Onderwijs
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Kinderen in Nederland hebben helaas nog steeds niet allemaal dezelfde kansen in het onderwijs. Dat heeft te maken met sociaaleconomische factoren, zoals de inkomenspositie van ouders. Maar de ongelijkheid heeft verrassend genoeg ook een regionale dimensie, bleek deze week uit het jaarlijkse rapport De Staat van het Onderwijs van de Inspectie voor het Onderwijs.
De onderwijsloopbanen van kinderen die in de Randstad opgroeien, zien er anders uit dan die van kinderen in minder stedelijk gebied, zeker in grensregio’s. Dat heeft uiteindelijk ook gevolgen voor hun positie op de arbeidsmarkt. Inspecteur-generaal Alida Oppers noemt dit een „ongemakkelijke constatering waar we ons niet bij neer mogen leggen”. Tegelijk merkt zij op dat een ‘hoger’ schoolniveau niet per se ‘beter’ is, en dat iedereen nodig is, „van de vakman tot de wetenschapper”. Die uitspraken klinken tegenstrijdig, maar waar het haar om gaat, is dat elk kind op een „passende plek” terechtkomt.
Waar de inspectie gelijk in heeft, is dat het wringt als talenten van kinderen niet worden herkend en daardoor niet tot hun recht komen. De inspectie ziet regionale verschillen in de manier waarop de toetsuitslagen van kinderen in groep 8 worden geïnterpreteerd. Haalt een kind bij die toets betere resultaten dan verwacht, dan moet volgens de voorschriften het advies worden bijgesteld. In het noorden en oosten gebeurt dat echter minder vaak dan in de Randstad.
Waaraan dat ligt, is niet onderzocht. Het lijkt erop dat cultuurverschillen een rol spelen. Zoals een onderwijsadviseur zei over het rapport: „In het westen is het een beetje survival of the fittest: proberen eruit te halen wat erin zit.” Dat stimuleren van talent kan ook doorschieten. Terecht ziet de inspectie niet alleen onderadvisering als probleem, maar ook overadvisering. Ouders die kinderen pushen naar een zo ‘hoog’ mogelijk schooladvies doen vaak meer kwaad dan goed. Het gevolg is bijvoorbeeld te zien in het praktijkonderwijs, waar steeds meer leerlingen instromen die het op het vmbo niet hebben gered.
Naast cultuurverschillen speelt mogelijk de bereikbaarheid van onderwijsinstellingen een rol. In veel regio’s moeten leerlingen ver reizen voor de middelbare school, wat hun keuzevrijheid beperkt. Dat geldt ook voor het vervolgonderwijs. Leerlingen buiten de Randstad kiezen vaker voor een beroepsgerichte opleiding in plaats van een theoretische. Daarbij zal de vraag op de regionale arbeidsmarkt ook meespelen.
Cultuurverschillen, nabijheid van onderwijsinstellingen en vraag op de arbeidsmarkt zijn factoren waar weinig aan te doen lijkt. Tegelijk is dit precies waar het rapport Elke regio telt uit 2023 de vinger op legde. Keuzes in het overheidsbeleid hebben geleid tot het verdwijnen van voorzieningen op het platteland, verschraling van de arbeidsmarkt en achterstand in welvaart. In dat licht moet ook de rechtszaak worden gezien die Zeeuwse scholen hebben aangespannen tegen het kabinet over het plan om in 2029 maandenlang geen treinen te laten rijden in Zeeland. Scholieren en studenten dreigen daarvan de dupe te worden.
Zolang keuzes in het onderwijs aansluiten bij de persoonlijke wensen en mogelijkheden van kinderen, verdienen ze respect. Maar hindernissen die de keuzevrijheid belemmeren, moeten worden weggenomen.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen