Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
We lopen we met zijn vieren naar het café. Het is een wandeling van ongeveer tien minuten, waarbij we langs winkels en cafés komen die nieuw voor me zijn. Op een enkel stelletje na is het café leeg. We zoeken een tafeltje uit bij het raam en bestellen eten en drinken. Ik wijs naar de twee barkrukken aan het uiteinde van de bar. ‘Daar zaten we’, zeg ik plechtig tegen mijn dochters, alsof ik ze de plek laat zien waar Julius Caesar en Cleopatra voor het eerst samen een glas mulsum dronken.
Als ik toen had geweten wat ik nu weet – namelijk dat mijn outfit me precies vijftien jaar later nog zou achtervolgen – had ik wat anders aangetrokken. ‘Jullie vader droeg kabouterlaarzen en een witte V-hals’, vertelt mijn vrouw aan mijn dochters. Het waren gewoon lekker warme, comfortabele leren laarzen met een ronde neus en schapenvacht aan de binnenkant. En ja, een V-hals T-shirt, met daarover een wollen, wit vest. Zeg maar precies wat mensen dragen die naar Ibiza en Sensation-feesten gaan. Mijn vrouw droeg destijds een strakke, zwarte spijkerbroek waarin haar billen uitstekend tot hun recht kwamen, maar die herinnering deel ik nu even niet.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
We eten nacho’s, net als vijftien jaar geleden. Drinken bier, net als vijftien jaar geleden. Alleen nu worden we vergezeld door twee wezens die we in de tussentijd hebben gemaakt. Eentje zit naast me een boek te lezen, de ander kruipt verveeld bij haar moeder op schoot en komt tot de conclusie dat ze eigenlijk toch niet van nacho’s met gesmolten kaas houdt. Boven de bar hangt een grote, verbleekte foto van de skyline van New York voor 9/11. Die hing er toen ook. De tafels en de stoelen zijn ook nog hetzelfde. De muziek ook. Zelfs de barman. In een stad waarin alles steeds maar verandert en verbetert, is dit café een museum vol troost.
Het regende toen. En ik waadde nog door vers liefdesverdriet. Ik woonde in Oost, zij in... ‘Ik hoef dit niet te horen’, zegt de jongste. ‘Je hebt dit al verteld, vanmiddag.’ Weet ik, maar nu zijn we hier en vertel ik het gewoon nog een keer. ‘Ik wil het best horen hoor’, zegt mijn vrouw en kijkt me verwachtingsvol aan. Nou goed, we dronken bier (toen nog 2 euro), hadden het over muziek en reizen. En aan het eind van de avond namen we afscheid. Zonder te zoenen. Zij fietste naar haar huis, ik naar het mijne. Ik had me voorgenomen om niet meer verliefd te worden. Maar…
Ik stoot mijn oudste dochter aan. Ze kijkt verward op van haar boek.
‘Maar wat dacht ik toen?’
‘Huh?’
‘Toen ik vijftien jaar geleden naar huis fietste?’
‘O ja.’ Ze lacht en kijkt haar moeder aan. ‘Dat hij de liefde van zijn leven had ontmoet.’
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns