Home

Harry Potter, de Jongen Die Bleef Leven, maakt zijn naam irritant goed waar. Hoe komen we van hem af?

Niets dat het culturele kader van millenials zó heeft gekoloniseerd als Harry Potter. Maar met het eindeloze uitmelken van de toverboy groeit bij Lotte Krakers de behoefte om weer iets werkelijk nieuws mee te maken. Kan dat nog in deze tijd van culturele stagnatie?

is redacteur van Zondag en televisierecensent van de Volkskrant.

Ik ben er dus zo een. Opeens steekt het me. Een glasscherf zelfhaat. We zitten aan de lunch, en een van mijn vrienden heeft ontdekt dat ik in een ver verleden bij een studentenvereniging heb gezeten.

Ik schiet in de verdediging:

‘Geen échte studentenvereniging’, breng ik er tegenin, ik zoek naar woorden voor lief, voor onschuldig, voor alles wat niet het corps is.

Ik zeg: ‘Het was eerder een soort… Huffelpuf.’

Dat. Ik ben een vrouw van 30 jaar oud en blijkbaar worden mijn referentiekaders in een moment van stress nog steeds bepaald (en beperkt) door Harry Potter, de zevendelige fantasyreeks van de Engelse J.K. Rowling, opgetekend tussen 1997 en 2007. Wereldwijd werden er meer dan 600 miljoen exemplaren van de boeken verkocht, in zo’n 85 talen. Sinds maart is de spin-off Harry Potter en het vervloekte kind ook in Nederland op het toneel te zien en deze maand verscheen de trailer van de nieuwe tv-bewerking van de reeks, vanaf kerst via HBO Max te streamen.

De Jongen Die Bleef Leven maakt zijn naam irritant goed waar.

Harry houdt niet op. En ik met hem, tot mijn ergernis. Een nepotistische lul is ‘typisch een Malfidus’, een hautain, samenzweerderig type is direct een Zwadderaar. Zodra iets klassiek Brits aandoet, denk aan een kloostergang met arcades, een mahoniehouten bibliotheek, zeg ik dat het me doet denken aan toverschool Zweinstein.

Het is futloos, apathisch: ik geloof niet dat het meisje dat op haar 11de een lyrische boekbespreking hield over Harry Potter en de halfbloedprins dít voor zichzelf had gewild, dat haar lees- en culturele leven zo getekend zou worden door deze ene reeks. Dat dit haar oertekst zou worden.

Culturele kader

De enige troost is dat dit voor een hele generatie lijkt te gelden. Tientallen, zo niet honderden miljoenen millennials zullen heus meer gelezen hebben dan die zeven boeken, meer gezien hebben dan die acht verfilmingen, maar niets heeft hun culturele kader zo gekoloniseerd als deze toverwereld.

Negenentwintig jaar geleden wees Harry met zijn toverstok en schreef ‘Petrificus Totalus’, en sindsdien zijn we verstijfd, vastgevroren in een wereld die al lang niet meer zo magisch aandoet, maar dof. Door Rowlings eigen toedoen, maar ook door het onze. We hebben ons er niet tegen verzet. Helemaal verstijfd is een slachtoffer van Petrificus Totalus trouwens niet. Hij kan nog ademen. En toekijken. Dat wel.

De betovering is nog altijd niet verbroken: we verkeren nog steeds onder een totale versuffing die ons laat staren naar die verdomde tovenaarsleerling en zijn strijd tegen het neusloze, fascistische kwaad. De trailer voor de nieuwe Harry Potter-bewerking van HBO Max? Toch even kijken. De memes en AI-meuk die de trailer losmaakt: moeilijk te negeren.

Op Facebook staat het bericht dat Daniel Radcliffe zijn ronde montuur heeft overhandigd aan zijn opvolger, Harry Potter-vertolker Dominic McLaughlin. Het bericht blijkt nep.

Meer nieuws! Tom Felton, de acteur die Draco speelde in de originele verfilming, doet nu mee in de Amerikaanse toneelbewerking van Harry Potter and the Cursed Child. Er zijn beelden van. Zodra Felton op het toneel verschijnt, ontploft de zaal in gejuich.

Kreeg ik kippenvel? Zeg ik niet.

Een rabbit hole: op Facebook – wat doe ik daar nog? – gaat fanfiction rond over het sterfbed van het personage Molly Wemel, die haar zoon Fred nooit vergeten blijkt te zijn. Tussen kerst en oud en nieuw wijdt de literaire podcast Boeken FM zeven afleveringen aan Harry Potter, voor elk boek een. Ik luister ze allemaal, natuurlijk doe ik dat.

Het gaat maar door en door, een loop. Ik wil het niet. Ik wil iets nieuws, iets werkelijk nieuws op een symbolisch niveau, iets dat me beweegt, me raakt, dat die magie écht terugbrengt. Cultuur kan dat gevoel bewerkstelligen door te reflecteren op de wereld, en inherent daaraan altijd te veranderen, mee te bewegen, tegen trends in te gaan. Kortom: te vernieuwen.

Hoe kan het toch dat nu cultuur meer omvat dan ooit – een eindeloze stroom aan woorden, ideeën, games, liedjes en video’s – alles zo nikserig aanvoelt, warm zoals een magnetronmaaltijd dat is?

De cultuurindustrie beschikt over een hele bups aan technieken en marketingstrategieën om steeds iets ‘nieuws’ over Harry & Zijn Wereld te creëren zonder ooit echt iets fris te hoeven bieden: een seriebewerking, een computergame, een nieuwe zijtak van de franchise, het inmiddels afgeblazen Fantastic Beasts and Where To Find Them.

Waar het geld terechtkomt, daar maakt J.K. Rowling geen geheim van: de auteur zet haar vermogen in om de rechten van trans mensen in te perken, via lobby en rechtszaken. Een terf, dat is ze: een trans-exclusionary radical feminist, iemand die gelooft dat vrouwenrechten alleen voorbehouden zijn aan biologische vrouwen, en dat trans mensen een gevaar zouden vormen voor het feminisme. De Harry, Ron en Hermelien uit de eerste verfilming hebben zich inmiddels van haar uitingen gedistantieerd.

De Nederlandse booktokker Noah de Campos Neto ging eind maart viral met een filmpje waarin hij betoogde dat er geen enkele ethische manier bestaat om Harry Potter tot je te nemen: ‘Het is niet te laat hè, om gewoon te stoppen met die vrouw. That’s the least you fucking owe to trans people.’

We zouden beter moeten weten. En toch.

Er schijnt geen tegenspreuk te zijn tegen de Vloek van de Totale Verstijving. Het is een kwestie van wachten tot ie is uitgewerkt.

‘Get ready with me’

Wat staat er tegenover een levende, nieuwe, frisse cultuur? Monocultuur.
Influencer Famke Louise, goed voor 847 duizend volgers op Instagram, plaatste daar een paar weken geleden een reeks filmpjes waarin ze op een voor haar doen ongewoon serieuze toon uitlegde waarom het haar wél was gelukt, succesvol zijn.

Dat ligt beslist niet aan talent, zag ze in, ‘ook niet aan geluk, of connecties’. Het zat ’m in aandacht, hoe die te creëren en te verkopen. Hoe je dat doet? Consistent zijn, almaar blijven posten, ongeacht de kwaliteit.

‘Ik verdien meer met een Instagrampost dan de meeste mensen met een jaar werken’, zegt ze. ‘Dit is niet flexen, dit is gewoon hoe de wereld werkt.’
Dat klinkt vaal en inhoudsloos, en dat is het ook. ‘Creators’ mikken niet op originaliteit – waarom zou je, als zo’n investering zich op de langere termijn niet meer uitbetaalt, zoals socioloog Pierre Bourdieu ons ooit beloofde?

Open Instagram en zie hoe iedere influencer pakweg hetzelfde doet: er wordt chocolade in een Pringles-bus gegoten om een virale snack na te maken. Een ‘get ready with me’, gevolgd door iets met een point of view op een remix van Tame Impala.

Het is niet de kwaliteit die ertoe doet, het is de kwantiteit, het geprikkeld houden van je volgers met nét genoeg stimulans. Deze ontwikkeling is niet alleen voorbehouden aan sociale media, zegt de Amerikaanse cultuursocioloog W. David Marx (1978). In zijn boek Blank Space – A Cultural History of the Twenty-First Century (2025) betoogt hij dat we sinds de pandemie in een periode van culturele stagnatie leven. We begeven ons, wat populaire cultuur betreft, in jaren van prequels, sequels, eindeloze herhaling en verveling.

Misschien staan we niet, zoals Francis Fukuyama in de jaren negentig beweerde, aan het eind van de geschiedenis, maar aan het eind van het ‘verhaal’, het eind van culturele vernieuwing. En dat terwijl er, paradoxaal genoeg, meer geproduceerd wordt dan ooit.

Echte, radicale culturele vernieuwing is schaars geworden, betoogt David Marx. Hij haalt Jason Fargo aan, cultuurcriticus bij The New York Times, die in 2023 beweerde dat cultuur tot stilstand is gekomen. ‘We zijn nu bijna op een kwart van een periode die waarschijnlijk de geschiedenis in zal gaan als het minst innovatieve, minst transformatieve en minst baanbrekende tijdperk sinds de uitvinding van de drukpers.’

We begeven ons in een blank space, aldus David Marx, een lege ruimte (naar de hit van Taylor Swift) die voorheen gevuld was met creativiteit en ambitie.

Iedereen mag meedoen

Hoe zijn we op dit punt van culturele uitputting beland? David Marx stelt dat het postmodernistische ‘anything goes’, de basis van het omnivore culturele dieet dat we tegenwoordig tot ons nemen, ervoor heeft gezorgd dat we in de jaren nul van deze eeuw culturele hiërarchieën zijn gaan ontkennen: de ene kunstuiting zou per definitie niet minder waard zijn dan de ander. Een opera staat niet boven een soap, een fantasyreeks geldt als even belangrijk als een literaire roman. Paris Hilton werd geen celebrity omdat ze een bijzonder talent had, maar omdat ze nu eenmaal vastbesloten was, een doorzetter.

Dat alles en iedereen mag meedoen, ongeacht culturele waarde of input, lijkt ruimdenkend, maar David Marx ziet dit poptimisme als de reden waarom het bereiken van aanzien niet meer het hoogst haalbare doel is voor een kunstenaar, maar aandacht. En of die nou positief of negatief is, is om het even.

The Devil Wears Prada 2, vrijwel de volledige originele cast speelt mee. De Sex and the City-reboot. De herverfilming van Dune. De jubileumspecial die werd uitgezonden naar aanleiding van twintig jaar Hannah Montana, ‘een liefdesbrief aan de fans, vol oprechte nostalgie’. Alle liveactionremakes van de Disney-films. De oorspronkelijke bezetting van meidengroep K3, die omwille van het ‘herbeleven van de magie’ zeventien keer in Nederland optreedt. Nog meer Star Wars, Toy Story en Spider-Man.
En dus: al bijna dertig jaar lang eindeloos veel Harry Potter.

De beste kunst is high risk, high reward. Mensen hebben cultuur nodig voor stimulatie, niet alleen voor comfort. ‘Zelfs de meest passieve consument, die een zelfverklaarde hekel heeft aan hoge cultuur en niet actief op zoek gaat naar experimenteler werk, zal uiteindelijk verveeld raken door alle herhaling’, schrijft David Marx.

Uit verveling zouden de beste ideeën ontstaan. Maar waarom lijkt dat idee voor populaire cultuur maar niet op te gaan? Of is verveling verlamming geworden?

J.K. Rowling

Ik ben 11 jaar oud als ik voor de klas sta en het heldenverhaal van J.K. Rowling, alleenstaande moeder die uitgroeide tot succesauteur, woordelijk opdreun. ‘Uit je hoofd’, heet dat.

Groep zeven is de eerste klas waarbij het groene krijtbord heeft plaatsgemaakt voor een digibord, na vieren hoeft er niemand meer te worden aangewezen om met een druipende spons de schooldag weg te vegen. Ik heb foto’s van The Elephant House, de pub in Edinburgh waar Rowling Harry Potter schreef, aan mijn powerpointpresentatie toegevoegd.

Wat een vrouw, wat een verhaal. Ze heeft échte armoede gekend, vertel ik aan mijn klasgenoten. Rowling was ‘zo arm als maar kan in het hedendaagse Groot-Brittannië, daklozen daargelaten’, en toch heeft ze een groot deel van haar vermogen aan goede doelen gedoneerd – dan nog wel.

Ze houdt vol, ze gelooft in de kracht van haar teksten, ook al ontving ze afwijzing na afwijzing. Look at her now!

In een essay in The New York Times betoogt de Britse journalist Louise Perry hoe het verhaal van Rowling en van haar Potter samenvielen met de hoogtijdagen van het liberalisme, met geloof in zelfredzaamheid en zelfontwikkeling. ‘Ze vraagt van de lezer te geloven dat normale mensen – kinderen – in staat zijn het kwaad te verslaan.’

Een verwaarloosde wees blijkt in een alternatieve wereld een volksheld te zijn, een depressieve vrouw klimt uit het dal door middel van haar kunst. Hoopvol, toch? Er bestond een tijd waarin die verhalen nog geloofwaardig waren, inspirerend zelfs, zegt Perry. Dat Harry Potter nu zijn aura lijkt te zijn verloren, is omdat de liberale idealen van toen – het goede zal altijd overwinnen – niet waar zijn gebleken.

En misschien werkt die onttovering ook wel op een ander, artistiek niveau door. Wat zou ik nog graag geloven in het idee dat originaliteit en eigenheid zich uiteindelijk uitbetalen – deprimerend, dat zelfs Harry Potter, ooit zo uniek, nu tot grijze drab is vermalen.

Ik stap na een lange werkdag in bed, kies voor het tweede audioboek en laat Jan Meng, de vaste Nederlandse voorlezer van de Harry Potter-reeks, me met zijn onderwijzersstem via een van Perkamentus’ speeches in slaap sussen.

Meng is er als ik even geen buitenwereld kan verdragen – brak, overprikkeld, uitgeput of anderszins levenloos. De valsbeschuldigde Hagrid is teruggekeerd uit Azkaban, Griffoendor wint het afdelingstoernooi. Het goede zegeviert. Is dat waarom we er zo graag naar teruggrijpen? Als een geruststelling uit vervlogen, liberale tijden, is dat de aantrekkingskracht van de reeks?

Maar vreugde brengt het me niet meer, eerder afstomping. In de 17de eeuw werd nostalgie nog als een pathologische, mogelijk dodelijke ziekte beschouwd – zoals Perkamentus zei: ‘It does not do to dwell on dreams and forget to live’. Wie leed aan nostalgie, ging door voor zwak en mentaal instabiel.

Nu staat nostalgie gelijk aan comfort, is herkenbaarheid een van de voornaamste criteria bij het consumeren van media. Dat is makkelijk cashen, merkt David Marx op: de neoliberale cultuurindustrie zou die drang naar vroeger monetariseren. In een artikel op Theaterkrant.nl lees ik dat Rowling, als rechthebbende en medeauteur, in 2023 al zo’n ‘8,25 miljoen pond (9,4 miljoen euro)’ heeft verdiend aan de theaterproductie Harry Potter and the Cursed Child, destijds alleen nog in Engeland en Amerika te zien.

David Marx zag hoe culturele innovatie in de afgelopen kwart eeuw eerst stilzwijgend genegeerd werd, om vervolgens, met een Famke Louise-eske plompheid, als artistieke voorwaarde gewoon te worden afgewezen.

En dat, meent David Marx, is het begin van het verval.

Die heerlijke opwinding

Ik mag gaan zien hoe het uitpakt, in het AFAS Circustheater Scheveningen, waar Harry Potter en het Vervloekte Kind speelt. Kan het dan toch, iets laten groeien uit dorre grond?

Voorafgaand, in de McDonald’s – als we dan toch gaan zondigen – zie ik een vader met zijn dochter, haar norse blik verraadt een vroege puberteit. Haar tovenaarskostuum is van een zware, fluweelachtige stof, op haar rode kraag heeft ze een pluche sneeuwuil gespeld. Het diertje zit niet zo stabiel, kukelt soms ineens naar voren, haar vaders hand schiet dan de tafel over, frietzakje-uil-frietzakje-uil.

Ze staat op, met piepende stoelpoten, bromt een toch wat gespannen ‘anders komen we te laat’.

O, die heerlijke opwinding iets te gaan zien waar je je écht op hebt verheugd, het idee ter plekke te vinden wat al die tijd alleen in je hoofd heeft bestaan. Om daar in die theaterzaal jouw mensen te ontmoeten. Het moet haar eerste keer zijn, háár moment. En om dat dan te delen met een vader die er, natuurlijk, helemaal niks van heeft begrepen, die met zijn vette vingers en goede bedoelingen je kostuum bepotelt.

Het is moeilijk haar niet ontzettend te benijden.

De momenten voor de voorstelling hebben iets van een sinterklaasintocht: al die uitgedoste, gespannen gelovigen, en ik als afvallige daartussen. In de foyer van het theater ben ik de enige Dreuzel, zo in mijn gewonemensenkleren. Er is een giftshop uit de grond gestampt, je kunt op de foto met een trolley die uit de muur tussen perrons 9 en 10 steekt.

Een vriendelijke persvoorlichter vertrouwt me toe dat ze zich flink moest inlezen toen ze hoorde dat haar productiegroep het toneelstuk had aangekocht; ze was niet zo’n fan, op voorhand, nu zit ze er helemaal in. Er zijn vanavond gasten aanwezig uit Londen, die naar iedere wereldwijde première van het toneelstuk gaan: in hun woonplaats, Tokio, New York, en nu Scheveningen.

Ach, als zij daar nu plezier uit halen: good for them, is onze conclusie. Het is precies het soort nihilistische goedpraterij waartegen David Marx zich keert. Veroordelen, die snelle hap, lijkt hij te willen zeggen. Zijn boek heeft in die zin ook iets superieurs, aan het woord is een VPRO-flowerboy. Verzet is mogelijk door bewuster te consumeren, niet door voor cultuurgemak te kiezen. Een Cinevillepas aan te schaffen en die daadwerkelijk te gebruiken.

Het toneelstuk is negentien jaar na het einde van de boekenreeks gesitueerd en gaat over de generatie tovenaars na Harry Potter en co. Albus, de zoon van Harry, worstelt net als Scorpius, het kind van Draco Malfidus, met zijn familiegeschiedenis. Hoe verhoud je je in godsnaam tot de erfenis van zulke omstreden ouders – de één een verzetsheld, de ander een soort Waffen-SS’er. De jonge Zwadderaars sluiten een beladen, maar oprechte vriendschap.

In een poging zijn arrogante vader, inmiddels flink in de midlife, een hak te zetten, besluit Albus samen met zijn vriend te gaan rommelen in die heroïsche Potter-erfenis.

‘Iedereen heeft het altijd maar over zijn heldendaden, maar hij heeft ook fouten gemaakt. Grote fouten, zelfs. En nu wil ik een van die fouten rechtzetten. Ik wil dat wij Carlo Kannewasser redden’, zegt hij.

Het vermoeiende aan de toverwereld is dat magie in principe alles kan ondermijnen zonder dat het verhaal inboet aan geloofwaardigheid. Dat bestaat immers überhaupt niet in fantasy. Met een ‘tijdverdrijver’, een soort zakhorloge waarmee de tijd kan worden teruggedraaid, zijn er zo weer tig andere zijpaden te bedenken. In deze voorstelling gebeurt dat door te suggereren dat antagonist Voldemort een kind zou hebben, zijn zoveelste poging tot een staatsgreep.

Jammerende Jenny, professor Sneep, Ginny Wemel, Dorothea Omber. De personages die we zo goed kennen zijn weer terug, en hoe! Nou, precies zoals voorheen. Harry Potter en het Vervloekte Kind is meer een herkenbare vibe dan een op zichzelf staande vertelling; ik vrees dat die kritiek inmiddels voor een aanbeveling moet doorgaan. De voorstelling is precies wat het belooft, maar dat is dus precies het probleem.

Rommelen in het verleden is een slecht idee, leert Harry Potter en het Vervloekte Kind ons. De mogelijkheid om vol overtuiging, in mantel en met nep-uil, na een voorstelling ‘pap, dit is toch het allermooiste dat we ooit hebben gezien?’ uit te roepen, bestaat feitelijk maar één keer, hoe graag je dat gevoel van verrukking ook zou willen herbeleven, en hoe sterk de cultuurindustrie je ook heeft wijsgemaakt dat dat een mogelijkheid is.

Een tragisch, maar ook bevrijdend besef. Ik zou bijna willen zeggen dat het van een Perkamentus-achtige wijsheid getuigt, maar zal het ditmaal laten.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next