Blanche DuBois uit A Streetcar Named Desire, een van de belangrijkste vrouwenrollen uit de moderne toneelliteratuur, wordt vaak weggezet als naïeve dromer, of nog erger: als hysterica. Een nieuwe enscenering bij ITA werpt een ander licht op haar trauma’s en drijfveren.
is chef-kunst van de Volkskrant. Ze schrijft over toneel, film, series en popcultuur.
‘Ik wil geen realisme, ik wil magie!’ Zo klinkt de beroemde hartenkreet van Blanche DuBois, de geknakte southern belle uit Tennessee Williams’ A Streetcar Named Desire (1947).
Dat kun je naïef vinden, aanstellerig of simpelweg gestoord, en zo is Blanche in de toneel- en filmgeschiedenis ook geregeld weggezet. Maar in de nieuwe versie van Streetcar, door de Britse regisseur Rebecca Frecknall bij Internationaal Theater Amsterdam (ITA), voelt het grote verlangen van Blanche opeens zeer herkenbaar en dichtbij.
Het is een mooie, klassieke voorstelling, op het ouderwetse af. Maar misschien maken die solide voorwaarden wel juist dat de tekst (in een prachtige nieuwe vertaling van Janine Brogt) zo glashelder en tintelfris kan klinken. Ik denk dat ik dat montere treurlied van Blanche, hier kordaat verkondigd door Hannah Hoekstra, eigenlijk nu pas goed hoor. Geen realisme, wel poëzie, betovering, schoonheid – ja, het is een vlucht, maar evengoed een streven, een strijdkreet.
Blanche is 30 en een oude vrijster, als ze gespannen arriveert in New Orleans (nu zouden we ‘overprikkeld’ zeggen) om bij haar zus Stella en zwager Stanley in te trekken. Direct bij aankomst deelt ze luid haar misprijzen over hun sjofele appartement – Stella en zijzelf stammen immers van de plantage Belle Rêve in Mississippi, met dat statige landhuis met de zuilen. ‘Nooit, nooit, nog niet in mijn vreselijkste dromen had ik me dit kunnen – Poe! Alleen Edgar Allan Poe himself had dit goed kunnen beschrijven.’
Blanche is slim en belezen, tot voor kort was ze lerares Engels, waar ze vrolijk-cynisch over opmerkt: ‘Ik probeer een troep tienermeiden en snackbar-Romeo’s enig benul bij te brengen van Hawthorne en Whitman en Edgar Allan Poe.’ Blanche houdt van poëzie, van mooie, zorgvuldige, omfloerste taal, van verhullen en vermommen, juist vanwege het al te aardse lijden dat ze heeft doorstaan.
Poe schemert ook door in haar beschrijvingen van haar laatste jaren op het landgoed, toen daar het ene na het andere familielid overleed. ‘Al die doden! Die eindeloze stoet naar het kerkhof. Vader, moeder! Margaret, op die vreselijke manier! (…) Je zou nooit enig idee kunnen hebben dat er zo’n gevecht was om adem en al dat bloed, tenzij je daar aan hun bed had gezeten toen ze uitschreeuwden: ‘Hou me vast!’ Jij hebt er niet van gedroomd, maar ik zag het! Ik zag het!’
Over de agressieve Stanley wordt wel gezegd dat hij als voormalig legersergeant wellicht PTSS heeft. Maar met de kennis van nu is volkomen helder dat ook Blanche is getraumatiseerd. Door de zware, eenzame jaren op het landgoed, de stoet doden, de jaren van verkwisting en verval.
En veel eerder al door de schokkende gebeurtenis die ooit haar jeugdige optimisme vermorzelde: de zelfverkozen dood van haar jonge geliefde, op haar 16de. Als Blanche zich vastklampt aan jeugd en schoonheid, die geforceerd en vergeefs najaagt, dan is dat niet uit ijdelheid, maar uit een poging terug te gaan in de tijd. De tijd dat hij nog leefde, en zij nog oprecht liefhad. Die tijd, die Blanche, wil ze terug.
Williams wist over wat voor vrouw hij schreef. Hij liet zich voor het personage in de eerste plaats inspireren door zijn eigen moeder Edwina, ook een southern belle, die zeer tegen haar zin het somptueuze zuidelijke Columbus, Mississippi moest verruilen voor St. Louis, en maar niet aan de stad kon wennen – net als haar gevoelige zoon, trouwens.
Al even belangrijk voor het personage was zijn zus Rose, die leed aan schizofrenie en haar hele volwassen leven doorbracht in inrichtingen. Ook ontleend aan zijn eigen leven: een broer (Tom in The Glass Menagerie) of zus (Stella in Streetcar), die het akelige ouderlijk huis ontvlucht, maar daar een geliefde zus tragisch achterlaat. Vrouwen met mentale problemen vormen een rode draad in Williams’ oeuvre, zoals ook in Suddenly, Last Summer (1959), en hij beschrijft ze met veel nuance en empathie.
Actrice Tallulah Bankhead, ook een inspiratiebron, gaf Blanche haar sterallures, alcoholisme en promiscuïteit. Misschien dat haar divaëske, campy interpretatie in de Broadway-revival van 1956 de subtielere kanten van het personage lang heeft overschaduwd.
Blanche is, met Martha uit Albee’s Who’s Afraid of Virginia Woolf?, de belangrijkste vrouwenrol uit de moderne toneelliteratuur. Ze werd gespeeld door grote actrices als Vivien Leigh, Glenn Close, Cate Blanchett en Gillian Anderson. In Nederland door Ank van der Moer, Chris Nietvelt en Maria Kraakman. Vaak indrukwekkend, maar ook vaak als een zeur, een slachtoffer of een gek.
Ik heb haar als sentimentele dromer gezien, geslepen manipulator, pathologische leugenaar, verlepte diva – het hele vergeelde kwartet van versleten vrouwbeelden. Maar nog nooit als de leuke, slimme, toch nog hoopvolle jonge vrouw (30!) die Hannah Hoekstra van haar maakt. Een sprankelende vrouw die geen kant op kan met haar talent en intelligentie en die door opeenvolgend trauma over de rand van de afgrond wordt geduwd.
Want dat is anders aan de tijd waarin we deze Blanche leren kennen: we hebben nu meer aandacht voor systemen, en zoeken de schuld minder bij het individu. Wat Blanche doet, is overleven, in een wereld die het haar onmogelijk maakt. In haar regie klaagt Frecknall nadrukkelijk die wereld aan.
Ooit vonden we haar een fantast, een diva en een charlatan, die haar ellende min of meer over zichzelf afriep. Nu vind ik het juist ontroerend dat ze er ondanks alles nog iets van maakt, dat ze lééft. Dat ze blijft dromen en streven, tegen de klippen op. Dat is niet pathetisch, of sneu, of leugenachtig. Het is diep menselijk.
En niets menselijks is deze vrouw vreemd.
A Streetcar Named Desire is nog t/m 22 maart te zien bij ITA, Amsterdam.
Source: Volkskrant