Kasper was een makkelijke baby, maar op het kinderdagverblijf werd hij ineens enorm onrustig. Hij bleek een hersentumor te hebben. Een zware tijd volgde, die vader Jeroen naast pijn en verdriet óók veel moois heeft gebracht.
interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine
Jeroen van Veen (44, sponsorloper en schrijver): ‘Je hoort het vaak na een trauma: dat een nieuwe wereld zich opent omdat mensen dan wél hun baan opzeggen, wél gaan doen wat ze altijd al wilden. Voor mij was het overlijden van Kasper ook de directe aanleiding om te gaan doen wat ik nu doe, en kijk hoeveel positiviteit het me heeft gebracht. Ik zeg weleens: al die tranen hebben als een soort vergrootglas gewerkt, ik zie nu veel beter hoe mooi de wereld is.
‘Maar wat ik ook wil zeggen is dat het ook vandaag kan, nú, dat je niet moet afwachten tot er iets misgaat om het leven te gaan leiden waarvan je droomt. Er zullen altijd mensen zijn die zeggen: dat lukt nooit joh, dat is een krankzinnig plan. De kunst is om die mensen vriendelijk aan te horen en het dan vervolgens toch gewoon te doen. Het is mij ook gelukt om in 99 dagen naar Sparta te lopen. En ik ben geen atleet, ik ben geen oud-marinier die gestaald is door vele jaren training. Ik ben gewoon je buurman, bij wijze van spreken.
‘In 2017 werd Kasper geboren. Onze oudste zoon, Brent, was toen 2. Ik werkte als creatief bij een sportmarketingbureau en later nog een tijdje bij RTL – ik bedacht reclames – en mijn vrouw Charlotte bij de gemeente Amsterdam, als projectmanager. Het gewone, drukke, soms chaotische leven van een jong gezin, dat nog drukker werd met de komst van de derde, Doris. Een meisje ook nog eens, ons geluk kon niet op, het was één groot feest.
‘Kasper was de meest chille baby ooit, maar op het kinderdagverblijf veranderde er iets: hij werd onrustig, kon moeilijk in slaap komen, kregen we van de leidsters te horen. En iets later gebeurde dat thuis ook. Slapen werd lastig, hij moest veel spugen. We dachten aan een buikvirusje en de huisarts in eerste instantie ook, een hersentumor wordt bij kinderen vaak over het hoofd gezien. Wat logisch is, want zulke symptomen zijn niet meteen alarmerend, maar op een gegeven moment waren we hele nachten met Kasper bezig, Charlotte en ik om beurten tweeënhalf uur op en af. Ik weet nog dat ik naast hem zat – hij rechtop in de kinderwagen, want legde je hem neer, dan begon hij wanhopig te krijsen – en hij, eindelijk stil, me nietsziend aankeek met één oog open, en dat ik dacht: dit is zó intens kut, dit is helemaal niet goed.
‘Toen is eigenlijk alles begonnen. Het was een hersentumor. De kanker zat in allebei de hersenhelften; elke uitslag die we kregen was nog slechter dan de vorige. Al na een week in het Prinses Máxima Centrum kregen we te horen: jullie zoon zal waarschijnlijk niet lang leven, hier zijn geen behandelingen voor. Maar ze zeiden ook: we gaan elke dag kijken wat we vandaag kunnen doen, en eventueel ook morgen; er zijn een paar mensen wereldwijd die hier wél ouder mee zijn geworden en we gaan alles proberen om dat bij Kasper ook te bereiken.
‘Ik heb meteen mijn baan opgezegd voor alle ziekenhuisbezoeken, Charlotte is blijven werken. En ik ben gaan hardlopen nadat een maatschappelijk werkster in het ziekenhuis zei: dit gaat heel zwaar worden, je moet je batterij af en toe opladen. Het werd ook zwaar, maar ik ben ongelooflijk blij dat we naast alle pijn en verdriet nog zoveel gelukkige momenten met Kasper hebben beleefd. Hij was altijd blij en vrolijk, een soort Annie in jongensvorm met zijn rode krullen.
‘Uiteindelijk is hij 4 jaar oud geworden. Hij is op zijn eerste schooldag samen met zijn grote broer naar school gelopen, met een rugzak en een broodtrommel – dat was na drie jaar chemo’s en bestralingen en ellende een van de mooiste dagen van ons leven, heel gewoon en heel bijzonder tegelijk.
