Drie gebeurtenissen in de moslimwereld in 1979 hadden mondiale impact. De Sovjet-inval in Afghanistan, de Islamitische Revolutie van ayatollah Ruhollah Khomeini in Iran en niet te vergeten: de bezetting van de Grote Moskee in Saoedi-Arabië.
schrijft vanuit Istanbul over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden.
Kort voor zonsopgang op dinsdag 4 december 1979, precies twee weken nadat de Saoedische activist Juhayman al-Otaybi en zijn mannen de Grote Moskee in Mekka hadden gekaapt, konden de Saoedi’s verklaren dat de bezetting was beëindigd. De overwinning was bloederig. Volgens officiële cijfers waren er 270 mensen gestorven. Westerse diplomaten schatten het dodental veel hoger.
Het was een van de drie gebeurtenissen dat jaar die een ingrijpende invloed zouden hebben op de moslimwereld en indirect op de wereld als geheel. Een waar scharniermoment.
In Afghanistan trok eind 1979 het Sovjetleger binnen om de communistische regering in het zadel te houden. In decennia van burgeroorlog werd Afghanistan een broedplaats van islamitisch terrorisme. Er loopt een directe lijn van Kabul, kerstavond 1979, via 9/11 naar de Bataclan in Parijs.
In februari dat jaar was ayatollah Ruhollah Khomeini aangekomen in Teheran, na jaren van ballingschap in Irak en Parijs. De door hem in gang gezette Islamitische Revolutie had repercussies tot ver buiten Iran. Iedereen besefte opeens – met vrees dan wel hoop – dat machtsovernames door islamisten mogelijk waren.
In Mekka zag aan het eind van het jaar de Grote Moskee eruit als een slagveld: opgeblazen poorten, een met kogels doorzeefde jeep, ingestorte trappen en gebombardeerde minaretten. Overal verbrijzeld marmer, verbogen staal en bloedsporen. De Kaäba zelf – het met zwart fluweel beklede vierkante rotsblok in het midden van het moskeecomplex – was onbeschadigd, maar de stank van ontbindende lichamen en het gas waarmee de rebellen tot overgave waren gedwongen, hing over het hele terrein.
Zo omschrijft journalist Kim Ghattas, oud-correspondent van de BBC en de Volkskrant, in haar boek Zwarte golf het einde van de bezetting van de Grote Moskee, de heiligste plek van de islam. Zo’n zeshonderd militante salafisten hadden zich meester gemaakt van de moskee, met gelovigen als gijzelaars, en eisten dat het volgens hen gecorrumpeerde Saoedische koningshuis zou plaatsmaken voor een regering die alle banden met het verfoeide Westen zou verbreken en zou terugkeren naar het ware geloof.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
Niet alleen voor het grotere Midden-Oosten was 1979 een kanteljaar. In China zette Deng Xiaoping hervormingen in gang die van zijn land een hyperkapitalistisch groeimirakel maakten. In Groot-Brittannië werd Margaret Thatcher premier. Met haar begon de zegetocht van het neoliberalisme, die werd vervolmaakt door geestverwant Ronald Reagan. De oprichting in 1979 van de Moral Majority luidde diens verkiezing in tot president van de VS, een jaar later.
En dan is daar Karol Wojtyla, die in juni 1979 als paus Johannes Paulus II zijn vaderland Polen bezocht en zijn landgenoten de mentale kracht gaf de communistische heerschappij uit te dagen. Twee maanden later werd de oppositiepartij KPN opgericht, een jaar later vakverbond Solidariteit. De dagen van het Sovjet-communisme waren geteld.
Met deze ontwikkelingen in dat wonderbaarlijke jaar begint het onlangs verschenen boek De 21e eeuw, die in 1979 begon. De auteur, historicus Maarten van Rossem, laat echter één gebeurtenis onvermeld: de bezetting van de Grote Moskee.
Waarom was die zo belangrijk? Omdat die Saoedi-Arabië veranderde van een ‘gewoon’ Arabisch land in een puissant rijke exporteur van intolerant wahhabisme, een orthodoxe variant van de islam. De leiders waren zich lam geschrokken en besloten het gevaar te bezweren door de allerconservatiefste segmenten van de clerus vrij baan te geven.
De bezetting vormde daarom voor de Saoedische maatschappij een keerpunt, schrijven Paul Aarts en Carolien Roelants in hun boek Saoedi-Arabië – de revolutie die nog moet komen. ‘Er is een Saoedi-Arabië vóór en een Saoedi-Arabië ná 1979’.
De ideeën van de bezetters werden nu door het Saoedische koningshuis zelf toegepast. De Afghaanse jihad kreeg steun in de vorm van geld en vrijwilligers, in eigen land vond een vergaande her-islamisering plaats, met name in het onderwijs. ‘Dit onderwijs’, aldus Aarts en Roelants, ‘bracht een aanzienlijk deel van de extremisten voort die vanaf begin jaren negentig in de wereld toesloegen.’
Inmiddels zijn de Saoedische leiders ruimschoots op hun radicale schreden teruggekeerd, zeker onder kroonprins Mohammed bin Salman. Saoedi-Arabië is weer een stuk gewoner geworden. Afghanistan en Iran nog niet.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant