Home

In zijn nieuwe autobiografische roman lijkt Kees van Beijnum echt alles op te diepen wat hij zich herinnert

Kees van Beijnum Als zijn vader overlijdt, moet hij voor zijn moeder zorgen. Vijfhonderd pagina’s lang geeft Van Beijnum nauwgezet weer wat hem overkomt.

Prostitutie op de Wallen in Amsterdam, 1976.

Kleine Kees zat graag op schoot bij zijn moeder. Maar dat mag niet meer, dat kan niet meer, dat gaat niet langer sinds zijn vader plotsklaps is gestorven. Hij „moet nu groot en sterk zijn, vanaf nu komt de zorg voor haar leven en welzijn op hem aan. Datzelfde geldt voor haar eer.” Een zware taak voor een achtjarige. Het blijkt hem, ook als hij ouder en nog ouder wordt, tot volwassen aan toe, geheel te verlammen. Deze Kees wil niets, behalve dus dat zijn moeder, die hij naar de ogen kijkt, weer gelukkig wordt. Hij kan daar actief eigenlijk niets aan doen, en zelf doet hij er niet toe.

Kees van Beijnum: Hier komt de zon. De Bezige Bij, 528 blz. € 29,99

„Onverbloemd autobiografisch” is Hier komt de zon, de nieuwe, vuistdikke roman van Kees van Beijnum (1954), volgens de achterflap. Onverbloemd, vast wel, maar helaas ook oeverloos. Je krijgt de indruk dat Van Beijnum álles opdiepte wat hij zich herinnert, álles wilde vertellen en het wilde bewaren, veiligstellen tussen deze twee kaften. De hoofdpersoon, de jonge Kees zelf, is en blijft onmachtig. Natuurlijk is een kind gedwongen de enige ouder die hij heeft te volgen, maar in deze roman wringt het kleurloos-blijven. Hij hobbelt mee, als een soort aanhangwagentje, hij kijkt toe, ondergaat, verdraagt. Vijfhonderd pagina’s lang geeft Van Beijnum weer wat hem overkomt. Dat is wel van alles, maar het zit niet of nauwelijks in de hoofdpersoon zelf. Er is geen ontwikkeling, geen spanningsboog. Het is een opsomming die te veel vergt van de lezer.

Er wordt wel een nauwgezet tijdsbeeld geschetst, van de jaren vijftig tot en met de jaren zeventig en van allerlei buurten in Amsterdam, maar ook dat komt je haast allemaal zo bekend voor dat het saai is, het leeft en sprankelt niet, maar kabbelt. O ja: ooit noemden kinderen vrienden van hun ouders ‘oom’ en ‘tante’, ook al was het geen familie. En Cruijff leek eerst een schriel jochie op het voetbalveld, en ach, hadden de Beatles toen en toen die en die hit en aha, aten kinderen toen zus en zo’n soort snoep of ijsje.

De moeder van de hoofdpersoon, dochter van een kroegbazin, vrouw die in niets op doorsnee vrouwen lijkt, heeft sinds haar dertiende overigens wel een duidelijk doel. Haar „hardnekkig voornemen” is „zich op een dag […] uit de achterlijkheid [te] bevrijden, uit de armoede, uit de vulgariteit.” Het lukt haar na veel omzwervingen, en nadat ze noodgedwongen alsnog in de voetsporen van haar moeder treedt en een hotel annex kroeg in de Warmoesstraat runt, daadwerkelijk om in Landsmeer een vrijstaande bungalow te betrekken met een zwembad en een Mercedes op de oprit. Het is een lange en dikwijls egocentrische weg, vooral door haar keuze keer op keer voor foute mannen die haar onderuithalen. Waarna ze weer opkrabbelt. Kees staat erbij en kijkt ernaar, hij ziet het met lede ogen aan.

Geluksmomenten

Als hij eenmaal op de gymnasiumafdeling van een scholengemeenschap belandt, komt er een pietsje meer spanning in zijn eigen verhaal. Zijn klasgenoten komen uit een heel ander milieu dan hij. Hij slaat algauw aan het spijbelen, ha, denk je, nu raakt hij op drift. Maar nee. Ook daar komt toch geen verdere ontwikkeling van.

Merkwaardig is het, hoe Kees op afstand blijft, terwijl je zijn leven zo nauwgezet volgt. De registrerende stijl is daar debet aan, het gebrek aan keuzes (alles wat voorvalt is even belangrijk), het vertelperspectief (de roman is in de hij-vorm geschreven), net als de tegenwoordige tijd waarin alles gesteld wordt. Kees „blijft weinig toeschietelijk” staat er bijvoorbeeld, hij „trekt [zich] terug, [hem] rest weinig dan zich […] te verzoenen.” Ook geluksmomenten worden zo in woorden gevat: „Op woensdag, als hij moet trainen en op zaterdag, als hij thuis speelt, rijdt hij op zijn nieuwe fiets met drie versnellingen naar het sportpark. Een ongekende vrijheid, als hij met de draagriem van zijn sporttas in zijn eentje onderweg is, ervaart hij de ruimte […].” Je ervaart die vrijheid en die ruimte niet mét hem, niet mee, het blijft allemaal op afstand. En het gaat maar door.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Boekrecensies fictie

Lees meer

Lees meer

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next