Technologie AI holt het belastingstelsel verder uit. Inzet van de techniek verhoogt productiviteit, maar dat komt niet ten goede van lonen, en er wordt in totaal niet voldoende belasting over geheven, ziet Hans Stegeman.
Twee weken geleden bracht een scenario-analyse van het Amerikaanse beleggingshuis Citrini Research de markten even van slag. Een gedachte-experiment: wat als AI de productie sterk verhoogt, maar de inkomsten nauwelijks bij huishoudens of overheden terechtkomen? De onderzoekers noemden het ‘Ghost GDP’: economische groei die niet circuleert in lonen of belastingopbrengsten. Sciencefiction, schreven critici. Maar het raakt aan iets wat al decennialang gaande is, en wat in het Nederlandse politieke debat vrijwel geen aandacht krijgt.
Hans Stegeman is hoofdeconoom bij Triodos.
Begin jaren tachtig ging ruim tachtig procent van het nationale inkomen naar arbeid. Nu is dat minder dan zeventig procent. Geen peanuts: ruw berekend is dat een verschuiving van 6.500 euro per werkende per jaar die niet naar lonen gaat maar naar aandeelhouders en kapitaalbezitters. De totale loonsom groeide de afgelopen twee decennia mee met de economie, maar alleen doordat er meer mensen zijn gaan werken. Per werknemer bleef de beloning 35 procentpunten achter bij de bbp-groei sinds 2000: de productie is gegroeid met 40 procent, het reëel loon per werknemer met nog niet eens 10 procent. De belastinggrondslag, de loonsom waarover belasting geheven wordt, hield stand dankzij een groeiende beroepsbevolking. Dat compensatiemechanisme werkt nu al minder goed, door vergrijzing.
Wat doet AI met dit patroon? Niemand weet het zeker. De voorspellingen lopen ver uiteen. Maar de vroege signalen zijn veelzeggend. Onderzoek naar beginnende werknemers in de meest aan AI-blootgestelde beroepen toont al werkgelegenheidsdaling van vijftien tot zestien procent. Grootschalig Deens onderzoek onder elf beroepsgroepen laat zien dat twee jaar na brede toepassing van AI lonen en gewerkte uren vrijwel niet zijn gestegen. Productiviteitswinsten verschijnen vooral als kostenbesparing voor bedrijven, niet als hogere lonen. Het meest waarschijnlijke scenario is niet massaontslag, maar stille erosie: minder instroom, meer output per werknemer, en een arbeidsaandeel dat verder daalt. Misschien geleidelijk, maar wel structureel.
Wie profiteert van AI-productiviteitswinsten? In theorie kunnen werknemers waarvan de vaardigheden AI aanvullen hogere lonen bedingen. Maar Daron Acemoglu en Simon Johnson lieten in hun boek Power and Progress zien dat dit zelden gebeurt: bedrijven zetten AI structureel in als kostenbesparende vervanger van mensen, niet als productiviteitsverhogende aanvulling. Een keuze voor meer winst die gaat naar de aandeelhouder, niet naar de werkvloer. De banen die dan overblijven of nieuw ontstaan zijn ofwel de schaarse rollen waarbij mensen en AI elkaar echt versterken, ofwel de banen die AI simpelweg niet kan doen: zorg, onderwijs, kinderopvang, fysiek werk. Dat zijn ook de banen met de laagste productiviteit per uur, en dus de laagste beloning. De nieuwe banen betalen gemiddeld minder dan de banen die verdwijnen.
Nu de tweede rekening, die hierachter vandaan komt. In Nederland komt meer dan de helft van alle belastinginkomsten direct of indirect uit arbeid: loonbelasting, inkomstenbelasting, sociale premies, de btw die mensen betalen van hun salaris. Die grondslag krimpt al. AI maakt die krimp structureler. Maar er is nóg een probleem. De nieuwe banen in zorg en onderwijs zijn publiek gefinancierd, en ze worden relatief duurder naarmate de rest van de economie productiever wordt. De Britse econoom William Baumol beschreef dit mechanisme al in 1967: sectoren met lage productiviteitsgroei moeten toch meebewegen in lonen, want anders kiest niemand meer voor ze. Dat betekent stijgende kosten juist in de sectoren waarop de verzorgingsstaat het meest leunt. Een verpleegkundige of leraar moet meekomen in loon, ook als hun productiviteit nauwelijks stijgt. De belastinggrondslag krimpt terwijl de uitgaven stijgen. Twee erosieprocessen die tegelijk versnellen.
Dan is er nog een derde lek. De winsten die AI genereert, landen niet automatisch in de Nederlandse of enige Europese schatkist. De waarde concentreert zich bij een handvol Amerikaanse bedrijven: OpenAI alleen al heeft een waardering van vijfhonderd miljard dollar. Winstverschuiving door multinationals kost overheden wereldwijd al honderd tot tweehonderdveertig miljard dollar per jaar aan belastingopbrengsten. Dat was vóór de AI-explosie. De EU-minimumwinstbelasting van vijftien procent is een stap, maar niet meer dan dat: ze dekt niet de constructies waarbij bedrijven winst verschuiven via licenties op intellectueel eigendom. En de VS, thuisbasis van OpenAI, Google en Microsoft, heeft de minimumbelasting niet ingevoerd. Amerikaanse AI-bedrijven betalen in Europa dus vaak minder dan vijftien procent over de winst die ze hier maken. Nederland profiteert nauwelijks van de waarde die zijn burgers en bedrijven dagelijks creëren door deze Amerikaanse systemen te gebruiken.
De politieke reflex bij begrotingsproblemen is altijd dezelfde: verhoog tarieven. Maar als de grondslag zelf wegzakt, levert hogere druk op wat overblijft steeds minder op. Je lost een grondslagprobleem niet op met hogere tarieven.
Consumptiebelasting is de minst ingrijpende aanpassing. Zolang mensen consumeren, valt er te heffen, ook als ze minder werken. Economen Anton Korinek en Lee M. Lockwood betoogden dit jaar dat btw op AI-diensten en heffingen op energie- en waterverbruik van datacenters een robuuster alternatief zijn dan arbeidsbelasting. Maatschappelijke kosten die nu worden afgewenteld op de samenleving, worden dan beprijsd bij de veroorzaker.
Kapitaalbelasting gaat verder, bijvoorbeeld een vermogensbelasting op AI-bezit, of een extra heffing op de winsten die bedrijven maken doordat ze schaarse AI-infrastructuur bezitten. Politiek lastig, maar economisch goed verdedigbaar: wie marktmacht bezit, draagt de kosten van die macht.
Het meest fundamenteel is publiek eigendom. Als AI-systemen een groeiend deel van de economische waarde genereren, zou de samenleving directe belangen moeten verwerven in de bedrijven die die waarde bezitten. Verplichte winstafdrachten bij platforms die in publieke markten opereren. Of een universeel AI-dividend, waarbij iedere burger bij geboorte een aandeel krijgt in de publieke infrastructuur waarop AI draait. Noorwegen doet dit al decennia met aardolie. Er is geen principieel bezwaar om hetzelfde te doen met algoritmen. Het klinkt radicaal, maar minder radicaal dan een verzorgingsstaat blijven financieren met een grondslag die steeds verder afkalft.
Wie dat niet nu onder ogen ziet, betaalt straks dubbel: eerst via lagere lonen, daarna via hogere belastingen.
Doorzie de wereld van technologie elke week met NRC-redacteuren