Michele van der Kind Haar verhalen voelen als een sociaal experiment: wat gebeurt er met een mens wanneer er iets ingrijpends voorvalt?
Vergassing van ganzen.
Wat als je drie dagen lang niets hebt gegeten en je drijft langs een „deken van dode eenden”? „Ik breng de kale eend naar mijn mond, lik aan de vochtige huid en moet meteen kokhalzen.” In de tweede verhalenbundel van Michelle van der Kind, Weertij, komt heel wat absurds langs. Je kunt de bundel beschrijven als een collage verhalen over ogenschijnlijk normale mensen (een docent, een conducteur, een dochter, een geliefde, een moeder) die iets verontrustends voor de voeten geworpen krijgen en daar dan het beste van proberen te maken. Soms duikt de een op in het verhaal van de ander in een bijrol, maar de rode draad in alle vertellingen is het dreigende decor: er is een verouderd pension in de duinen en er is een gevaarlijk stijgende waterspiegel.
Michelle van der Kind: Weertij. Van Oorschot, 152 blz. € 22,50
Weertij begint met het verhaal ‘Toen het gebeurd was’. Aan het woord is een jonge vrouw die voor de grote overstroming treinconducteur was en nu door een ondergelopen wereld vaart. Honger en angst harden haar razendsnel: dit is de vrouw die aan de dode eend likt. Eerder stal ze een bootje onder de handen van de eigenaar vandaan, verzoop de parkieten die nog aan boord waren en besloot om een vrouw met een vijfjarig kind toch maar níet van een dak te redden, want er zouden zich meer mensen schuil kunnen houden. Tijdens deze post-apocalyptische tocht komt telkens haar oude werk als conducteur terug: je moet weerbaar zijn („vooral tijdens nachtdiensten reageren mensen agressief”), het is fijn om altijd een eindpunt te hebben en stiptheid is van groot belang.
Veel verhalen voelen als een sociaal experiment: wat gebeurt er met een mens wanneer er iets ingrijpends voorvalt? In het geval van de conducteur: wat doet iemand in een catastrofale chaos wiens handelen normaliter door een strakke spoorwegdienstregeling wordt bepaald? Zij blijft in beweging en begint te zingen. Dan nadert er een zinkende sloep met schreeuwende mensen (waaronder een baby). „Nu kan ik het goedmaken: de familie op het dak van de snackbar, mijn moeder, mijn zus. Mijn neefjes. De parkieten.” Maar haar overlevingsdrang blijkt heel gedegen: ze neemt geen risico. Het verhaal laat je achter met de vraag: mag je dat mensen kwalijk nemen? Is er empathie te voelen voor iemand zelf die geen empathie toont?
In Weertij worden allerlei typen ongemak opgevoerd: schaamte, schuld, twijfel, een verwachting niet of wel inlossen, bedrogen worden. Zo is er het verhaal waarin een jong meisje op weg is naar haar ontmaagding in de duinen achter het pension. Tijdens de fietstocht kruipt een windvlaag onder haar jurk en wordt haar weerzin voelbaar, door alleen al de wind die haar onwenselijk aanraakt: ze is hier duidelijk nog niet aan toe.
In een ander verhaal is een vrouw erachter gekomen dat haar partner haar bedriegt. Ze ligt met migraine op bed in het pension, wanneer ze een groot insect op de muur gewaarwordt („ze weet niet zeker of deze soort wel bestaat”), die zich bovendien razendsnel vermeerdert („ze klitten samen tot een vlek”). Uiteindelijk wordt ze – o, horror – helemaal door de beesten overgenomen. De symboliek is hier interessant, die zorgt voor gelaagdheid: de omstandigheden, klein als de wind of groot als een insectenplaag, verbeelden op hun eigen manier een ondraaglijk ongemak.
Van der Kind is op haar sterkst wanneer de verhalen absurd zijn en er niet te veel wordt weggegeven. Zo lezen we in de ‘De pas gearriveerden’ over een zich haastende moeder en zoon, ze racen in hun Audi naar de haven om aldaar een „pas gearriveerde” die in een bootje is aangekomen (mogelijk een klimaatvluchteling?) te confisqueren (ja, echt) en mee te nemen naar huis. „Leuk voor de katten”, dacht de zoon. Ze zijn net te laat: de laatste gearriveerde stapt met een stokbrood in zijn tas in een andere auto. Je kunt er gemakkelijk een kritisch geluid in lezen, op de westerse, kapitalistische houding tegenover vluchtelingen (wat hebben wij eraan?), maar Van der Kind laat dat interessant genoeg impliciet.
De vorm van de verhalenbundel heeft een eigen dynamiek: je kunt het zien als sprintjestrekken. Er is weinig tijd om een verhaal op te tuigen, weinig ruimte om de lezer aan je te binden. De verhalen die het extreme opzoeken, zoals het absurdistische of post-apocalyptische, werken daarin goed. Het is jammer dat er ook verhalen tussen zitten die lauwtjes voortkabbelen en snel wegzakken; die beklijven niet zo. Wellicht komt dit omdat Van der Kind zich voornamelijk in de inhoud wil onderscheiden: ze kan interessante ideeën en sensaties in een verhaal van een paar bladzijden blootleggen, maar de stijl is wat afgemeten, hier en daar flets en niet zo spannend. Verhalen waarin niets groots of opzienbarends gebeurd, worden dan ook niet overeind gehouden door de stijl.
Wat een verhalenbundel óók tot een interessante leeservaring maakt, is dat je de afzonderlijke verhalen tegen elkaar gaat afzetten, en juist de overeenkomsten bij elkaar puzzelt. Weertij heeft een ambitieuze opzet, door het decor in alle verhalen een rol te laten spelen, bezien vanuit verschillende perspectieven, op verschillende momenten. De keuze om de verhalen in dit grotere geheel te laten passen, suggereert een samenhang. Maar dat werkt tegelijkertijd als een keurslijf: de ruimte dicteert de mogelijkheden en beperkt die. Wat precies de samenhang is, hoe het complete plaatje eruitziet, blijft in Weertij jammer genoeg vaag. Maar wanneer de chaos compleet is en het extreme decor een overtuigende, actieve rol aanneemt, toont Van der Kind zich vrij en komt er iets echt bijzonders op papier.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews