Conservatisme Als progressief-liberaal had Marijn Kruk zijn overtuigingen lang min of meer als vanzelfsprekend beschouwd. Nu nodigt het conservatieve project van Orbán in Hongarije, dat in zwaar weer verkeert, hem uit tot herbezinning.
‘We zijn goed op weg met onze contrarevolutie”, appte Eric Hendriks me een jaar geleden vanuit Boedapest, toen nog opgewekt. „Maar we moeten niet ‘illiberaal’ zijn”, voegde hij eraan toe. Dat klonk te negatief. ‘Romantisch conservatisme’ was een betere benaming. Hendriks, als socioloog gepromoveerd aan de universiteit van Mannheim, is verbonden aan het Danube Institute. Dit is de parel in de kroon van het conservatieve ecosysteem dat Viktor Orbán de afgelopen jaren in Boedapest optuigde.
Marijn Kruk is historicus en journalist. Hij schreef het boek Opstand. De populistische revolte en de strijd om de ziel van het Westen.
Dat ecosysteem was geen bijzaak, maar een wezenlijk onderdeel van Orbáns project. Om een idee te geven: het Mathias Corvinus Collegium, dat internationale conferenties organiseert rond thema’s als ‘genderideologie’ en migratie – en hoe die het Westen zouden ondermijnen – kreeg in 2020 zo’n anderhalf miljard euro van de Hongaarse overheid. Boedapest groeide zo uit tot een magneet voor rechts-conservatieve denkers, politici en fellow travellers uit Europa en de Verenigde Staten.
Voor een boek over de opkomst van radicaal rechts in Europa was ik de afgelopen jaren regelmatig in de Hongaarse hoofdstad. Ik sprak er met Hendriks en andere buitenlandse gasten, maar ook met adviseurs en ministers van Orbán. Ik leerde er veel, over Orbáns ‘illiberale staat’, maar ook over mezelf. Als progressief-liberaal had ik mijn overtuigingen lange tijd min of meer als vanzelfsprekend beschouwd. In Orbáns Boedapest golden ze juist als bron van verval. Dat was confronterend en zette me aan het denken.
Vaak is beschreven hoe Orbán de Hongaarse rechtsstaat ondermijnde, de media knechtte, de oppositie afkneep en een systeem optuigde waarin publieke middelen op grote schaal weglekten. Hongarije gold als afschrikwekkend voorbeeld van hoe je een liberale democratie om zeep helpt. Maar in diezelfde jaren groeide het land uit tot symbool van nog iets anders: een illiberale contrarevolutie die in brede delen van het Westen weerklank vond.
Onder Orbáns toeziend oog transformeerde Boedapest zich tot kloppend hart van die beweging. Het was een intellectuele safe haven, een politiek laboratorium en een model ineen. ‘Le soleil se lève à l’Est’, kopte een rechtsidentitair blaadje dat ik ooit in Parijs in handen kreeg: de zon komt op in het oosten. Na jaren van progressieve duisternis stelde Orbáns Hongarije een conservatieve dageraad in het vooruitzicht.
In de weken voor de verkiezingen kwamen radicaal-rechtse leiders uit heel Europa naar Boedapest in een vergeefse poging Orbán aan de overwinning te helpen. Donald Trump sprak zijn steun uit per videoverbinding, en later reisde ook diens vicepresident JD Vance af naar de stad. „Hij was onze beste vechter”, zei de in deze kringen immens populaire Nederlandse influencer Eva Vlaardingerbroek kort na Orbáns nederlaag.
Het zegt iets over de symbolische betekenis van Orbáns Hongarije. Voor radicaal rechts belichaamde het een belofte. Hongarije was geen gewoon land meer, maar een projectie – een droom zelfs: die van een reactionaire heilstaat, waarin de witte volksgemeenschap, de christelijke traditie en de mannelijke autoriteit hersteld zouden worden.
Dat verklaart ook waarom de klap van Orbáns verlies zo hard aankwam. In een bruin café in Boedapest hield de bekende Amerikaanse rechtschristelijke blogger Rod Dreher me een paar weken voor de verkiezingen voor dat zelfs de aanwezigheid van Trump in het Witte Huis zo’n nederlaag niet zou kunnen compenseren. Te ongedisciplineerd, ideologisch te diffuus, te zeer op zichzelf gericht. Voor Dreher en anderen bleef Orbán the real deal.
Het is altijd verleidelijk geweest om het contrarevolutioniare experiment in Hongarije af te doen als een vlag op een modderschuit. Kijk naar de kwakkelende economie, de verschraalde publieke sector, de staat van de democratie. Maar daarmee zou je de aantrekkingskracht ervan onderschatten. De ambitie om een alternatief te formuleren voor de dominant geachte liberaal-progressieve orde was echt, en werd internationaal serieus genomen.
Volgens Orbáns ideologen ging het mis na het revolutiejaar 1968. Gemeenschap maakte plaats voor individualisering en secularisering. Elites raakten in de ban van een radicaal gelijkheidsdenken. Noties van goed en kwaad, van waar en onwaar, van mooi en lelijk, kwamen op losse schroeven te staan. Grenzen werden achteloos geopend, en instellingen – van universiteiten tot media – vielen ten prooi aan wat eerst ‘politieke correctheid’ heette, later ‘cultuurmarxisme’ en uiteindelijk simpelweg ‘woke’. Het is een geluid dat de afgelopen jaren in veel Europese landen weerklonk, maar waar geen overtuigend antwoord op kwam.
De strijd waar Orbán voor stond is niet nieuw, maar een reprise van een oudere spanning – tussen Verlichting en Romantiek, tussen moderniteit en reactie. Zoals de bekende Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev deze week opmerkte: voor radicaal rechts was Orbán wat Fidel Castro ooit voor het communisme was. De leider van een betrekkelijk onbeduidend land, maar met mondiale aspiraties.
Wat er na Orbáns nederlaag overblijft van diens conservatieve ecosysteem, is onzeker. Verkiezingswinnaar Péter Magyar heeft al laten doorschemeren er geen geld meer in te willen steken. De paniek is groot. Hendriks spreekt desgevraagd van een „apocalyptische stemming”.
Maar of de illiberale contrarevolutie dankzij de nederlaag van Orbán ook tot stilstand komt, is zeer de vraag. In zowel Europa als de Verenigde Staten blijft radicaal rechts electoraal sterk.
Beter dan te juichen over Orbáns val zouden progressieven en liberalen de kans aangrijpen om nog eens goed na te denken over de eigen fundamenten. Hoe maken we die weer overtuigend? Want als er de afgelopen jaren iets duidelijk werd, dan is het wel de hulpeloosheid van het establishment in het aanschijn van radicaal rechts.
Ik merkte het eerder ook bij mezelf: als je zo lang niet in je overtuigingen wordt uitgedaagd, ga je tenslotte geloven dat ze een vanzelfsprekende waarheid vormen. Dat ze geen uitleg meer behoeven, geen verdediging – en misschien zelfs geen tegenspraak verdragen.
Als student las ik graag de liberale Britse ideeënhistoricus Isaiah Berlin en de denkers die hij opvoerde. Critici van het verlichtingsdenken, die de zwakke plekken ervan blootlegden. In zekere zin nodigt ook het conservatieve project in Boedapest uit tot zo’n herbezinning. Hoe stevig zijn onze progressieve en liberale overtuigingen werkelijk? Waar rusten ze op? Waarin schuilt hun kracht, en hoe maak je die weer zichtbaar?
Dat zijn niet per se gemakkelijke vragen; wel noodzakelijke.
Europaredacteuren praten je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de EU