U laat welbewust kinderen in armoede sterven terwijl u ze makkelijk kunt redden met uw geld, zegt de Australische moraalfilosoof Peter Singer. Zijn Britse collega en podcastmaker David Edmonds dook in de materie. Is het wel zo zwart-wit?
is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
Dankzij het volgende verhaaltje zijn er, aldus serieuze schattingen, honderdduizenden levens gered. Stel dat u onderweg bent naar uw werk en u ziet een peuter in een vijver spetteren. Ze slaat wild om zich heen. U zoekt haar ouders of oppas, maar er is niemand. Als u haar niet uit het water haalt, zal ze waarschijnlijk verdrinken. U kunt haar makkelijk redden, de vijver is voor volwassenen ondiep, maar daarmee zult u wel uw gloednieuwe schoenen ruïneren. Ook worden uw kleren nat en modderig. En tegen de tijd dat u zich heeft verkleed en het kind hebt overhandigd aan iemand die voor haar zorgt, bent u te laat op uw werk. Wat doet u?
Natúúrlijk red ik het kind, denkt u nu (hopelijk). Maar dan zal de Australiër Peter Singer (1946), de bedenker van dit gedachte-experiment, die mede daardoor volgens velen geldt als ’s werelds invloedrijkste levende filosoof, tegenwerpen dat u zich dagelijks in een soortgelijke situatie bevindt en er keer op keer voor kiest de peuter te laten verzuipen.
Jaarlijks sterven er namelijk miljoenen kinderen aan allerlei gemakkelijk genees- of voorkombare ziekten. U wéét dat, u heeft er reportages over gezien op tv of gelezen in de krant. Maar in plaats van dat u ervoor kiest die kinderen te redden door een bedrag over te maken naar een van de daarin gespecialiseerde goede doelen, besluit u van dat geld op vakantie te gaan of een nieuwe iPhone te kopen.
Heeft Singer gelijk? Bent u geen haar beter dan de persoon die het kind laat verdrinken?
Dat is de vraag die de Britse filosoof David Edmonds (1964), medepresentator van de populaire filosofiepodcast Philosophy Bites, probeert te beantwoorden in zijn prikkelende en glashelder geschreven boek Death in a Shallow Pond – A Philosopher, A Drowning Child, And Strangers in Need (‘Dood in een ondiepe vijver – een filosoof, een verdrinkend kind en vreemden in nood’).
In zijn boek gaat Edmonds uitgebreid in op de commentaren van filosofen die de afgelopen decennia hebben beweerd dat de aanschaf van een duur horloge helemaal niet gelijkstaat aan het willens en wetens laten sterven van een kind.
De Volkskrant spreekt Edmonds, een Brit met wijd opengesperde pretogen, in een koffiehoek in de British Library in Londen. Achter een kop thee verzekert hij dat we hardop kunnen praten. ‘Dit is geen stilteruimte’, zegt hij. ‘Dit is gewoon een stille ruimte.’
Edmonds brak in 2003 door met het door de voormalige Amerikaanse president Bill Clinton aangeprezen Wittgenstein’s Poker – The Story of a Ten-Minute Argument Between Two Great Philosophers. Later schreef hij onder meer Parfit – A Philosopher and His Mission to Save Morality (2023), een fascinerende biografie van de briljante en excentrieke filosoof Derek Parfit, die in 2017 overleed.
Death in a Shallow Pond is niet het eerste boek van Edmonds over een beroemd gedachte-experiment uit de moraalfilosofie. In Would You Kill The Fat Man (2013) vroeg hij zich af of je een dikke man van een brug moest duwen als zijn gewicht een trein zou blokkeren die anders vijf mensen, die vastgebonden liggen op de rails, zou overrijden.
Waarom is het antwoord op die vraag relevant? De kans dat je werkelijk voor zo’n keuze komt te staan, is klein. Edmonds kent de bezwaren tegen gedachte-experimenten. ‘Toch zijn ze nuttig omdat de echte wereld rommelig is en je zo kunt achterhalen welk specifiek principe in een bepaalde situatie de doorslag geeft.’
In het geval van de dikke man: duwt u hem van de brug, dan bent u een utilist, iemand voor wie de gevolgen van een actie doorslaggevend zijn. Dankzij uw optreden zijn de vijf railsliggers immers gered en is alleen de dikke man dood. Besluit u hem op de brug te laten staan, dan bent u een aanhanger van de deontologie (ook wel: een volgeling van Immanuel Kant), iemand die uitgaat van absolute gedragsregels, zoals: gij zult niet doden.
Het verhaal van het verdrinkende kind is geen onwaarschijnlijk scenario, zegt Edmonds. ‘Ergens op de wereld loopt waarschijnlijk nu iemand langs een vijver die iets dergelijks ziet gebeuren.’
De meest gehoorde kritiek op Singers gedachte-experiment betreft het verschil in afstand. Het kind in de vijver verzuipt recht voor uw neus, terwijl kinderen in armoede zich vaak aan de andere kant van de wereld bevinden. ‘Dat maakt natuurlijk ook een gigantisch psychologisch verschil’, zegt Edmonds. ‘Waarschijnlijk is dat iets evolutionairs: toen we jager-verzamelaars waren, wisten we niet eens dat er mensen aan de andere kant bestonden, laat staan dat we ze konden helpen.’
Dat excuus is inmiddels verdwenen. Edmonds: ‘En daarmee is afstand ook moreel irrelevant geworden. Want waarom zou een leven elders minder waard zijn dan hier? Ja, we hebben de neiging om mensen elders minder snel te helpen, maar die moeten we proberen te onderdrukken.’
Hoe zit het met de effectiviteit? Als u een kind uit het water trekt, is het kind gegarandeerd gered. Maar als u geld naar goede doelen overmaakt, weet u niet precies wat daarmee gebeurt. De organisaties claimen misschien wel dat er malarianetten van worden gekocht, maar misschien belandt het in handen van dikbetaalde stichtingbestuurders of corrupte machthebbers.
Ook dit is geen goed argument, zegt Edmonds. ‘Er bestaan organisaties die de effectiviteit van goede doelen meten.’ Hij doelt op stichtingen als GiveWell en Giving What We Can, die zijn opgericht door volgelingen van Peter Singer, en The Life You Can Save, dat is opgericht door Peter Singer.
‘Natuurlijk maakt het óók een groot psychologisch verschil dat je niet kunt zien wie je precies helpt’, zegt Edmonds, ‘maar je kunt er net zo zeker van zijn dat je iemand helpt als bij het verdrinkende kind.’
Volgens de filosofie van Singer, het utilitarisme, moeten mensen in hun leven beslissingen nemen die leiden tot het grootste, universele geluk, waar ook ter wereld. Het ongeluk van de persoon die vijver in waadt – de geruïneerde schoenen, de modderige kleren, het te laat komen op werk – staat in geen verhouding tot het geluk dat het redden van het kind tot gevolg heeft.
Maar, zo werpen critici van het gedachte-experiment tegen, Singer gaat eraan voorbij dat lang niet alles zo makkelijk tot een rekensom te reduceren valt. In 2007 was er een grote fondsenwervingscampagne waarbij elfduizend donateurs meer dan een half miljoen pond doneerden om The Blue Rigi, Sunrise, een schilderij van J.M.W. Turner, in het Verenigd Koninkrijk te houden. Een volgeling van Singer bekritiseerde dit initiatief: als hetzelfde geld besteed was aan betere sanitaire voorzieningen in Afrikaanse dorpen, hadden ongeveer twaalfhonderd levens kunnen worden gered.
Wat is, in de ogen van Singer, de waarde van kunst? Kun je volgens hem niet beter maar meteen de volledige inboedel van het British Museum, de National Gallery en Tate Modern in de verkoop zetten? ‘Dit vind ik goede kritiek, die we Singer eens moeten voorleggen’, zegt Edmonds. ‘Ik denk dat hij hierop zou zeggen dat we dat zouden moeten doen – als mensen tenminste niet, zoals hij zou zeggen, zo irrationeel waren geweest.’
Dat zijn ze wél. ‘Als de kroonjuwelen en de mooiste schilderijen worden verkocht om daar mensen in India en Mali mee te helpen, zou er grote verontwaardiging in de samenleving ontstaan. Het zou een tegenreactie oproepen die uiteindelijk de doelen ondermijnt waar ook Singer zelf voor staat. Daarom zou hij het denk ik toch geen verstandig idee vinden.’
Net als kunst is ook onderwijs een ‘zachte sector’ waarvan de gevolgen zich niet snel in geredde levensjaren laten uitdrukken. Daarom pleiten stichtingen als Giving What We Can er niet voor om geld te doneren aan onderwijsbeurzen.
En dat terwijl niet alleen Peter Singer, maar ook zijn volgelingen William MacAskill en Toby Ord dankzij die beurzen in Oxford hebben kunnen studeren. Singer schreef daar het gedachte-experiment, MacAskill en Ord lazen het daar en besloten in 2011 tot oprichting van de beweging van het effectief altruïsme, dat volgers oproept 10 procent van hun inkomsten weg te geven. Zo zijn inmiddels vele miljarden dollars opgehaald ter bestrijding van armoede, waarmee honderdduizenden levens zijn gered. Zonder die beurzen was dat allemaal niet gebeurd.
‘Het doorrekenen van dit soort dingen levert natuurlijk allerlei moeilijkheden op’, zegt Edmonds. ‘Van tevoren heb je geen idee wat de uitkomst ergens van is. Hoe moet je dat in hemelsnaam meten?’
Het wordt nog ingewikkelder als ook de effecten in de verre toekomst moeten worden meegewogen. Volgens de voorstanders van het langetermijnisme, een beweging die in zwang is onder techmiljardairs als Sam Altman en Elon Musk, tellen de levens van mensen die miljarden jaren in de toekomst leven net zoveel als die van ons nu.
Zij pleiten ervoor om niet in armoedebetrijding in Bangladesh te investeren, maar in AI en ruimtevaart, om bijvoorbeeld een toekomst voor mensen op Mars veilig te stellen. ‘Ik denk dat het volkomen rationeel en gerechtvaardigd is om geld te investeren in langetermijnkwesties als pandemische paraatheid of systemen die moeten bewerkstelligen dat AI veilig blijft’, zegt Edmonds.
‘Maar als ik een adviseur was geweest van de effectieve altruïsten, zou ik ze adviseren om zich niet in te laten met missies naar Mars en de levens die zich op de veel langere termijn afspelen. Dan wordt de kosten-batenanalyse te speculatief.’
Bij de meeste kortetermijndoelen zijn daarentegen vaak wél conclusies te trekken, zegt Edmonds. ‘Zelfs als we niet precies kunnen zeggen hoevéél effectiever een bepaalde bestemming voor je geld is dan de andere, kunnen we in veel gevallen nog steeds zeggen dat de ene veel effectiever is.’
Veelgehoord voorbeeld in de kringen van het effectief altruïsme: waarom zou je in het Westen een blindengeleidehond trainen als je voor hetzelfde geld (40 duizend euro) honderden mensen in ontwikkelingslanden kunt genezen van blindheid?
Of, toegespitst op beslissingen die mensen in het dagelijks leven maken: waarom zou je voor 10 duizend euro een nieuwe auto kopen als je van dat geld ook twee levens had kunnen redden? (In zijn gedachte-experiment suggereerde Singer dat je een leven kon redden voor het geld van een paar schoenen, maar uit berekeningen blijkt dat het een stuk duurder is, rond de 5.000 euro).
Toch zouden sommige mensen pleiten voor de aanschaf van de auto, zegt Edmonds, en dat zijn niet alleen hedonistische egoïsten. Angus Deaton, econoom en Nobelprijswinnaar, is er een van.
Het gedachte-experiment van Singer gaat volgens Deaton mank omdat er een cruciaal verschil is tussen een stervend kind in een vijver en een stervend kind aan de andere kant van de wereld. Wie een kind uit de vijver redt, doet alleen maar goed. Maar wie een kind redt uit een arm land, richt nevenschade aan.
‘Die is moeilijk te meten’, zegt Edmonds. ‘Maar het punt van Deaton is dat je door geld te sturen naar een ander land de relatie ondermijnt tussen de overheid van dat land en haar burgers. Normaal moeten overheden belasting innen bij hun bevolking om voorzieningen als zorg of onderwijs te bekostigen. Dat dwingt hen om verantwoording aan hun burgers af te leggen. Maar als regeringen niet meer afhankelijk zijn van burgers maar van westerse donoren, werkt dat corruptie in de hand.’
Edmonds vindt het ‘een vrij goed’ argument. ‘Als een Nobelprijswinnende econoom dit zegt, moet ik het serieus nemen.’
Toch gaat hij niet helemaal met hem mee. ‘Ik heb veel ontwikkelingseconomen gesproken en velen van hen vinden zijn standpunt ook te extreem. Het kan toch niet zo zijn dat elk project zonder uitzondering meer kwaad doet dan goed. Als je een specifiek en afgebakend doel hebt, lijkt het me sterk dat je hulp meteen tot grootschalige corruptie leidt. Wie malarianetten verspreidt, ontwricht niet meteen de lokale gezondheidszorg.’
Jaarlijks sterven er ongeveer 600 duizend mensen aan malaria. Een groot deel van hen zal behoren tot de ongeveer 3,5 miljard mensen die volgens de Wereldbank moeten rondkomen van minder dan 6,85 dollar per dag.
Critici van het gedachte-experiment van Singer hameren op deze gigantische aantallen. Wie een kind uit een vijver redt, is klaar. Maar wie zich richt op armoedebestrijding in de wereld, is dat nooit. Volgens de filosofie van Singer mag iemand pas stoppen met doneren als er niemand meer is die het geld beter kan gebruiken – met andere woorden, als diegene zelf ’s werelds armste persoon is.
De filosofie van Singer is in de praktijk te veeleisend, zeggen zijn critici. Weer een ander gedachte-experiment, dit keer van de Amerikaanse filosoof Theron Pummer, moet dit illustreren. Stel dat je voor de rest van je leven elke minuut de kans hebt om op een groene knop te drukken. Iedere keer dat je dat doet, red je het leven van een onbekende. Iedere keer dat je het nalaat, sterft er iemand. Je zou denken dat je moreel verplicht bent om elke minuut op die knop te drukken.
‘Maar er zijn zo veel mensen te redden’, zegt Edmonds. ‘En Pummer zegt dat het absurd zou zijn om een levenslange slaaf van de groene knop te zijn. Daarmee zouden mensen zich van hun identiteit vervreemden.’
Peter Singer is het hier niet mee eens. ‘Hij vindt dat je op de knop moet blijven drukken’, zegt Edmonds. Terwijl hij dat zelf óók niet doet. ‘Nee, hij geeft maar 50 procent van zijn inkomsten weg’, zegt Edmonds. ‘Hij erkent dat hij niet leeft naar zijn overtuigingen, vanwege een gebrek aan wilskracht. Toch vind ik het moeilijk om hem iets kwalijk te nemen. Hij doet meer dan 99,999 procent van de mensen.’
Edmonds zelf is een groot bewonderaar van Singer, maar leeft niet volgens zijn filosofie. ‘Toen ik voor het eerst zijn gedachte-experiment las, in de jaren tachtig, heeft dat geen enkel effect op mijn leven gehad.’ Met een lachje: ‘Waarschijnlijk omdat ik toen, net als nu, volkomen egoïstisch was.’
Hij overdrijft. ‘Niet volkomen. Nadat ik ander werk van Singer heb gelezen, Practical Ethics, ben ik vegetariër geworden. En we hebben met het gezin een jaar lang Oekraïners opgevangen. Dat was een daad van menselijkheid.’
En hij is een effectieve altruïst geworden. Tijdelijk althans. ‘Van de inkomsten van mijn boek geef ik 10 procent weg’, zegt hij. ‘Ik weet nog niet of ik dat ook de rest van mijn leven blijf doen. Het stomme is dat ik het makkelijk zou kúnnen doen. Ik heb genoeg geld voor de aanschaf van af en toe een boek en een vakantie. De rest kan ik makkelijk weggeven. Maar misschien wil ik toch iets achterlaten aan mijn kinderen. Het heeft ook met een gebrek aan wilskracht te maken. Zoals Peter Singer zou ik al helemaal niet kunnen leven.’
Op Singer en zijn volgelingen rust een zware morele last. ‘Die was niet nodig geweest als we in het Westen allemaal 10 procent van onze inkomsten hadden weggegeven’, zegt Edmonds. ‘Dan had het armoedeprobleem allang opgelost kunnen zijn. Maar het probleem is dat bijna niemand iets doet.’
David Edmonds: Death in a Shallow Pond – A Philosopher, A Drowning Child, And Strangers in Need. Princeton University Press; 288 pagina’s; € 29,99.
Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant