Home

Kuifje en Bobbie in tranen: Brussels stadsarchief verzamelde uitingen van rouw na terreuraanslagen

Aanslagen Brussel De terreuraanslagen in Brussel zijn zondag tien jaar geleden. Op straat achtergelaten teksten, tekeningen en knuffels zijn op het stadsarchief bijeengebracht in een ‘aanslagenarchief’. Wat is de zeggingskracht van deze voorwerpen?

Vinciane Godfrind toont boodschappen en objecten die verzameld werden na de aanslagen van 22 maart 2016.

In hun stad waren die ochtend drie bommen ontploft. Twee op de Belgische nationale luchthaven Zaventem, één in het Brusselse metrostation Maalbeek. Er waren doden, gewonden. Er was ravage, angst. Op die 22ste maart 2016 verzamelden rouwende Brusselaars zich op het plein voor de Beurs, een gebouw in het hart van de stad met brede bordestrappen en Korinthische zuilen. Ze legden er bloemen neer, tekeningen, knuffels, kaartjes, kaarsen, knutselwerken. Zo ontstond een tapijt van rouw.

Even daarvoor hadden de hoofd- en adjunct-archivaris van de stad Brussel, Frédéric Boquet en Vinciane Godfrind, gelezen over hun Parijse collega’s. De Franse archivarissen waren na de aanslagen van 13 november 2015 in Parijs de straat op gegaan, om de herdenkingsboodschappen te bewaren. Dat wás echt iets, binnen het kleine netwerk van Europese archivarissen, vertelt Godfrind; het terrein op gaan, naar buiten, je tussen de mensen begeven.

„En zo vlug”, voegt Boquet toe. „Ja, zo vlug”, herhaalt Godfrind. 

In het Brusselse stadsarchief, bruine eikenhouten trappen, stellingkasten tot wel tien verdiepingen, een ijzeren goederenliftje, volgden Boquet en Godfrind het nieuws over de terreuraanslagen die 22ste maart via liveblogs en Facebook. Na enkele uren zagen ze een filmpje van Brusselaars die slogans als ‘Je suis BXL’, ‘PAIX’ en ‘Manneke Peace’ krijtten op het plein en de trappen van de Beurs. Toen dachten ze: nu moeten we daarheen, dit moet worden vastgelegd, want dit verdwijnt – net als in Parijs.

Vinciane Godfrind en hoofdarchivaris van het archief van stad Brussel Frédéric Boquet.

Twee maanden lang zouden Brusselaars leuzen blijven kalken op het plein voor de Beurs, na elke regenbui een nieuwe. Archivaris Godfrind fotografeerde de boodschappen elke ochtend en elke avond. Het plein lag op de route naar haar werk.

Samen met collega’s trokken Boquet en Godfrind ook het plein op, om de rouwboodschappen te verzamelen. Zoiets hadden ze niet eerder gedaan. Ze waren een beetje bang voor boze reacties van omstanders, dus droegen ze groene fluorescerende hesjes waarop ze met veiligheidsspelden een A4’tje hadden bevestigd: ‘Archives of the city of Brussels. We are working to protect and preserve your messages’. Ze stopten de spullen in opbergdozen, driemaal daags bracht een bestelbusje een lading naar het archief. Sommige kinderen gaven hun knuffel of tekening direct aan de archivarissen. U zal het bewaren, zeiden ze volgens Godfrind. „Ze begrepen meteen wat we deden.”

Grijze knuffelbeer

Deze zondag zijn de aanslagen in Brussel tien jaar geleden. Er werden 35 mensen gedood. Tientallen raakten gewond. Islamitische Staat eiste de verantwoordelijkheid op. In de jaren erop volgde een van de grootste Belgische strafzaken met een volksjury. Zes daders kregen gevangenisstraffen tot levenslang wegens schuld aan terroristische moord en poging tot moord. Brussel werd beschimpt als ‘hellholle’, als broeinest van terrorisme. 

Vinciane Godfrind (53 jaar, gele trui over een jurk met rode stippen) en Frédéric Boquet (48 jaar, zwarte trui, broek en brilmontuur) zijn nog altijd archivaris in Brussel. „Ik werk hier al 25 jaar, Frédéric nog maar 24”, grapt Godfrind. Ze beklimmen de houten trappen in het archief, er wordt gedempt gesproken, iedere bezoeker tekent voor aan- en afwezigheid.

Hoofdarchivaris Frédéric Boquet haalt dozen met tekeningen en objecten die verzameld werden na de aanslagen uit het archief.

Terugblikkend vonden ze het niet zo evident, de aanslagen archiveren, want „wij zijn altijd bezig met het verleden”, zegt Godfrind. Maar je moet het heden vastleggen om ernaar te kunnen kijken als verleden.

Het aanslagenarchief staat op de derde etage. Godfrind toont een witte houten stellingkast met vijf verdiepingen aan kartonnen dozen, 4.500 stukken. Ze opent een witte doos met opschrift ‘Attentats 22/03/2016 Aanslagen’, daarin zitten de stukken D 0063 tot en met D 0070 en D0083-90. De letter D staat voor ‘3d-objecten’, andere codes zijn A (boodschappen van A4-formaat) en B (groter dan A4). In de D-doos zitten een grijze knuffelbeer, een gele beer en een pluche konijntje. 

In de dagen na de aanslag lagen de papieren overal. De vloer van het atrium, dat normaal gesproken als leeszaal dient, was bezaaid met herdenkingsmateriaal. Ze hadden de veelal natgeregende stukken te drogen gelegd op stukken keukenpapier, voor ze gearchiveerd zouden worden. Droge berichten werden waar nodig schoongemaakt, kaarsvet verwijderd met behulp van een strijkijzer. En daarna werden ze ingescand. De pluche knuffels werden schoongemaakt. Alle werknemers hielpen mee, er kwam toch niemand om archiefstukken in te zien. Ze waren niet gesloten, mensen bleven gewoon thuis.

Een gearchiveerd gevoel

Hoe mensen uiting gaven aan hun gevoel, deelnamen aan een ritueel, naar een plek toe trokken om samen te zijn, hun verdriet te delen: dát hebben de archivarissen opgepakt en meegenomen. Maar de sfeer op straat, dat beladen gevoel, wat Boquet het meest bijstaat, nee, dat vind je nu niet meer in die dozen, denkt hij.

De objecten zijn gesorteerd op formaat in dozen opgeslagen, zegt Godfrind. De verpakking, zegt ze, is heel professioneel, net als bij administratieve archieven, „die geen emotie hebben”. 

Hoe zal het zijn als een historicus hier over tien, dertig of vijftig jaar het aanslagenarchief raadpleegt? Vangt diegene dan iets van het gevoel, van de zwaarte, en ook van de vastberadenheid van mensen om zich niet klein te laten krijgen? Ze hebben veel foto’s gemaakt, zegt Godfrind, heel veel foto’s. En toen een collega vorig jaar de inventaris maakte, heeft ze voor elk object aangegeven op welke foto het te zien is. Dat zal helpen, zegt Godfrind, om de sfeer te voelen, te begrijpen.

Die historicus zal voor het verzamelen van informatie ook de persarchieven kunnen raadplegen, het politieverslag, rechtbankverslagen, de rouwregisters. De gearchiveerde herinneringsgolf „is het collectieve geheugen van een stad”, zegt Godfrind. „Het is één ding om het administratieve archief van de stad te hebben, maar wat de mensen voelen en begrijpen van de stad, dat is de tweede kant, die moeten samengaan.” Een rouwregister of een politieverslag vertelt iets anders dan een persoonlijk aandenken, of een dagboek, een getuigenis, een privéfoto. „Dit is vox populi”, zegt Boquet.

Ze zijn het sindsdien vaker gaan doen, de ervaringen van het publiek vastleggen, ervaringen van gewone mensen. Bij covid deden ze dat online, met foto’s van lege straten, blogs. Na een aanslag op Zweedse voetbalsupporters in Brussel in 2023 trokken de archivarissen meteen naar de herdenkingsplek. Dat is, zegt Godfrind, „echt een evolutie in het milieu van de archivarissen en de historici in het algemeen”.

Peace and love

Er zijn mensen langsgekomen om het archief te raadplegen. Een historicus, een antropoloog. Gérôme Truc is zo iemand, denkt Boquet zich te herinneren.

We mailen hem, na het bezoek. Truc is socioloog en directeur van het Institut des sciences sociales du politique in Nanterre, bij Parijs. Hij heeft onderzoek gedaan naar de maatschappelijke omgang met terroristische aanslagen en raadpleegde het Brusselse archief online. Het archief bevat, schrijft hij in een mail, aan de ene kant typische post-aanslag-boodschappen die je ook zag in Parijs in 2013, Londen in 2005, Madrid in 2004, New York in 2001. Het meest voorkomend lijken de boodschappen met ‘peace’, ‘love’, of tekeningen van vredesduiven, harten, het vredesteken. De mensen plaatsen zo iets tegenover het geweld van de terroristen. Je zag ook veel kindertekeningen, schrijft Truc. „Dat laat zien hoeveel impact het heeft gehad, de gebeurtenis reikte tot in de klaslokalen, waar leraren hun leerlingen aanmoedigden om een tekening te maken voor de slachtoffers, die ze dan op het Beursplein konden leggen.”

Aan de andere kant tref je in het archief tekens aan die alleen bij deze gebeurtenis horen. Die symbolen waren ook een manier voor mensen om te laten zien hoe verbonden ze zich voelden. Een uit piepschuim vervaardigde Kuifje en zijn hond Bobbie, bijvoorbeeld, met tranen in hun ogen. „Dat verwijst naar Brussel als stad van de strip.”

De balletspitzen die in het archief bewaard zijn gebleven.

Uit een houten stellingkast op de derde verdieping pakt Godfrind een grijze kartonnen doos met opschrift ‘Boite 3’ en ‘C 00008_01 en C 00008_02’. Dit is het object dat haar misschien wel het meest aangrijpt, zegt ze. Ze haalt het deksel eraf en toont twee zalmroze balletspitzen. De schoenen zijn op advies van het Brusselse Mode & Kantmuseum opgevuld zodat ze in vorm blijven, de linten ergens omheen gerold. Een van de slachtoffers was een meisje dat aan ballet deed, vertelt Godfrind.

En dan hebben ze nog de ongeopende enveloppen met achtergelaten brieven gericht aan de slachtoffers. Ook die zijn bewaard, maar ze zullen altijd gesloten blijven.

België

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next