Beeldende kunst Het werk van Bruce Onobrakpeya (93) werd geregeld verguisd, nu hangt het prominent op een grote tentoonstelling over Nigeriaans modernisme in Tate Modern in Londen. „We hadden nooit gedacht dat op een dag alles met zo’n luid applaus zou worden onthaald.”
De Nigeriaanse kunstenaar Bruce Onobrakpeya (93) in zijn studio in Lagos.
‘De tijd is voorbij dat Afrikaanse kunst stond te verstoffen in museumdepots. Eindelijk krijgt onze kunst dezelfde frisse lucht als die van Picasso en Rembrandt.”
In zijn lange carrière heeft de Nigeriaanse kunstenaar Bruce Onobrakpeya de westerse belangstelling voor zijn werk zien pieken en zien dalen. De 93-jarige graficus, schilder en beeldhouwer signaleert nu een gelijkwaardiger benadering van de kunst van het Afrikaanse continent. „Voorheen werd Afrikaanse kunst als primitief gezien. Maar inmiddels beoordeelt de kunstwereld ons op onze eigen merites”, zegt Onobrakpeya in zijn woonhuis annex werkplaats annex tentoonstellingsruimte in Lagos.
De grote tentoonstelling in Tate Modern in Londen over het Nigeriaans modernisme, waar ook Onobrakpeya’s werk prominent hangt, is daarvan een voorbeeld. Het werk van meer dan vijftig Nigerianen uit het decennium voor en na de onafhankelijkheid in 1960 is er te zien. Onobrakpeya was een van de rebelse jonge kunstenaars die in die periode de Britse koloniale overheersing bekritiseerden en de eigen culturele identiteit vertaalden in kunst die zowel verwees naar oude tradities als naar een nieuwe toekomst. „Ik was in oktober vorig jaar in Londen op de opening. Prachtig om te zien. Toen we ons werk creëerden, hadden we nooit gedacht dat op een dag alles op deze manier verzameld zou zijn en met zo’n luid applaus zou worden onthaald”, zegt hij.
In Tate is ook werk te zien van van de wereldberoemde schilder en beeldhouwer Ben Enwonwu, wiens werk voor miljoenen wordt verkocht, de Ghanese kunstenaar El Anatsui, die een groot deel van zijn leven in Nigeria werkte en wiens enorme wandtapijt van aluminium flessendopppen in 2021 in het Stedelijk Museum Amsterdam te zien was, en textielkunstenares Nike Davies-Okundaye wier werk onder andere in het MoMa en het Smithsonian in de VS hangt. De tentoonstelling laat zien hoe er lijntjes lopen tussen al deze kunstenaars, en in Onobrakpeya komen veel daarvan samen.
Hij werd in 1932 geboren als de zoon van een houtsnijder in het dorp Agbarha-Otor in Delta State, een deelstaat in het zuiden van Nigeria die deel is van de olierijke Nigerdelta. Zijn vaders kunst en de tradities en verhalen van de etnische groep van zijn ouders, de Urhobo, zouden bepalend zijn voor zijn werk en leven. In 1957 ging Bruce Onobrakpeya kunst studeren aan het Zaria College, in het noorden van het land. „Drie jaar later kwam de onafhankelijkheid. En dat hing in de lucht. Mijn studiegenoten en ik spraken veel over de nieuwe natie die Nigeria moest worden. En hoe onze kunst een eigen identiteit moest hebben, in plaats van Europa en Amerika na te apen zoals toen in de mode was.” Het clubje kunstenaars dat elkaar zo vond, richtte de Zaria Arts Society op, ook bekend als de Zaria Rebels, een van de stromingen die is vertegenwoordigd in de tentoonstelling in het Tate.
De leden lieten zich inspireren door het verleden, vertelt Onobrakpeya: „Geschiedenis was mijn lievelingsvak op school. We keken om ons heen voor inspiratie.” De kunstenaar gebaart om zich heen. De ontvangstruimte staat volgepropt met kunst: etsen, gravures en schilderijen hangen aan de muren en achter hem rijzen met kleurrijke stof beklede pilaren met bronzen koppen bovenop. Die verwijzen naar de voorouderlijke West-Afrikaanse beelden, zoals de bronzen kunstwerken van het Benin-koninkrijk. Het type kunst dat de Britten in 1897 roofden uit het paleis van de Oba van Benin toen ze zijn rijk plunderden.
Onobrakpeya ging naar de basisschool in Benin City, de zetel van de koning. „Daar leerde ik over de geschiedenis van voor de kolonisatie en ontdekte ik hoezeer onze volkeren met elkaar verbonden zijn. De koloniale macht probeerde ons uit elkaar te spelen, maar onze mythes en vertellingen, zelfs de talen, leken op elkaar.” Ook raakte hij er gefascineerd door de bronswerkers van Benin City en hing hij vaak rond in het straatje bij het koninklijk paleis waar zij hun bronzen beelden en rijkversierde panelen goten.
Onobrakpeya loopt door zijn studio in Lagos.
Onobrakpeya benadrukt dat hij evenzeer is beïnvloed door het Westen. Het was een Nederlandse kunstenaar die hem op het pad bracht van de gravures waarmee hij bekend zou worden. Begin jaren zestig van de vorige eeuw kwam Ru van Rossem een aantal keer naar Nigeria om workshops te geven. Deze graficus was destijds docent aan de kunstopleiding in Tilburg en een internationaal bekroond kunstenaar.
De eerste workshops van Van Rossem waren in het zuidelijke Ibadan, waar Nigeria’s oudste universiteit staat. Dat was ook de bakermat van de Mbari Arts Club, een andere postkoloniale kunststroming die in het Tate aan bod komt. In 1964 bezocht Van Rossem Osogbo, een stad op honderd kilometer ten westen van Ibadan en op dat moment een bruisend cultureel centrum van avant-gardekunst in de traditie van de Yoruba, de grootste bevolkingsgroep in de regio. Dit is de derde kunststroming die de Tate-expositie belicht.
In Osogbo maakte Onobrakpeya kennis met Van Rossem. „Van hem heb ik zoveel geleerd.Zo’n inspirerend graficus. Ru van Rossem liet ons kennismaken met nieuwe materialen en gaf ons de adressen in Nederland waar we ze konden vinden.” Die contacten met Nederland zouden de daaropvolgende decennia belangrijk voor hem blijven, vervolgt hij: „Er waren in die tijd veel Nederlanders in Lagos voor de bouw van het vliegveld en de haven. Zij verzamelden mijn kunst, maar brachten ook materiaal dat ik nodig had mee.”
Hij schuifelt vanuit de ontvangstruimte het erf op waar in de schaduw van een boom twee jongemannen met metalen pennen een reliëf in een dunne koperplaat krassen. Het is het beginstadium van de voor Onobrakpeya typische gravures waarbij de reliëfmotieven op metaalplaat deels worden opgevuld met kunsthars in sprekende kleuren.
Deze techniek was het gevolg van een ongelukje met zoutzuur, vertelt hij grinnikend. „Baptism at the acid bath, noem ik het. Ik had het verkeerde zuur gebruikt op een zinkplaatgravure en dacht al dat alles verpest was. Maar toen ik het met lijm probeerde te repareren, besefte ik dat het er goed uitzag.” Hij doopte de nieuwe techniek ‘plastografie’ en werd er een meester in. „Het houdt het midden tussen schilderijen en sculpturen”, legt hij uit.
Het werk van Onobrakpeya in Tate is ook met deze techniek gemaakt. Een triptiek in aardse kleuren verbeeldt het laatste avondmaal, maar dan in een Nigeriaanse beeldtaal, zegt Onobrakpeya: „Ik vertel het verhaal van Christus met beelden en symbolen die Nigerianen herkennen, zodat ze er zich thuis in kunnen voelen.”
Rond die driedelige plastografie in Tate hangen voorstudies van de veertien staties van de kruisweg die Onobrakpeya in opdracht van de katholieke kerk schilderde op de muren van de St Pauluskerk in Ebute Metta, een wijk op het vasteland van Lagos. Geen Romeinse soldaten op deze schilderingen, maar Urhobo jagers, en sommige vrouwenfiguren doen denken aan mami wata, de watergeest uit West-Afrikaanse mythes.
De kunstwereld was enthousiast over de draai die de kunstenaar gaf aan de Bijbelse taferelen, maar de parochianen van de Pauluskerk waren er minder over te spreken, herinnert Onobrakpeya zich. „Ze vonden het afgoderij.” Een minder ruimdenkende pastoor liet de monumentale staties onder invloed van de lokale kritiek overschilderen. Het toont hoezeer de kolonisatie Nigerianen heeft vervreemd van hun oorspronkelijke cultuur, zegt de schilder: „De elite in Nigeria heeft zich afgekeerd van de traditie en de eigen cultuur. Alles wat eraan doet denken, maskers, beelden, zien zij als des duivels.”
Maar hij ziet daarin verandering komen. Hij wandelt verder over zijn erf waar beeldhouwwerken van auto-onderdelen drie meter de lucht in rijzen – de grootste tweedehandsmarkt voor auto-onderdelen ligt in dezelfde wijk. Hij stopt bij een muurtje met een schildering waarvoor een gehoornde koeienschedel hangt. Tegen de muur leunen stokken met maskers bovenop. Het tafereel heeft iets weg van een traditioneel altaar.
Oudere Nigerianen lopen zo’n installatie vaak rillend voorbij, maar jongere bezoekers niet meer, zegt de kunstenaar, zijn ogen twinkelend achter zijn dikke brilglazen: „Tegenwoordig slaan kunststudenten geen kruisje meer als ze mijn installaties zien omdat ze bang zijn dat het blasfemisch is en afgoderij. De nieuwe generatie kreeg kunstgeschiedenis op school. Die zag onze kunst in musea in het buitenland hangen. Jonge mensen begrijpen dat kunst een combinatie is van beelden en ideeën van overal, en dat de Afrikaanse traditie en moderniteit daarin een plaats verdienen.”
Nigerian Modernism is nog tot 10 mei te zien in Tate Modern in Londen.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden