Wellicht heb je het recent vernomen: er is nogal wat te doen over onze Amerikaanse cloudvrienden. Wat is er aan de hand? Sinds Donald Trump voor de tweede keer verkozen is, strooit hij met tariefsverhogingen en dreigt hij met allerlei exportverboden, vooral op chips en technologie. Dat heeft ook de Nederlandse politiek en het bedrijfsleven wakker geschud. Steeds vaker klinkt de vraag: wat als de stekker uit de Europese cloud wordt getrokken?
Nu zul je misschien denken: dat kan toch zomaar niet? Juridisch kan het echter wel degelijk. Sterker nog, het is al eerder gebeurd. Venezuela kreeg enkele jaren geleden een compleet handelsembargo opgelegd. Voor Venezolaanse gebruikers van de Adobe Creative Cloud betekende dat simpelweg dat hun toegang werd afgesloten. Het embargo werd later opgeheven, maar het incident liet zien hoe kwetsbaar het is om data en diensten volledig in Amerikaanse clouds onder te brengen.
Ook recenter, en dichter bij huis, zagen we een vergelijkbaar voorbeeld: door Amerikaanse sancties werd zelfs het account van de hoofdaanklager van het ICC afgesloten, zonder dat daar een rechter aan te pas kwam.
Dat roept een logische vervolgvraag op: als de VS dat kan doen, kunnen we onze systemen dan niet gewoon in Europese datacenters hosten?
Het eerlijke antwoord: op korte termijn nauwelijks, zeker voor grote organisaties die volledig op Amerikaanse cloudplatforms draaien. Websites en e-mailsystemen zouden relatief snel gemigreerd kunnen worden, maar veel cruciale systemen zijn inmiddels volledig gebouwd rondom cloudspecifieke infrastructuur. Die ombouwen naar een alternatief kan maanden, zo niet jaren duren.
Daar komt nog een ander probleem bij: veel IT-specialisten zijn zo gewend geraakt aan cloudplatforms dat kennis van klassieke infrastructuur langzaam verdwijnt.
Zagen we dit niet al aankomen?
Eigenlijk wel. Al in 2019 startte de EU het project rond Europese datasoevereiniteit onder de naam Gaia-X. Het doel was een Europees ecosysteem voor cloud- en datadiensten. Maar anno 2026 lijkt het project nog altijd weinig tractie te hebben. De nadruk ligt vooral op standaarden en samenwerking, minder op het bouwen van een daadwerkelijk alternatief voor de Amerikaanse hyperscalers.
Toch gebeurt er wel degelijk iets. Verschillende open-sourceprojecten proberen alternatieven te bouwen. Eén van de interessantste initiatieven is La Suite Numérique, een Frans overheidsproject dat voortbouwt op bestaande open-sourceoplossingen. Het richt zich onder andere op samenwerking aan documenten, een functionaliteit die voor veel organisaties essentieel is.
Ook in Duitsland ontstaan steeds meer initiatieven. Duitsland zou zelfs een belangrijke aanjager kunnen worden van Europese cloudalternatieven; de Duitse overheid en industrie zijn traditioneel voorzichtiger met het uitbesteden van data.
Daarbij is wel een kanttekening nodig. De meeste van deze initiatieven richten zich vooral op alternatieven voor Microsoft 365 of Google Workspace. Een echt alternatief voor hyperscale-clouds, de infrastructuur van partijen als Amazon, Microsoft en Google, bestaat voorlopig nauwelijks of bevindt zich nog in een te vroeg stadium voor grote organisaties.
Wat maakt hyperscalers eigenlijk zo bijzonder?
Bij een traditionele hoster neem je doorgaans vaste capaciteit af, bijvoorbeeld vier Linux-servers die continu draaien. Bij een hyperscaler werkt dat anders: daar kun je op elk moment vrijwel onbeperkte capaciteit afnemen, volledig geautomatiseerd en betaald op basis van daadwerkelijk gebruik.
Stel dat ik volgende maand twee dagen lang concertkaartjes wil verkopen. Dan kan ik voor ongeveer tachtig euro drie dagen lang tien servers laten draaien. En als de vraag onverwacht stijgt, kan ik instellen dat er automatisch extra servers worden toegevoegd zodra de belasting boven de 80 procent komt.
Naast flexibiliteit is dit ook economisch aantrekkelijk. Bedrijven betalen vooral operationele kosten die direct aan projecten kunnen worden toegerekend, in plaats van vooraf grote investeringen te doen in hardware en infrastructuur.
En precies daarom is afscheid nemen van de cloud makkelijker gezegd dan gedaan.
Wat kunnen we wel doen?
Eigenlijk vrij simpel: vaart maken en niet hopen dat het vanzelf goedkomt. Technisch zijn er oplossingen, zoals softwarebibliotheken die direct aangesproken kunnen worden binnen je applicatie. Hierdoor worden acties uitgevoerd zonder dat de onderliggende cloudinfrastructuur verandert. De configuratie ligt alleen in een tussenlaag, wat als voordeel heeft dat je, mocht je van cloudprovider willen wisselen, eenvoudig je configuratie kunt vervangen door die van een nieuwe hostingomgeving.
Welliswaar verlies je dan de voordelen van de hyperscaler, maar je applicaties kunnen blijven draaien. Een groot voordeel van deze strategie is dat je voorlopig gewoon in de cloud kunt blijven zonder rigoureus een grote migratie te hoeven doen. Daarnaast zijn de code-aanpassingen vaak relatief klein en in veel gevallen volledig via AI te realiseren.
Lastiger zijn applicaties die zo sterk verweven zijn met de cloud dat ze eigenlijk volledig opnieuw gebouwd moeten worden. Een voorbeeld hiervan is Salesforce (ja, die van Odido!). Dit platform combineert databases en business rules in een eigen formaat en kan niet self-hosted worden. Je kunt wel een data-extract doen, maar de applicatie zelf moet volledig herbouwd worden. In deze gevallen moeten bedrijven zorgvuldig afwegen of de investering de moeite waard is en hoe kritiek deze applicaties zijn voor de continuïteit.
En onze eigen EU Cloud dan?
Financieel is het prima haalbaar, maar tijd is de grootste tegenstander. Optimistisch gezien zou een volledig Europees hyperscale-platform er in ongeveer zes tot acht jaar kunnen staan met een investering van enkele miljarden euro’s. Kortom, ruim op tijd voor de vierde regeerperiode van Trump!
Datacenter (@Gemini-AI-impressie)
Source: Fok frontpage