‘Na zijn dood schreef ik een boek: Kasper – Achtbaan op losse schroeven, over de duizend dagen van intensieve behandeling. En ik bedacht een actie voor het Prinses Máxima Centrum: ik ging een jaar lang elke dag 10 kilometer hardlopen om geld op te halen voor kankeronderzoek, ‘Sponsorloper’ noemde ik mezelf, elk bedrijf kon met zijn merknaam op mijn shirt. Dat is helemaal ontploft. Mijn doel was om 10 duizend euro op te halen, uiteindelijk is het bijna 2,5 miljoen geworden.
Wat erg geholpen heeft, is dat ik ondernemer en influencer Bas Smit had leren kennen, die ambassadeur is van het Máxima Centrum en aan al zijn 800 duizend volgers op Instagram over mijn hardloopactie berichtte. Ook alle media-aandacht hielp. Om de actie af te trappen was ik bij Tijd voor Max in Hilversum, waar ik vertelde over de 10 duizend euro als doel, en toen ik thuiskwam in Amsterdam had ik al 20 duizend euro ingezameld.
‘Ik wilde een bubbel van positiviteit om me heen creëren. Ik vond het intens als mensen in de supermarkt een hand op mijn arm legden en vroegen: hoe gaat het nu? Vreselijk lief natuurlijk, maar door die sponsorloopactie zeiden mensen nu ook dingen als: hé Jeroen, wat fantastisch, en tegen Brent: ha, jij bent Kaspers broer! Dat was dan niet alleen voor mij een opsteker, maar ook voor de kinderen, je wil ook niet voor hen dat alles zwaar en droevig is.
‘Het is uiteindelijk een heel mooi jaar geworden, waarin ik met koningin Máxima een selfie maakte, maar ook met de stratenmaker voor ons huis. Ik heb veel gehuild in het begin, ik noemde mezelf wel de huilende hardloper, maar als de fietsenmaker zijn duim opstak als ik voorbijrende, gaf dat enorm veel positieve energie.
‘Dus toen het jaar om was, wilde ik niet stoppen. Ik wilde iets nieuws bedenken, een nieuwe actie. Ik haalde geld op, ik had gemerkt dat ik inspirerend was voor mensen, ik had inmiddels zelf ook 50 duizend volgers op Instagram, wat niet gigantisch veel is, maar er was wel veel engagement, om een lelijk marketingwoord te gebruiken. Ik dacht: ik zou wel knettergek zijn als ik hier niets mee zou doen.
‘De Spartathlon werd geopperd, een ultrarun van Athene naar Sparta, maar met zo’n startnummer en een finishboog: ik kreeg er geen kippenvel van. Uiteindelijk ben ik op een gewone ochtend om vijf uur mijn huis uit gegaan met een rugzak en een halfpersoonstentje, en in 99 dagen naar Sparta gelopen. Charlotte heeft de route uitgestippeld, elke dag een marathon.
‘Het is ongelooflijk hoeveel goede mensen ik onderweg ben tegengekomen, hoeveel eten ik kreeg aangeboden, hoeveel slaapplaatsen. Als het bloedheet was, was de schaduw er voor mij. Als mijn nachtlampje ermee ophield, scheen de volle maan. Natuurlijk heb ik erdoorheen gezeten als ik de weg kwijt was in een of ander oerbos en het ook nog eens keihard regende en ik pijn in mijn benen had. Maar dan dacht ik aan die nachten met Kasper: dat was pas kut. Het is niet zo dat ik dit allemaal voor hem doe, maar wel dóór hem, ik ben ontzettend trots op hem.
‘En door alles wat er gebeurd is, ben ik het leven oprecht alleen maar mooier gaan vinden. De wereld ligt aan je voeten heet mijn boek over mijn tocht naar Sparta. Het verschijnt half april. Hoe vet zou het zijn als het op The New York Times-bestsellerlijst komt, ik ben daar eigenlijk heilig van overtuigd. Je kunt alles bereiken wat je maar wilt. Het leven is maakbaar, ja – ‘behalve als je ziek bent’, zei ik daar vaak achteraan, maar nee: kijk, wat Kasper teweeg heeft gebracht. Hij heeft óók alles bereikt.’
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant