In tegenstelling tot seksueel misbruik van meisjes, wordt over seksueel misbruik van jongens nauwelijks gepraat. Stereotypen, schaamte en schuldgevoelens weerhouden veel slachtoffers ervan zich uit te spreken. Drie van hen vertellen waarover ze zo lang hebben gezwegen.
In tegenstelling tot seksueel misbruik van meisjes, wordt over seksueel misbruik van jongens nauwelijks gepraat. Stereotypen, schaamte en schuldgevoelens weerhouden veel slachtoffers ervan zich uit te spreken. Drie van hen vertellen waarover ze zo lang hebben gezwegen.
In een riante villa met uitzicht op de bossen van Doorn vertelt Ruben Uppelschoten (53), voormalig directielid bij Ziggo en inmiddels eigenaar van een succesvol consultancybureau, het verhaal dat zijn leven al 42 jaar beheerst. Het is een verhaal dat hij probeerde weg te drukken. Te vermijden. Te bagatelliseren. Als hij er al iets over losliet tegen anderen, deed hij alsof hij het had afgesloten. Maar nu moet het eruit.
Nu iedereen het over de meisjes heeft.
Hij is 10 jaar als het gebeurt. Na zijn voetbaltraining fietst hij naar huis en wordt hij geschept door een auto. De breuken in zijn boven- en onderbeen zijn zo complex dat de artsen een grote metalen pin door zijn bot boren. Hij belandt in een stellage in een ziekenhuisbed, met zijn ingegipste been schuin omhoog. Aan zijn been hangen kabels met zware gewichten om zijn bot recht te trekken. Hij kan zich nauwelijks bewegen.
Ruben draagt alleen een T-shirtje. Onder de dekens is hij bloot.
Na een paar dagen loopt verpleegkundige José – niet haar echte naam – de zaal binnen om hem te wassen. ‘Ze trok het gordijn rond mijn bed dicht en zei: ik zal je wel even laten zien hoe het moet’, vertelt Ruben. ‘Ze waste mijn geslachtsdeel. Het duurde lang – ik wist niet wat ik ervan moest denken.’
‘Ik was een speels, naïef jongetje. Het liefst speelde ik met Playmobil, las ik stripboeken of ging ik buiten voetballen.’
De volgende dag zegt de verpleegkundige dat hij zijn onderlichaam zelf moet wassen. Ze geeft hem water en zeep. ‘Toen ik klaar was, zei ze dat ik moest doorgaan. Langer, zei ze. Lánger. Ik keek opzij en zag hoe ze met haar hand in haar onderbroek zat. Na een tijdje vroeg ze: wil jij dat ook een keertje bij mij doen?’
Het verwart hem. Later wast de verpleegkundige hem weer. En gaandeweg gaat ze telkens een stapje verder. ‘Ze begon me af te trekken. En ik moest ook dingen bij haar doen. Soms gebeurde het meerdere keren op een dag. Zodra ze binnenkwam, wist ik al wat er ging komen.’ Vaak zegt hij nee tegen haar. Naderhand moet hij soms huilen. Dan troost ze en knuffelt ze hem – iets wat hij thuis niet gewend is. ‘Ze hield me net zo lang in haar armen tot ik me weer goed voelde.’
Ruben krijgt erecties als de verpleegkundige aan hem zit. En hij komt klaar. ‘Dan zei ze: zie je wel, jij wilt dit ook – klein vies mannetje dat je bent.’
‘Ik doe dit voor jou’, zegt ze vaak.
In zijn strak vormgegeven woonkeuken legt Ruben, getrouwd en vader van drie kinderen, een foto op tafel. Vanuit een ziekenhuisbed kijkt een donkerblond jongetje verlegen naar de camera. In zijn armen houdt hij drie knuffelberen, één ervan draagt een PSV-shirt. Op het gips van zijn been staan de namen van zijn vriendjes.
Begrijp hem vooral niet verkeerd, zegt Ruben, hij wil er ‘absoluut geen wedstrijd van maken’. Hij vindt het vreselijk dat meisjes en vrouwen zo vaak slachtoffer worden van seksueel geweld. En hij juicht het toe dat daarvoor steeds meer aandacht is. Dat er krantenpagina’s worden volgeschreven over het misbruiknetwerk van Jeffrey Epstein, de aantijgingen tegen Ali B en het fatale lot van de 17-jarige Lisa uit Abcoude. Hij is ook blij dat er politieke debatten worden gevoerd, protestmarsen worden georganiseerd en hashtags worden gelanceerd om de veiligheid van meisjes en vrouwen te verbeteren.
Maar, vraagt Ruben zich geregeld af: ‘Waarom gaat het zo weinig over seksueel misbruik van jongens?’
Het is een vraag die klinisch psycholoog Iva Bicanic, oprichter van het Centrum Seksueel Geweld, al langer bezighoudt. In december vorig jaar werd ze hoogleraar seksueel misbruik van kinderen aan het UMC Utrecht. Op de eerste dag na haar benoeming nam ze een besluit: ‘Nu ga ik iets doen voor de jongens en de mannen.’ Ze wil er een speerpunt van maken met haar onderzoeksgroep.
Misbruik van jongens, zegt ze, is een blinde vlek in onze maatschappij. ‘Het mantra, ook in de media, is dat misbruik iets is wat meisjes overkomt. Jongens? Die moeten we beter opvoeden, vinden we.’ Maar daarmee zien we iets heel belangrijks over het hoofd, stelt Bicanic. Want ook jongens worden op grote schaal slachtoffer van seksueel geweld.
Het vooraanstaande wetenschappelijk tijdschrift The Lancet publiceerde vorig jaar de resultaten van een wereldwijd onderzoek naar seksueel geweld onder minderjarigen. Daaruit blijkt dat naar schatting 15 procent van de mannen vóór hun 18de slachtoffer is geweest van aanranding of verkrachting. Dat percentage ligt dicht bij dat van vrouwen: 19 procent. In Nederland ligt het aandeel vrouwelijke slachtoffers overigens hoger dan het wereldgemiddelde.
In Nederland zegt 14 procent van de mannen en 30 procent van de vrouwen volgens The Lancet voor het 18de jaar slachtoffer te zijn geweest van aanranding of verkrachting. Vergeleken met de rest van de wereld (15 en 19 procent) valt het hoge aandeel misbruikte meisjes op. ‘Deze cijfers zijn heel gevoelig voor culturele opvattingen over seksueel geweld’, verklaart onderzoeker Hanneke de Graaf van Rutgers. ‘Mijn conclusie is: Nederlandse vrouwen herkennen seksueel geweld beter dan vrouwen in andere landen, terwijl Nederlandse mannen het net zo slecht herkennen als mannen elders. Bij kwalitatief onderzoek zien we best vaak dat mannen verklaren nooit iets seksueel grensoverschrijdends te hebben meegemaakt. ‘Want ik ben een jongen’, zeggen ze dan. Bij doorvragen blijkt vervolgens geregeld dat het anders lag.’
Net als bij meisjes komt het gevaar bij jongens vaak uit de directe omgeving: de misbruikpleger is bijna altijd een familielid of een bekende. ‘We willen het niet weten, maar statistisch gezien is de eigen slaapkamer gevaarlijker dan de straat’, zegt Bicanic.
In het Landelijk Psychotraumacentrum van het UMC Utrecht zag Bicanic aanvankelijk een bijna gelijke verdeling tussen jongens en meisjes die seksueel waren misbruikt: ‘Bij kleuters en kinderen in de basisschoolleeftijd was het fiftyfifty. Maar toen ik met oudere slachtoffers ging werken, verdwenen de jongens uit beeld. Dat betekent echter niet dat ze er niet wáren.’
‘Stel jezelf eens de vraag’, zegt Bicanic. ‘Heb je ooit met eigen ogen seksueel misbruik gezien?’
Het antwoord is waarschijnlijk nee, zegt ze.
‘Misbruik gebeurt achter gesloten deuren. We zien het niet, en daarom vormen we ons een beeld. Dat halen we uit films. Uit boeken. Maar die sluiten in veel gevallen niet aan op de realiteit. Ons overheersende beeld van verkrachting is dat een man een vrouw overmeestert. Dat mannen ook slachtoffer kunnen zijn, en dat misbruik vaak zónder geweld wordt gepleegd door daders die tegelijkertijd een liefdevolle band hebben met een kind, dat vinden we ingewikkeld.’
Nog meer dan vrouwen en meisjes kampen mannelijke misbruikslachtoffers met gevoelens van schaamte en schuld, zag Bicanic. Volgens haar komt dit deels door het maatschappelijke stereotype dat jongens en mannen ‘sterk en krachtig’ moeten zijn. ‘Daardoor zwijgen zij vaker en langer en zoeken ze veel minder vaak hulp voor de klachten die ze ontwikkelen, zoals seksuele problemen of depressie. Dit leidt ertoe dat ze vaker PTSS ontwikkelen na een verkrachting: bij mannen gebeurt dit in 65 procent van de gevallen en bij vrouwen in 46 procent.’
Ook vertonen jongens meer ‘externaliserend’ gedrag. ‘Ze hebben vaker de neiging om agressief te worden, strafbare dingen te doen, terwijl meisjes zich meer naar binnen keren. Die jongens komen terecht bij de politie of bij Bureau Halt, maar minder vaak bij de ggz. Vervolgens moeten ze cursussen volgen om hun impulsen te beheersen. Pas veel later blijkt dan dat daar ongezien seksueel misbruik onder zit. Iets waarvan zo’n jongen met zichzelf heeft afgesproken: ik ga nog liever dood dan dat ik dit ooit vertel.’
Het wordt daarom hoog tijd dat we het debat over seksueel geweld anders gaan voeren, vindt Bicanic. ‘Als we blijven vasthouden aan het narratief dat seksueel misbruik vooral meisjes en vrouwen treft, missen we een grote groep jongens en mannen die net zo goed erkenning en aandacht nodig heeft’, schreef ze vrijdag in een opiniestuk in de Volkskrant. ‘Zij zitten gevangen in hun schaamte als gevolg van een taboe dat wij als samenleving in stand houden. Daarom is het essentieel dat er een eerlijk en volledig beeld is van alle kinderen die misbruik meemaken.’
‘Want’, zo stelt ze, ‘wie we niet zien, kunnen we ook niet beschermen.’
Volgens Bicanic is het in berichtgeving over seksueel geweld belangrijk om te zeggen waar het op staat – ook als dit ongemak oproept bij het publiek. ‘Het hele probleem van misbruik is dat mensen vaak denken: het zal toch niet zó erg zijn? Of: moeten we dit écht allemaal weten? Maar als de maatschappij – en ook de journalistiek – eromheen draait, verhul je de ernst van deze problematiek. En daarmee versterk je de reflex bij zowel daders, slachtoffers als omstanders om misbruik te ontkennen, te ontwijken of af te zwakken. Dus ik vind dat we als volwassenen moeten leren om het aanhoren van deze heftige feiten te verdragen, hoe moeilijk dat ook is.’
De Volkskrant sprak drie mannen die na jaren van zwijgen besloten om hun verhaal naar buiten te brengen: Ruben, Davey en Rob. Ze deelden pijnlijke en soms expliciete details over het misbruik dat hun leven ontwrichtte. Hun beschrijvingen zijn indringend.
‘Het kost moeite om me uit te spreken’, zegt Ruben. ‘Ik heb mijn omgeving hier de afgelopen tijd op voorbereid en heb het de werknemers van mijn bedrijf verteld. In het verleden kreeg ik vaak ongelovige reacties. Mensen dachten dat dit niet bestond. Maar als niemand iets zegt, dan blijft dat zo. Ik ben lang verdrietig geweest over mijn jeugd. Dat zal niet verdwijnen. Maar ik kan wel iets proberen te betekenen voor andere jongens.’
Op een ochtend is Rubens moeder te vroeg voor het bezoekuur. Ze trekt het gordijn rond het bed opzij en ziet de verpleegkundige bezig met haar zoon. ‘Mijn moeder werd lijkbleek’, zegt Ruben. ‘Ze draaide zich om en liep weg.’
Hij schrikt, schaamt zich kapot. Een kwartier later is zijn moeder terug, alsof er niets is gebeurd. ‘Ze heeft er nooit meer iets over gezegd.’
Vanaf dat moment heeft de verpleegkundige vrij spel.
Haar collega’s hebben niets door, of doen alsóf ze niets doorhebben – Ruben weet het niet. In de bedden naast hem liggen meestal kinderen voor flapoor-operaties die snel naar huis mogen. Zijn contact met hen is vluchtig. Niemand vraagt naar wat daar elke dag achter dat gordijn gebeurt.
‘De verpleegkundige vertelde me dat andere kinderen op school seksuele voorlichting kregen en dat ik dat nu miste’, zegt Ruben. ‘Ze pakte mijn hand en leerde me hoe ik haar moest vingeren.’ Af en toe, als er niemand is, kruipt ze ’s nachts tegen hem aan. ‘Dan kleedde ze zich uit en trok ze mijn T-shirt uit. Ik lag daar in die stellage en kon niets.’
Ruben voelt zich eenzaam in het ziekenhuisbed. Soms laat de verpleegkundige hem lang in zijn ontlasting liggen. Of ze geeft hem ineens een klap, als hij haar tegenspreekt.
Na ruim negen weken mag hij voor het eerst uit bed en neemt José hem mee naar een doucheruimte. ‘Ze zette me op een krukje. Daarna kleedde ze zich uit, ging ze naakt op me zitten en dwong ze me haar te penetreren. Ik probeerde haar weg te duwen. Ik huilde en schreeuwde, maar ik weet niet of er geluid uit mijn mond kwam.’
Dat zijn moeder al die tijd niets doet, heeft een grote uitwerking op hem. ‘Als kind heb ik me hierna nooit meer veilig gevoeld. Toen ik volwassen was, en haar met het misbruik confronteerde, zei ze: ik wist het. Ze vertelde me dat zij in haar jeugd ook was misbruikt. Daarna weigerde ze er nog over te praten.’
Aan zijn keukentafel pakt Ruben een brief die hij afgelopen najaar aan de verpleegkundige schreef, maar nooit verstuurde – hij wil hem misschien ooit gebruiken voor een boek.
‘Lieve José’, staat er. ‘Je bent de eerste vrouw die ik volledig naakt heb gezien, waar ik overal aan heb mogen zitten met mijn handen en mijn mond, en waar ik voor het eerst intiem mee ben geweest. Je was een knappe vrouw, stijl blond haar tot aan je schouders, met glinsterende ogen en een blije en troostende glimlach. Je rook altijd fris, en je had een heel mooi lichaam. De woordkeuze is uiteraard volledig verkeerd, want jij was 26 jaar en ik 10.’
In de brief schrijft Ruben dat hij pas recentelijk besloot intensieve therapie te volgen voor zijn PTSS. Dat deed hij op aanraden van zijn vrouw, aan wie hij al vroeg vertelde over het misbruik.
‘Bij de behandeling streven ze ernaar dat ik de ervaringen anders ga verwoorden’, aldus de brief. ‘Dat ik ‘intiem ben geweest’ moet ik bijvoorbeeld verkrachten noemen. En als je eerlijk bent, weet jij ook dat dat het was.’
‘Mijn grootste probleem’, staat er, ‘is eigenlijk dat ik heel vaak actief meedeed. Zo moest ik van jou over je haren aaien als je me oraal verkrachtte. Je keek dan blij naar me met een grote glimlach. Of de keren dat ik jou moest likken over je vagina en dan uit mezelf in je billen kneep omdat je dat zo fijn vond. Zelfs onder de douche pakte ik je borsten vast op de manier die jij het lekkerst vond, zoals jij het me geleerd hebt. Volgens de experts heet dit overlevingsmechanisme ‘pleasen’. Ik denk dat dit klopt, ik hoop ook dat dit klopt. Want ik schaam me ervoor.’
Het duurde lang voordat Ruben voor het eerst hoorde dat dit soort gedrag normaal is. Dat veel meer slachtoffers op deze manier handelen. Dat het bovendien niet vreemd is dat hij hierna een in zichzelf gekeerd kind werd.
‘Toch ben ik niet boos op je’, schrijft hij aan de verpleegkundige. ‘Ik ken je ook van een andere kant. Als iemand die een grapje kon maken. Lekkere koekjes voor me meebracht. (...) Mij zelfs ’s nachts nog kon voorlezen als ik wakker lag en niet kon slapen.’
Voor zijn vrouw is het lastig dat hij nog altijd geen woede voelt, zegt Ruben. Zij ziet hoe hij al jaren worstelt. Hoe moeilijk hij het vindt om nog van zichzelf te houden.
De eerste keer dat hij vastliep, was op zijn 21ste, toen hij depressief werd en aanklopte bij de studentenpsycholoog van de universiteit. Hij weet nog goed hoe de man reageerde.
‘Zo’, zei de psycholoog lachend. ‘Jij was er vroeg bij.’
Daarna besloot hij alles heel diep te begraven. Om maar gewoon heel lang en hard te gaan werken, net zo lang tot hij niets meer voelde.
Toen hij het toch eens waagde over het misbruik te vertellen aan vrienden, reageerden sommigen ongemakkelijk. Iemand zei: ‘Een knappe verpleegster, dat is toch de droom van iedere man?’
Wegkijken, onderschatten, weglachen – volgens hoogleraar Bicanic is dat ook hoe de samenleving omgaat met seksueel misbruik van jongens. Mensen reageren volgens een onbewust patroon, zegt ze. Dat begint al bij de opvoeding. ‘Meisjes krijgen van kleins af aan waarschuwingen dat jongens over hun grenzen kunnen gaan. Maar jongens worden zelden voorbereid op de mogelijkheid dat ze misbruikt kunnen worden. Ga maar na: hoe vaak heb jij aan je zoons of mannelijke vrienden gevraagd of ze hier ervaring mee hebben?’
In de media ging het jarenlang voornamelijk over misbruik van jongens binnen de katholieke kerk. ‘Daardoor ontstond het beeld dat het vooral in die hoek plaatsvindt, bij een relatief kleine groep.’ De MeToo-beweging bracht daarin weinig verandering: de hashtag #MenToo kreeg nauwelijks aandacht en in Nederland werd journalist Jelle Brandt Corstius, die als een van de weinige mannen naar buiten trad met een misbruikrelaas, vervolgd (maar niet veroordeeld) wegens smaad.
Zelfs haar eigen collega’s, de hulpverleners, hebben te weinig oog voor jongens, zegt Bicanic. ‘In de jeugd-ggz kijken hulpverleners vaak naar de traumageschiedenis van de ouders. Ze vragen aan de moeder: heeft u zelf weleens misbruik meegemaakt? De vader wordt doorgaans overgeslagen. Tegen hulpverleners aan wie ik lesgeef, zeg ik altijd: stel deze vraag nou eens een week lang aan beide ouders. Dat leidt vervolgens tot allerlei onthullingen in de spreekkamer. Soms horen vrouwen het dan pas voor het eerst van hun man.’
Bicanic ziet zelden woede bij mannelijke slachtoffers over het feit dat de samenleving hen vergeet. ‘Ik zie vooral iets anders: schaamte, schaamte, schaamte.’
In de hoofden van veel mensen spookt volgens de hoogleraar een kwalijke mythe: echte mannen worden niet verkracht. Ze vertelt over de reacties op voormalig American footballspeler Terry Crews toen hij in 2018 in een emotionele toespraak vertelde dat hij slachtoffer was van aanranding. Crews zei zich nog nooit zo ‘ontmand’ te hebben gevoeld. Een politicus vroeg hem waarom hij ‘als grote, krachtige’ man de dader niet had weggeduwd. Rapper 50 Cent bespotte hem op Twitter vanwege zijn freeze-reactie.
‘Als samenleving weten we inmiddels heel goed dat vrouwen kunnen bevriezen bij seksueel geweld. Maar jongens en mannen kunnen op precies dezelfde manier reageren’, zegt Bicanic. Ook de genitale respons die automatisch kan optreden tijdens seksueel misbruik, is vergelijkbaar. ‘Zowel jongens als meisjes kunnen ongewild lichamelijk opgewonden raken, maar bij jongens is dat zo duidelijk zichtbaar dat ze daar achteraf vaak veel last van hebben. Ze vragen zich af: vond ik dit dan lekker?’
Het verklaart mede waarom ongeveer de helft van de misbruikte mannen later in vertwijfeling raakt over hun seksuele geaardheid, zegt de hoogleraar. Een deel wordt zelfs bang om zélf over de schreef te gaan.
Als de misbruiker een vrouw is – wat bij een derde van de Nederlandse mannelijke slachtoffers boven de 16 zo is – wordt de schaamte soms nog meer gevoed. Dan reageert de omgeving dikwijls lacherig. Of slaan ze het slachtoffer op de schouders omdat hij heeft ‘geboft’. Dit heet het lucky boy-fenomeen.
Zelfs in de voormalige Zedenwet werden sommige vormen van misbruik bij mannen minder serieus genomen. Als een man tegen zijn zin door een vrouw werd gedwongen haar te penetreren, werd dat onder deze wet vaak niet gezien als verkrachting, maar als aanranding. Pas in 2024 werd dit rechtgetrokken.
Bicanic: ‘Ik zie vaak dat mannen het misbruik kleiner maken. Ze maken zichzelf wijs dat het niet zo erg was. Sommigen worden extreem goed in het wegstoppen van hun herinneringen. Ik heb meegemaakt dat er online beeldmateriaal bestond van het misbruik van een puberjongen. Dat werd later tijdens een politieonderzoek aan hem getoond, maar hij ontkende in alle toonaarden: dat ben ik niet.’
In de zomer van 2020 doet comedian Davey Turnhout (nu 39) voor het eerst zijn pasgeboren zoontje in bad. Terwijl zijn vrouw op bed ligt bij te komen van haar bevalling, trekt hij voorzichtig het rompertje van het jongetje uit, voelt nog één keer aan de temperatuur van het water en laat de baby dan langzaam in het teiltje zakken.
Het is een moment waarvan veel jonge ouders met volle teugen genieten – een voor in het plakboek. Maar Davey heeft zijn zoontje nog maar net in het warme water gelegd, of hij bevriest. ‘O god’, denkt hij. ‘Als ik hem maar niet verkeerd aanraak.’ En: ‘Laat me alsjeblieft niks raars voelen of denken.’
Zo gaat het elke keer wanneer hij het blote lijfje van zijn baby vasthoudt; telkens verkrampt hij. Klootzak, denkt hij bij zichzelf. Dit heb jij me aangedaan.
Die ‘klootzak’ is de oppas uit zijn eigen jeugd. Een jongen van 15 uit de buurt. Davey was 6 toen hij door hem werd misbruikt.
Zijn herinneringen eraan zijn ‘superhelder’, vertelt de comedian nu in zijn woonkamer in het Brabantse Schaijk, waar een beagle op de bank ligt te slapen. ‘Mijn ouders gingen elke vrijdagavond naar dansles. Die avonden kwam de oppas. Altijd als ik in bed lag, en de cijfers op de wekkerradio naar 20:00 versprongen, hoorde ik voetstappen op de trap. Dan kwam de oppas de slaapkamer binnen en deed hij zijn broek naar beneden.’
Wat er vervolgens gebeurde, kwam destijds op Davey over als een spelletje. ‘Hij zei dan bijvoorbeeld: wedden dat je mijn piemel niet durft aan te raken. Of: wedden dat je hem niet in je mond durft te steken.’ En ik liet natuurlijk zien dat ik dat wél durfde’.
Een beetje vreemd vond Davey het wel. Maar hij vond het vooral heel erg spannend, dat zo’n grote jongen dit soort spelletjes met hem wilde doen. ‘Hij noemde het ‘ons geheimpje’. Dat maakte het alleen nog maar spannender.’
Volgens Davey ging dit zo’n drie maanden door. Daarna verdween de oppas uit zijn leven.
Zes jaar lang wijdde hij er geen enkele gedachte meer aan. Tot hij op zijn 12de op een dag naar de bibliotheek wandelde en vanuit het niets de grond onder zijn voeten voelde verdwijnen. ‘Ik weet nog steeds niet waarom, maar ineens moest ik weer aan de oppas denken. Shit, dacht ik: dat waren seksdingen.’
Die avond vertelde hij huilend aan zijn vader en moeder wat hem was overkomen. Maar zij wuifden zijn verhaal weg. ‘Ze zeiden: alle kinderen spelen weleens doktertje. Ze voelden er weinig voor om de ouders van die jongen op te bellen. Daarvoor was het allemaal te lang geleden, vonden ze. Ik moest het maar snel vergeten.’
Maar Davey vergat het niet, integendeel. Hij raakte volledig bevangen door het idee dat hij raar was, vies zelfs. ‘Ik had meegedaan aan die spelletjes, dus er moest wel iets mis met mij zijn.’
In de daaropvolgende maanden schoot er van alles door zijn hoofd. Misschien ben ik wel gay? Misschien heb ik aids? ‘Ik projecteerde alles dat voorbijkwam op mezelf. Als ik met mijn ouders televisie zat te kijken en het ging in een programma over een of andere seksuele afwijking, raakte ik meteen in paniek. ‘Dat zal ik ook wel hebben’, dacht ik dan. Tegenover mijn vader en moeder probeerde ik niets te laten merken, maar in mijn kop was het één grote chaos.’
Steeds vaker lag hij huilend op de bank. Op zijn 14de belandde hij met depressieve klachten bij de psycholoog. Ondertussen begon hij zelf ook negatief gedrag te vertonen. Op school ging hij andere kinderen pesten. En hij ging blowen, véél blowen. ‘Dat was de enige manier om mijn emoties te temperen.’ Hij zou er een stevige wietverslaving aan overhouden.
Toen hij in die tijd zijn eerste vriendinnetjes kreeg, merkte hij dat hij soms moeite had met seks. ‘Seksualiteit is altijd een beladen thema gebleven. Ik heb fases gehad waarin ik erdoor geobsedeerd was, maar ook fases waarin ik er niets van wilde weten. Daarop zijn meerdere relaties stukgelopen.’
Met enige schroom vertelt Davey waar hij na de geboorte van zijn eerste zoon – hij heeft er inmiddels twee – plotseling van wakker lag: de angst dat het misbruik hem zo heeft beschadigd dat hij zelf ook last zou krijgen van neigingen om zich aan een kind te vergrijpen. ‘Voor de duidelijkheid: dat soort gevoelens heb ik helemaal niet. Maar zelfs mijn vrouw vroeg me tijdens haar zwangerschap: jij bent niet zo, toch? Dat deed pijn.’
Onderzoek wijst uit dat naar schatting 1 op de 25 mannelijke misbruikslachtoffers zich later schuldig maakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Toch stond Davey vorig jaar een paar dagen ongemakkelijk op het schoolplein nadat hij online een video had gepost over zijn verleden. ‘Mensen weten over het algemeen heel weinig over seksueel misbruik bij jongens’, zegt hij. ‘Maar dat slachtoffers ook daders kunnen worden, dát weet iedereen dan weer wel.’
Traumatherapie, EMDR, cognitieve therapie, schematherapie, familieopstellingen, haptotherapie, hypnotherapie, body stress release, mentalization-based treatment, ayahuasca – ‘Ik heb zo ongeveer alles gedaan wat je op het gebied van verwerking kunt doen’, zegt Rob Poortvliet (56). ‘In de ogen van de buitenwereld ben ik ‘goed bezig’. Maar ik leef nog dagelijks met de gevolgen.’
Tussen zijn 7de en 9de werd hij meermaals misbruikt door zijn opa, vertelt Rob. Tijdens herfstvakanties logeerde hij samen met zijn oudere broer bij hem. Zijn opa speelde met zijn kleinkinderen, rende hen voor de grap achterna met scheerschuim op zijn gezicht. ‘Reteleuk vonden we dat.’
Als zijn broer met anderen buiten ging spelen, bleef Rob achter.
Vervolgens ontstond er vaak een vreemde sfeer. ‘Mijn opa en oma begonnen in hun slaapkamer ruzie te maken. Daarna vertrok mijn oma door een zijdeur en werd ik naar binnen geroepen.’
Het misbruik maakte hem tot een onzeker, teruggetrokken jongetje. Tot een goede prooi ook. Zoals voor die ene mannelijke verpleegkundige die hem op zijn 12de na een narcose wijsmaakte dat jongens na een acute blindedarmoperatie soms geen zaadlozing meer kunnen krijgen. En dat ze dit moesten testen. ‘Hij zei: zal ík je helpen, of wil je het zelf doen?’
‘Doe jij het maar’, antwoordde hij destijds argeloos.
Jarenlang voelde hij schaamte. Even is hij stil. ‘Omdat ik toch een erectie kreeg’, zegt hij.
Zelf dacht Rob niettemin dat hij er ongeschonden uit was gekomen, dat het hem niets had gedaan. Hij maakte carrière in de commercie en de consultancy, werkte dag en nacht, had geld als water, reed in dikke auto’s, woonde in mooie huizen. Op zijn gebruinde hoofd zagen anderen altijd die lach. ‘Zolang ik mooie spullen kon kopen en er goed uitzag, voelde ik me iets waard.’
Zo hield hij zichzelf staande. Tot het ineens niet meer ging. En hij niets meer kon. Uiteindelijk werd hij arbeidsongeschikt verklaard en verkocht hij zijn bedrijf.
Terwijl hij van therapie naar therapie struikelde, volgde hij een opleiding tot fotograaf.
Hij laat een fotoboek zien dat hij maakte. Daarvoor ging hij terug naar het huis van zijn inmiddels overleden opa en oma. Hij fotografeerde de slaapkamer waar het allemaal is gebeurd. De vitrage waardoor hij zijn grootouders zag ruziën. ‘Achteraf denk ik dat mijn oma het wist’, zegt hij. ‘Dat die ruzies pogingen waren om mijn opa te stoppen. Misschien trok ze me daarom zo vaak op schoot. Ik was haar lievelingetje – zo voelde het.’
Als afstudeerproject maakte hij een fotoserie met de titel Alles komt goed, waarvoor hij mensen met trauma portretteerde. Ja, zegt hij vanachter zijn espresso in zijn stijlvol ingerichte appartement in Amsterdam, die titel was bewust ironisch.
‘Als maatschappij gaan we slecht om met kwetsbaarheid. Zeker als het over mannen gaat. Er is een voorkeur voor ‘geslaagd’ herstel. Als iemand iets heftigs heeft meegemaakt, willen we het liefst zien dat die daar sterker uit is gekomen. Maar zo eenvoudig is het niet. En zo werkt het bij mij ook niet.’
Inmiddels weet hij zo veel van trauma dat hij lotgenoten intuïtief herkent. De mensen die hij voor Alles komt goed fotografeerde, haalde hij zo van straat.
Afgelopen jaar sprak hij voor het eerst een zaal vol therapeuten toe. ‘Zelfs zij waren onder de indruk van de enorme impact die het misbruik bijna vijftig jaar later nog op mijn leven heeft.’ Want het kostte hem veel. Zijn eigenwaarde. Zijn carrière. Zijn relaties. Vriendschappen met mannen die ‘nog een biertje?’ zeiden als hij vertelde dat het niet zo goed met hem ging. Hij zegt dat hij zich geregeld eenzaam voelt. Het lukt hem niet goed om anderen te vertrouwen, zowel zakelijk als privé.
‘Weet je wat het gekke is?’, zegt Rob plotseling. ‘Dat ik niet wil dat mensen mij als een slachtoffer zien. Ik haat dat woord – het klinkt zwak en zielig, alsof je medelijden met mij zou moeten hebben. Ik weet dat dat voor meer mannen geldt. Het is een belangrijke reden waarom de meeste mannen niet over misbruik praten.’
Zelfs als ze daar wel de moed voor vinden, blijkt de hulpverlening daar niet altijd op ingericht.
42 jaar na het misbruik door zijn verpleegkundige volgde Ruben een intensieve groepstherapie – als enige man, samen met zeven vrouwen. ‘Een onderdeel van de behandeling was exposure-therapie’, vertelt hij. ‘In een bos kregen we de opdracht om situaties op te zoeken waarin we ons onveilig voelden. Ineens kwamen die vrouwen allemaal bij mij staan. Want ja, ik was een man. Een potentiële dader.’
Ook Davey merkte dat sommige therapeuten wel erg snel over de schaamte en schuld heen stapten die hij voelde over het ‘meedoen’ met zijn oppas. ‘Voor hen was het zo vanzelfsprekend dat het misbruik niet aan mij lag, dat ze het nauwelijks benoemden. Maar ik denk dat het zeker voor mannen belangrijk is om daar lang bij stil te staan.’
In januari 2025 deed Davey iets wat hij als comedian tot dan toe nooit had aangedurfd, en wat hem misschien nog wel verder bracht dan therapie: hij maakte een voorstelling over zijn misbruik. Bij de première zat zo ongeveer iedereen die hij kende in het publiek. ‘Inderdaad, alle kinderen spelen weleens doktertje’, hoorden ze hem zeggen. ‘Maar niet met iemand die zelf oud genoeg is om dokter te kunnen zíjn.’
Bij zijn optredens gebeuren er bijzondere dingen, zegt hij. ‘Ineens heb ik huilende mensen in de zaal. Dat ben ik niet gewend. Naderhand staan ze in de rij om me te vertellen over hun eigen ervaringen. Ook mannen.’ Het raakt hem enorm, zegt Davey. Door al die reacties heeft hij steeds minder het idee dat hij de enige is, dat er iets aan hem mankeert. Een half jaar geleden is hij eindelijk gestopt met wiet.
Laatst kwam er in de foyer een ouder echtpaar naar hem toe, dat hem maar bleef overladen met complimenten. ���Toen die vrouw even de jassen ging halen, viel haar man me ineens om de hals. Met tranen in zijn ogen vertelde hij dat hij al zo lang rondliep met een misbruikverleden. Hij zei: ik verwacht wel dat mijn vrouw het weet, maar ik heb het haar nooit kunnen zeggen.’
‘Ik ben ervan overtuigd’, zegt Davey, ‘dat ze er op de terugweg in de auto voor het eerst in hun leven over hebben gepraat.’
De Volkskrant benaderde het ziekenhuis waar de verpleegkundige van Ruben werkzaam was; zij was ontraceerbaar via openbare bronnen. Het ziekenhuis laat weten de krant niet met haar in contact te kunnen brengen, en verder niet te willen reageren. Wel wil het ziekenhuis met Ruben in gesprek, een aanbod dat hij zegt te accepteren. De naam van José is om privacyredenen gefingeerd, haar echte voornaam is bekend bij de hoofdredactie. Rubens ouders zijn overleden. Zijn broer en een vriend bevestigen desgevraagd dat zij al in een vroeg stadium hoorden over zijn misbruikervaringen.
De oppas van Davey verklaart ‘één, misschien twee keer’ aan diens geslachtsdeel te hebben gezeten. Hij noemt zijn handelen nu ‘walgelijk’ en zegt het heel erg te vinden dat hij Davey ‘een trauma heeft gegeven’. Hij ontkent de overige beschuldigingen. De moeder van Davey zegt dat zij en haar man door hem op zijn 12de zijn ingelicht over het misbruik. Ze zegt spijt te hebben dat ze destijds niet doortastender heeft gehandeld.
De vader van Rob bevestigt dat zijn zoon hem acht jaar geleden vertelde over het misbruik door zijn opa en in het ziekenhuis. Het ziekenhuis is inmiddels gesloten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant