„Je hebt ‘geluk’, er is een verse zeehond”, appt Lonneke IJsseldijk, bioloog bij de Universiteit Utrecht en hoofd van het Strandingsonderzoek. En, veterinair patholoog Nadiah van Eijk „wil je wel ontvangen aan de snijtafel”.
In de sectiezaal op het Veterinair Pathologisch Diagnostisch Centrum op Utrecht Science Park is alles hard, glad en makkelijk afneembaar. Op een van de verder lege roestvrijstalen tafels ligt onder de felle tl-verlichting een zacht zeehondenlijfje. „Een juveniel mannetje”, zegt Van Eijk (30), die haar promotieonderzoek doet naar de zeehond. „Mager, maar niet gewond.”
Deze gewone zeehond, ofwel Phoca vitulina, van nog geen jaar oud is gestrand op Texel en opgenomen bij Ecomare. Hij verkeerde in dusdanig slechte staat, dat ze hem direct hebben laten inslapen. „We weten dus waaraan hij gestorven is, maar niet waarom het zo slecht met hem ging. En ik kan het hem niet vragen.”
Werelderfgoedcentrum Waddenzee en Universiteit Utrecht maken zich zorgen over de zeehonden in de Waddenzee. Terwijl het aantal pups stijgt, krimpt de totale populatie. Ze verdwijnen gewoonweg. Waarom worden ze niet volwassen? Op zoek naar antwoorden bundelen de partijen daarom de krachten. Door middel van zeehondennecropsies proberen ze het mysterie te ontrafelen. Maar hoe verloopt zo’n sectie?
De zeehond op de roestvrijstalen tafel heeft een nummer gekregen: PV340. Hij is opgemeten, gefotografeerd en geïnspecteerd. De buisjes, plastic zakjes en cassettes waar stukjes van zijn lijf in zullen worden opgeslagen, liggen klaar. In een bak op de hoek van de tafel met een ontsmettende vloeistof liggen diverse scharen, lange pincetten, een groot mes, een messenslijper en een scalpel.
Vanaf zijn kin maakt Van Eijk via zijn hals, borst en buik tot aan zijn staart met halende bewegingen een diepe incisie. Huid, blubber, spier. Nadat ze de „kraakbeenovergangetjes” heeft doorgesneden, komt de ribbenkast los. Buikvlies. Dan is plots de binnenkant van de zeehond zichtbaar. Het is prachtig, een kunstwerkje van de natuur. Het ruikt naar viskraam.
„Zo”, zegt Van Eijk opgeruimd. De tong van PV340 ligt naast zijn bek, met daaraan zijn slokdarm en luchtpijp. Daaronder, wijst ze: hart, longen („ongezonde kleur, waarschijnlijk longworm”), lymfeklieren, lever, milt, nier, bijnier, maag, darmen („diarree”), testikels („links niet ingedaald”), blaas, penis.
Dan begint het ontleden. Elk orgaan eruit. Inspecteren, fotograferen, portioneren – het knippen van de luchtpijp klinkt als een geribbelde pvc-buis – verpakken, labelen, bewaren. De kluwen darm ontknopen kost de meeste tijd. „Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. Ik ontwar ze terwijl ik ze uit het dier haal.”
Grote stukken hebben bestemming vriezer. Cassettes met blokjes orgaan van nog geen halve centimeter gaan in een fixerende vloeistof. Daar worden de monsters stevig van, zodat er plakjes van drie micrometer van gesneden kunnen worden: dat zijn dan coupes, de glazen plaatjes voor onder de microscoop. Bovendien maakt dit proces het materiaal lang houdbaar. „We hebben coupes in het archief die ouder zijn dan ik.”
Laatste stap: kop los en door de zaag, uit de twee helften wordt het brein gevist. Stop de tijd. De sectie neemt krap een halve dag in beslag. „De stappen zijn routine geworden, maar elke zeehond is een nieuw verhaal.” Van Eijk rijdt een stalen ton de zaal in. Dat was het. De zeehond had pech, hij had inderdaad longworm. Zijn lijf is leeg, de koelkast vol. Doffe plof in de ton. Einde verhaal.
Hoewel: delen van PV340 blijven decennia bewaard. Van Eijk gaat op celniveau onderzoeken wat zijn overblijfselen verder vertellen. Kijken of zijn lijf antwoorden heeft op het vraagstuk rond het mysterie van zijn verdwijnende soortgenoten.
Sarah Ouwerkerk vervangt deze week Gemma Venhuizen.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin