Andrew Graham-Dixon schreef een meeslepend boek over Johannes Vermeer, maar de kern ervan is fictie. Het boek rijgt de ‘misschiens’ en ‘zou kunnens’ aan elkaar tot ketens van bewijs die uiteindelijk nergens aan zijn bevestigd.
is kunsthistoricus
Er zitten enorme gaten in de biografie van Johannes Vermeer. Vrijwel elke snipper documentatie werd zo’n dertig jaar geleden al door de Amerikaanse onderzoeker John Michael Montias gepubliceerd, maar ondertussen weten we nog niets over zijn opleiding tot kunstenaar; we weten vrijwel niets over zijn financiën, behalve dat hij geregeld om geld verlegen zat, en we weten dat er nog zo’n kleine veertig werken van Vermeer bewaard zijn gebleven. We weten dat hij met een katholieke vrouw trouwde, vijftien kinderen kreeg en bij zijn katholieke schoonmoeder introk. Hij noemde twee van zijn zoons Ignatius en Franciscus, maar er is geen hard bewijs dat hij zelf katholiek was geworden.
Wij weten wel dat zijn buurmeisje Maria de Knuijt en haar man Pieter van Ruijven bij hun dood een twintigtal werken van Vermeer in huis hadden. We weten niet waarom dat was. Het waarschijnlijkst is dat De Knuijt, die welgesteld was en met Vermeer was opgegroeid, optrad als zijn weldoener. Maar we weten dat niet zeker.
Andrew Graham-Dixon wel. Bij het kijken naar de schilderijen van Johannes Vermeer openbaarde zich aan hem de sleutel tot het ‘mysterie’ van de ‘Sfinx van Delft’. Graham-Dixon is zeker geen halve gare, maar een gelauwerd criticus, schrijver, maker van een dozijn documentaires en auteur van een kloek boek over Caravaggio. Zijn Vermeer is mede daarom in eigen land met lof ontvangen (onder andere in Times Literary Supplement en Literary Review), al maakten serieuze critici in de Financial Times, Prospect en The Observer er beleefd gehakt van.
Graham-Dixon meent in de schilderijen die Maria de Knuijt bezat een consistente iconografie te herkennen, sterker nog: de uitdrukking van een spiritueel programma van een groep remonstrantse vrijdenkers, de collegianten. Hij poneert op basis van die persoonlijke waarneming een constructie van een historische werkelijkheid over de schilder, diens opvattingen en relaties.
Lees het interview met Andrew Graham-Dixon over zijn Vermeer-biografie.
Dat er aan die constructie vrijwel geen enkel betrouwbaar feit ten grondslag ligt, doet niet ter zake. Integendeel, het geloof in eigen opvatting is zo sterk – het is een openbaring, immers – dat serieuze feiten worden weggewuifd, massa’s verstandige literatuur worden veronachtzaamd en eenvoudige, voor de hand liggende verklaringen niet ter zake doen. Graham-Dixons Vermeer is een schoolvoorbeeld van iemand die een konijnenhol binnenwandelt en daar verstrikt raakt in eigen ficties.
Het belangrijkste probleem is zijn methode. Het boek rijgt de ‘misschiens’, ‘mogelijks’, ‘zou kunnens’ en ‘moet haast wels’ aan elkaar tot ketens van bewijs die uiteindelijk nergens aan zijn bevestigd. Graham-Dixon stelt bijvoorbeeld dat Vermeers ouders, Reynier en Digna, remonstranten waren, omdat de remonstrantse predikant Johannes Taurinus in 1615 hun ondertrouwakte tekende. Dat was een administratieve handeling; er is geen snipper bewijs dat de Vermeers ook zijn opvattingen deelden.
Een paar pagina’s later stelt Graham-Dixon echter al dat Taurinus Reyniers ‘vertrouwde familiepastor’ was en dat Vermeers ouders ‘part of the resistance’ waren geworden. Honderd pagina’s verder blijkt de kleine Johannes Vermeer te zijn opgegroeid in een ‘pacifistisch remonstrantse’ omgeving. Zijn katholieke huwelijk was schijn, de kapel in zijn huis betekenisloos, want Vermeer leefde een dubbelleven en zijn werk diende de collegianten.
Die zijn overigens interessant: een kleine beweging van vrijdenkers die onderscheid in religie en gender onbelangrijk vonden en kerkelijke organisatie overbodig. Over een collegiante aanwezigheid in Delft is niets bekend, maar Graham-Dixon weet niettemin zeker dat Vermeers vriendin Maria de Knuijt tot de beweging hoorde en in haar huis een gespreksgroep van collegiante vrouwen begon. Ook daar is letterlijk geen enkele aanwijzing voor. Er is geen notitie van een van die vrouwen, geen brief, geen rekening, geen dagboekaantekening, geen opmerking in de Delftse magistratuur, niets.
Uit al dat niets construeert Graham-Dixon dan zijn belangrijkste fictie: dat de schilderijen die Maria de Knuijt bezat een spiritueel programma weergeven, een visie op christelijk leven in de vorm van introverte genretaferelen, waarmee zij haar bijeenkomstzaal versierde.
Hier belandt de lezer in een cirkelredenering. Bestond er dan zoiets als een collegiante iconografie? Ja, zegt Graham-Dixon, want Vermeer schilderde die, en Vermeer was collegiant, dus. Hoe zit dat dan met die andere Vermeer-schilderijen, die er sprekend op lijken? Ah, zegt Graham-Dixon, die waren voor niet-collegianten, en daar was die iconografie overbodig, dat zijn geen ware ‘Vermeer-Vermeers’.
De absurditeiten stapelen zich daarna op. De ingedommelde vrouw met het halflege glas wijn is niet het genre-type van het liefdesdronken meisje: ze rust uit van een hemels visioen en de kamer op de achtergrond is het geopende graf van Christus. Het straatje toont het huis naast het huis van Maria de Knuijt en een glimp van de remonstrantse kerk – niet de hele kerk, want bescheidenheid is typisch voor remonstranten. Gezicht op Delft is een blik op Jeruzalem na een storm. Het Meisje met de parel is Maria Magdalena bij het graf van Christus. O, en Vermeer en Spinoza waren ‘ongetwijfeld’ vrienden.
Je verstand staat erbij stil. Graham-Dixon weet niets wezenlijks te melden over Vermeers relaties met collega’s. Hij meldt niets over zijn kunsthandel, over zijn atelier, over de activiteiten van het gilde. Hij slaat eenvoudig over dat toen Vermeer overging naar het schilderen van scènes van brieflezende vrouwen voor open vensters, dat type net door Pieter de Hooch in Delft was geïntroduceerd. Een populaire innovatie, met een religieuze doctrine had dat weinig te maken.
Het boek is goed geschreven, meeslepend zelfs, maar de kern ervan is fictie. U kunt het op de plank zetten naast Tracy Chevaliers Girl with a Pearl Earring.
Andrew Graham-Dixon: Vermeer – A Life Lost and Found. Allen Lane; 416 pagina’s; € 28,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant