Home

‘Ik leef volgens vaste patronen, dat ben ik van jongs af aan gewend’

Ad Jansen is 100 jaar. Hoe kijkt deze bedachtzame socioloog, die ook de mariniersopleiding volgde, terug op de eeuw die achter hem ligt?

Een man met een blauwe baret op schuifelt behoedzaam door de lange gangen van een woonzorgcomplex in Arnhem, steunend op zijn rollator. Hij blijkt de 100-jarige Ad Jansen te zijn, die terugkeert van zijn rookpauze. Drie keer per dag zoekt hij de buitenlucht op, waar hij zijn pijp vult met tabak. ‘Buiten roken moest van mijn vrouw, anders zouden de gordijnen bruin worden’, vertelt hij.

Ad Jansen is een bedachtzame man, die na elke vraag eerst rustig nadenkt voordat hij met een antwoord komt. ‘Alles wat ik zeg, moet kloppen.’

Hoe ziet uw dagelijks leven er momenteel uit?

‘Ik kan mezelf goed amuseren. Ik heb het geluk dat ik nog kan lezen en ben altijd bezig in een boek, nu in Groene supermacht, van Diederik Samsom. Hij schrijft dat Europa veel sterker is dan het denkt – daar ben ik het mee eens.

‘Mijn hele leven al ben ik om half 6 wakker, sinds ik hier woon moet ik tot half 8 wachten voordat ik uit bed geholpen word, dat vind ik geen enkel probleem. Na het ontbijt ga ik naar buiten om pijp te roken. Dat doe ik drie à vier keer per dag, al 73 jaar en zal ik wel tot mijn laatste snik blijven doen. Weer terug op mijn kamer, lees ik uitgebreid de krant, De Gelderlander. Ik wil op de hoogte blijven van wat er gebeurt in de wereld én mijn omgeving. Het internationale nieuws volg ik ook via Teletekst en Het Journaal. Ik ben lid van de herensociëteit hier in huis, die elke vrijdagmiddag bijeenkomt om allerlei onderwerpen te bespreken. Ook zit ik in de cliëntenraad, om de belangen te behartigen van de bewoners hier in huis.’

Hoe zou u zichzelf typeren?

‘Dat is een moeilijke vraag. Ik ben een man van principes, regelmaat, matigheid en veel bewegen. Ik leef volgens vaste patronen, dat ben ik van jongs af aan gewend. Het geeft een bepaalde rust.

‘Ik doe nog steeds mee aan de veertig dagen vastentijd uit mijn katholieke jeugd, zoals moslims aan de ramadan doen. Het is goed elk jaar een periode stil te staan bij mensen die weinig hebben, en te ervaren dat je met minder ook genoeg kunt hebben. Ik vast niet zo streng als mijn moeder in mijn jeugd van ons vroeg; in plaats van vier sneden brood kregen we er twee, zonder beleg. Ik eet gewoon wat minder.

‘Ik ben maatschappelijk betrokken, multicultureel ingesteld, vriend van Indonesië, en een natuurmens. Overal en nergens voel ik mij thuis, omdat ik nogal wat rondgezworven heb.’

Waar heeft u zoal rondgezworven?

‘Ik ben in het dorp Esch in Brabant geboren, ben een tijd in Schotland en Amerika geweest voor de mariniersopleiding, heb 1,5 jaar in Indonesië gediend, en daarna heb ik in verschillende plaatsen gewoond en gewerkt, zoals Breda en Alkmaar. Mijn vader stimuleerde mij al jong om verder te kijken dan Esch, omdat de wereld groter is dan ons dorp, zei hij. Ik maakte lange fietstochten. Zo ben ik een fiets- en natuurliefhebber geworden.’

Hoe kwam u tot uw keuze om marinier te worden?

‘In oktober 1944 werd er zwaar gevochten in het zuiden van Nederland tussen de geallieerden en Duitse troepen. Bij de bevrijding van ons dorp eind oktober beschoten de Duitsers de kerk waar wij naast woonden. De toren gebruikten de Engelsen als uitkijkpost. Het was een voltreffer, twee Engelse soldaten sneuvelden, ze lagen op de stoep voor ons huis. Dat maakte diepe indruk op mij. Ik wilde iets terugdoen voor de soldaten die hun leven hadden gewaagd voor onze vrijheid, en besloot mij aan te melden als oorlogsvrijwilliger – ik kon terecht bij de mariniers, om te helpen Nederlands-Indië te bevrijden van de Japanse bezetting.

‘Bij de keuring bleek ik 3 millimeter te kort, namelijk 169,7 centimeter in plaats van de minimale eis van 170. ‘Wil je graag bij het korps mariniers?’, vroeg de keuringsarts. ‘Ja, anders was ik niet gekomen’, antwoordde ik. ‘Dan maken we er 170 van’, zei hij. Ik werd direct naar Schotland gestuurd, waar we marsen leerden lopen. Er waren veel stadsjongens die ondervoed waren geraakt door de oorlog en daar konden aansterken.

‘In januari 1945 zijn we met de Ile de France naar Amerika gevaren. Aangekomen in New York keek ik vol ontzag naar de Statue of Liberty (het Vrijheidsbeeld, red.) en de wolkenkrabbers – verdimme wat waren die hoog. We reisden door naar marinebasis Camp Lejeune in Jacksonville, daar kregen we een zware training van een halfjaar: lange marsen lopen en schuttersputjes graven, wapeninstructies en schietoefeningen. In schieten was ik niet zo goed, ik bleek een oogafwijking te hebben waardoor ik niet goed diepte kon zien. Daarom werd ik opgeleid tot hospik. Daar heb ik nooit spijt van gehad, anderen helpen past veel beter bij mij.

‘Zodra onze opleiding was afgerond, capituleerde Japan en was de vraag: wat nu? We werden toch naar Nederlands-Indië gestuurd om Japanners uit te schakelen die zich hadden aangesloten bij de troepen van Soekarno, die streden voor een einde aan de kolonisatie. Drie maanden na onze komst, kwam een eerste divisie dienstplichtige soldaten uit Nederland aan, de 7 December-divisie. Ik neem het de toenmalige Nederlandse regering nog steeds kwalijk hoe zij naar Indië waren gestuurd: zonder opleiding, zonder materieel en in legerkleding van Engelse soldaten die nog vol bloedvlekken en kogelgaten zaten van de Tweede Wereldoorlog. Daardoor zijn onnodig veel jongens gesneuveld. Schandalig.’

Hoe kijkt u terug op uw tijd in Nederlands-Indië?

‘Ik heb heel veel ellende gezien: honger, ziekten, armoede. We kregen de opdracht Nederlanders te bevrijden uit de jappenkampen. Veel geïnterneerden waren ernstig verzwakt. Mensen met cholera evacueerden we naar kloosters van de Ursulinen. Ik heb ook zieke Indonesiërs in kampongs geholpen, dat zag ik als mijn humanitaire plicht.

‘Na anderhalf jaar ben ik weggegaan, omdat mijn contract was afgelopen. Dat was een geldkwestie: voor de Nederlandse regering waren wij dure klanten. Ik vond het jammer om met de hulp aan de inlandse bevolking te moeten stoppen, en miste de kameraadschap onder de mariniers. Ik ben waarschijnlijk de enige veteraan van onze compagnie die nog in leven is.

‘Ik ben pas tien jaar geleden over deze periode in mijn leven gaan praten. Bij terugkomst was er nauwelijks belangstelling voor wat ik had meegemaakt. Dan doe je er zelf ook het zwijgen toe. Het eerste wat mijn vader vroeg, was: ‘En, wat ga je nu doen?’’

En, wat bent u gaan doen?

‘Ik ben sociologie gaan studeren in Tilburg. Daarna heb ik altijd banen gehad waarin ik happy was. Een tijd heb ik gewerkt voor de Komgrondenstichting. Die kreeg na de oorlog de opdracht het rivierengebied weer in cultuur te brengen. Dat betekende dat sommige boerenbedrijven moesten worden verplaatst. Het was mijn taak met de boeren in gesprek te gaan. Vooruitstrevende boeren zagen het wel zitten. Het was niet zo moeilijk ook de conservatieve te overtuigen. Ik zorgde ervoor dat ik eerst hun vrouw meekreeg – als zij ‘ja’ zei, volgde hij ook. Vrouwen denken op langere termijn, want ze zijn meer bezig met een goede toekomst voor hun kinderen en kleinkinderen. En passent stimuleerde ik de boeren ook hun dochters te laten doorleren en naar de mulo te laten gaan, ik vond het zonde van hun talenten dat ze alleen de huishoudschool mochten volgen.

geboren: 28 november 1925 in Esch

woont: in een woonzorgcentrum in Arnhem

familie: 2 kinderen, 4 kleinkinderen, 3 achterkleinkinderen

beroep: marinier, socioloog, decaan

weduwnaar sinds 2006

‘Ook heb ik een mooie tijd gehad als studentendecaan op de sociale academie in Breda. Het voornaamste probleem waarmee studenten bij mij aanklopten, was dat hun ouders hen niet financieel wilden ondersteunen. Wat er vaak achter zat, was dat ze niet achter de studiekeuze van hun kinderen stonden, en liever zagen dat ze hun boerenbedrijf overnamen. Sommige relaties heb ik kunnen lijmen, andere niet.’

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘In een onderwijzersgezin. Mijn beide ouders werkten, mijn vader was hoofd van de lagere school in Esch, mijn moeder onderwijzer in Den Bosch. We hadden een huishoudster voor dag en nacht. Zo bijzonder was het niet in ons dorp dat mijn moeder werkte; de vrouw van de bakker, de slager en de kruidenier werkte ook. Alleen de echtgenotes van ambachtslieden, zoals de timmerman en de metselaar, werkten niet. Mijn vader was streng op school én thuis. Ik mocht van hem geen appels plukken, zelfs een appel die onder een struik lag, mocht ik niet meenemen. Daar had ik geen recht op, vond hij.’

U bent een man van principes, vertelde u, wat is voor u een belangrijk principe?

‘Dat iedereen gelijk is, en iedereen ertoe doet. Het maakt niet uit wat je kleur of geloof is, we zijn allemaal mens. Tijdens mijn mariniersopleiding in Amerika werd ik voor het eerst geconfronteerd met discriminatie. Een keer stapte ik in de bus en kreeg ruzie met de chauffeur. Ik moest voorin gaan zitten, omdat de plaatsen achterin voor kleurlingen waren. Ik wilde niet bevoorrecht worden en weigerde. Deze discriminatie deed heel zeer. Later zag ik het ook in Nederland, tijdens mijn studie sociologie. Antilliaanse studenten werden buitengesloten van activiteiten van de studentenvereniging. Met nog een oud-marinier zei ik er wat van, dat werd ons niet in dank afgenomen; ook wij mochten niet meer meedoen.’

Is er iets dat u, terugkijkend op de afgelopen 100 jaar, toch liever anders had gedaan?

‘Je ne regrette rien.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next