produceren. Van Haveren werkt in Wageningen aan zo’n project. Hij wil ademende middelen combineren met vet uit schapenwol, lanoline, met een twist: de lanoline komt niet van schapen, maar van bacteriën die in grote vaten de stof produceren. ‘In principe kun je er dan eindeloos veel van maken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant