Geschiedenis Tal van exotische dieren kwamen vanaf de zestiende eeuw in Nederland terecht. Ze werden beroemd maar hadden ook een tragisch leven.
Hans en Parkie als liefdespaar op een gravure van Jean-Pierre Houël uit 1803. De Aziatische olifanten waren in de achttiende eeuw naar Nederland gebracht.
Wolf Bram (ca. 2021-2025) werd in zijn korte leven een landelijke beroemdheid, door hoe er over hem bericht werd, en ook omdat hij een naam had gekregen. Zo werd hij een individu met een levensverhaal.
Ook in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw waren er dieren die individuele bekendheid kregen. Het levensverhaal van een paar van hen is nu gereconstrueerd in een serie artikelen in de onlangs verschenen bundel Vroegmoderne dieren in de Nederlanden.
Zo is er het bijzondere maar ook enigszins tragische verhaal van de eerste kasuaris (een anderhalve meter hoge loopvogel uit Nieuw-Guinea) die in 1597 werd meegenomen naar de Republiek (het toenmalige Nederland). Ook valt er veel te vertellen over het leven van de Aziatische olifanten Hans en Parkie, die in de achttiende eeuw naar Nederland kwamen.
Zowel de kasuaris als die beide olifanten duiken op in allerlei uiteenlopende teksten uit de tijd waarin ze leefden: reisverslagen, scheepslogboeken, persoonlijke memoires, wetenschappelijke studies. Ook werden ze afgebeeld: op tekeningen, etsen of zelfs een schilderij.
Ria Winters, historicus en kunstenares, reconstrueerde het levensverhaal van de allereerste kasuaris die naar Nederland kwam. Zijn leven begon ergens in Nieuw-Guinea en eindigde, vele jaren later, aan het keizerlijk hof in Praag.
De vogel, een mannetje, duikt voor het eerst op in de bronnen, als een paar Hollandse schepen in 1596 de Indonesische archipel aandoen, om te onderzoeken of daar handel kan worden gedreven. De schepen liggen voor anker bij Java, en er komen bootjes langszij, met daarin de lokale bevolking. Die bieden fruit aan, en een dag later een grote levende kasuaris.
Helmkasuaris („een vogel waar je niet echt vriendjes mee wordt”) in het in Leiden uitgegeven ‘Exoticum libri decem’ (1607) van Carolus Clusius.
Een van de Hollanders, Willem Lodewijcksz., beschrijft het dier in zijn reisverslag: „eenen vremden vogel […] vande grootte van een struijs [struisvogel] / hebbende eenen langen hals sonder tonge, seer cleyne oft geene vleugelen / oock geenen steert maar lange grove ende dicke voeten waer mede hy alle syne cracht doen can [gemeen kan uithalen].”
Zeer waarschijnlijk ging het om een helmkasuaris.
„Onder Aziaten was het aan elkaar schenken van exotische dieren al langer een gewoonte, een manier om vriendschappelijke banden te smeden”, zegt Ria Winters. „Naar de voorgeschiedenis van deze vogel moeten we raden. Maar het kan haast niet anders of hij is als jonge vogel vanuit Nieuw-Guinea naar Java gebracht. Tussen Nieuw-Guinea en Java werd in vogels gehandeld, vanwege hun veren, en omdat je ze op kon eten.”
„De kasuaris is een vogel waar je niet echt vriendjes mee wordt. Een gevaarlijke vogel zelfs. Elke poot heeft drie tenen, waarvan er één een dolknagel heeft. Daar vecht hij mee tegen andere kasuarissen. Hij kan er ook mensen flink mee verwonden. Er zijn zelfs dodelijke ongelukken mee geweest.”
Een wild, niet te temmen dier. Desondanks namen de Hollanders hem mee naar Europa. Hij overleefde de lange zeereis. In Amsterdam liepen de mensen uit om hem te zien. Tegen betaling.
De kasuaris werd een beroemdheid, en jaren later, in 1611, wijdt Johannes Pontanus er bijna een hele pagina aan in zijn in het Latijn geschreven geschiedenis van de stad Amsterdam. Hij beschrijft hoe de vogel in de loop der jaren van hand tot hand ging. Eerst kwam hij in het bezit van een Nederlandse graaf. Die gaf hem later aan de aartsbisschop van Keulen. En die schonk hem ten slotte aan de keizer van het Heilige Roomse Rijk, Rudolf II. Zo kwam het dier in steeds hogere kringen terecht – totdat het niet meer hoger kon.
Die Nederlandse graaf liet ook een portret van hem maken, een schilderij dat helaas verloren is gegaan. Wel hebben we nog een fraaie prent die op dat schilderij gebaseerd is.
Het levensverhaal van deze kasuaris vertelt natuurlijk meer over de mensenwereld dan over kasuarissen. Het gaat over handel, macht, invloed, status en prestige.
Over het dier zelf zijn een paar merkwaardige anekdotes overgeleverd. Pontanus vertelt dat het dier gloeiende kooltjes at zonder daar last van te krijgen. Een broodjeaapverhaal, denkt Ria Winters. „Later, in de zeventiende eeuw, zijn er meer van die verhalen over kasuarissen die de vreemdste dingen inslikken. Wat wel klopt: ze slikken steentjes in om moeilijk te verteren zaden in hun maag fijn te malen.”
Winters legt er in haar artikel nog wat andere kasuaris-anekdotes naast: in het fort van Batavia was er een kasuaris die de kogels opat die daar op de grond lagen. En hij poepte ze later weer uit. Een ander verhaal, over een andere kasuaris: toen ze hem loslieten begon hij, volgens de mensen die het zagen, te dansen. „Maar dat was natuurlijk geen dansen. Dat was om zich heen trappen, omdat de vogel zich bedreigd voelde. Zo zie je maar: als een mens naar een dier kijkt, heeft hij de neiging om het op een menselijke manier te interpreteren.”
Voor de kasuaris zelf moeten al die avonturen op Java en in Europa niet erg leuk geweest zijn. Winters: „Het is eigenlijk schrijnend, zo’n mooie, sterke vogel in gevangenschap.”
Op Nieuw-Guinea zelf werd er subtieler mee omgegaan. „Kasuarissen stonden symbool voor de wilde natuur en werden met eerbied behandeld. Ze mochten meestal niet als huisdier gehouden worden, en alleen volgens strikte regels, en met inachtneming van bepaalde rituelen, bejaagd en gedood worden.”
Zodra het dier buiten zijn leefgebied terechtkwam, was hij overgeleverd aan de grillen van Javanen en Europeanen. Zijn levensverhaal is daarmee ook een stukje koloniale geschiedenis.
Ook de olifanten Hans (1784-1802) en Parkie (1784-1816), geboren op Ceylon (tegenwoordig Sri Lanka) en opgegroeid in Nederland, om ten slotte echte beroemdheden te worden in Parijs, hebben allerlei sporen nagelaten in de archieven. Hun levensverhaal werd gereconstrueerd door Anneke Groen, conservator bij de Wageningen Universiteit, en Jeroen Bos van de Vrije Universiteit, gespecialiseerd in de geschiedenis van de VOC.
„Er is over die twee olifanten al veel geschreven”, zegt Groen. „Maar dat is allemaal vrij anekdotisch, en met de nodige broodjeaapverhalen. En heel erg vanuit menselijk perspectief. Niet: hoe zal het voor die olifanten geweest zijn?”
Toen Hollanders van de VOC in 1785 op Ceylon verbleven werd er, ter ere van hun aanwezigheid, een grootschalige olifantenjacht georganiseerd. De marineofficier Dirk Hendrik Kolff beschrijft die drijfjacht in zijn Korte aantekeningen van het merkswaardigste in mijn leeven voorgevallen. De jacht duurde drie dagen en er waren een paar honderd mensen bij betrokken, die de olifanten „met ijselijk gehuyl en lossen der geweeren” in een groot met palen omheind terrein dreven, een soort fuik waarin ze gevangen werden.
De Hollanders besloten om uit de vangst twee nog heel jonge olifantjes mee te nemen naar Holland, om ze cadeau te doen aan de stadhouder, Willem V.
Kolff vertelt hoe hij onderweg bevriend raakte met de olifantjes. Vooral met het vrouwtje: „Ik had hem [lees: haar] gewend uyt mijn sak of een stuk brood of vrugten te halen met zijn tromp [slurf], die dan om mij sloeg en liefkoosde.”
De stadhouder hield ze tien jaar, eerst in Den Haag, daarna in Apeldoorn (het Loo). Allerlei hooggeplaatsten konden daar komen kijken.
In 1795 vielen Franse troepen Nederland binnen, de stadhouder vluchtte naar Engeland. Hans en Parkie werden een jaar later, als oorlogsbuit, naar Parijs meegenomen, op een kar die speciaal voor hen was gemaakt.
„De Fransen hebben uit Nederland heel veel wetenschappelijke collecties meegenomen”, legt Groen uit. „Dat was een onderdeel van de oorlogsbuit. Frankrijk wilde suprematie op het gebied van de wetenschap, en dus werd al het wetenschappelijke materiaal meegenomen.” Waaronder de beide olifanten.
In Parijs heeft Jean-Pierre Houël ze uitvoerig bestudeerd, wat een heleboel aantekeningen opleverde, en ook tekeningen en zelfs een serie geïdealiseerde gravures, waarop de olifanten in een geromantiseerde, exotische setting zijn afgebeeld.
Een van die gravures toont hoe ze paren: in de missionarishouding. Een dichterlijke fantasie van de kunstenaar, want die houding is voor olifanten onmogelijk. Groen denkt dat Houël, die de dieren langdurig en goed geobserveerd had, dat waarschijnlijk ook wel wist, maar misschien vond hij het commercieel aantrekkelijk om ze zo af te beelden voor het bredere publiek. Er is, eveneens van de hand van Houël, ook een realistische erotische olifantentekening overgeleverd, waarop Hans zich achter Parkie bevindt en haar lijkt te willen gaan bestijgen.
„Men had de neiging om die dieren menselijke eigenschappen toe te dichten. Ze werden als een romantisch paar gezien. Terwijl dat helemaal niet is hoe olifanten met elkaar leven. Olifanten zijn niet monogaam, en ze leven niet in paren, maar in kuddes.”
Hoe ze tot geslachtsgemeenschap moeten komen – wat voor olifanten een ingewikkelde operatie schijnt te zijn – leren jonge olifanten door het af te kijken van oudere soortgenoten in de kudde.
Zeer waarschijnlijk hebben Hans en Parkie nooit echt met elkaar gepaard, denkt Anneke Groen. Ze wisten gewoon niet hoe dat moest.
In Parijs deed men ook ‘wetenschappelijke’ experimenten met de twee. Er werd door zestien professionele muzikanten een concert voor ze gegeven, om te zien hoe ze op muziek reageerden. En ook in de hoop dat ze daardoor in een romantische stemming zouden komen en met elkaar zouden paren. Wat niet gebeurde.
Hans stierf in 1802. Parkie in 1816. „In olifantentermen gezien zijn ze helemaal niet zo oud geworden”, zegt Anneke Groen. Allebei zijn ze, na hun overlijden, ontleed, beschreven en opgezet.
In opgezette vorm werden ze met veel succes in Parijs tentoongesteld. Later, toen er minder belangstelling was voor opgezette dieren, is Hans in een regionaal museum in de stad Bourges terechtgekomen. Parkie bleef in Parijs, ze kwam terecht in een depot. „Ze verdwenen in de anonimiteit”, zegt Groen. Op gegeven moment wist niemand meer dat deze opgezette dieren ooit beroemd waren geweest.
Pas kort geleden is hun identiteit opnieuw vastgesteld. Eerst bij Hans, aan de hand van een publicatie over hoe hij indertijd was opgezet. De (zeer uitzonderlijke) porseleinen ogen die hij als opgezette olifant had gekregen, speelden een doorslaggevende rol bij het identificeren. Daarna werd ook Parkie herontdekt.
Na al die jaren werden ze weer met naam en toenaam tentoongesteld. Groen gaat kijken of ze de twee misschien tijdelijk naar Nederland kan halen. Ze vertellen immers een interessant verhaal, denkt ze. „Ze zijn meer dan alleen maar representaties van de soort. Ze zijn individuen. Ze hebben een eigen verhaal, en dat verhaal kun je heel goed verbinden met hedendaagse thema’s, zoals: hoe gaan we nu om met die dieren? We weten nu veel meer over hoe olifanten leven. Vroeger stond men er bijvoorbeeld helemaal niet bij stil dat ze normaliter in een groep leven.”
Het moet voor de dieren zelf behoorlijk zwaar zijn geweest. „Ze zijn op heel jonge leeftijd van de kudde gescheiden. Dat moet traumatisch zijn geweest. En dan al dat getransporteer, naar Europa, door Europa, op een schip, op een boot, op een kar. Dat is voor zulke dieren echt geen pretje.”
Van de leeuw die Rembrandt rond 1649 tekende is geen levensverhaal bekend. En toch wordt hij in die bundel over vroegmoderne dieren uitgebreid behandeld, door kunsthistoricus Dorien Tamis.
Het gaat hier niet om de tekening van een jonge leeuw waar kort geleden zoveel over te doen was, omdat hij op een veiling voor twaalf miljoen verkocht werd. Nee, dit is een (eigenlijk veel mooiere) tekening die in het Louvre bewaard wordt: van een volwassen mannetje.
„Wat nieuw was in de tijd van Rembrandt”, legt Tamis uit, „was dat men dieren ‘naar het leven’ wilde afbeelden. Dus niet meer als een symbool van iets, zoals daarvoor het geval was. Maar gewoon realistisch. Rembrandt was een van de weinigen die nog een stap verder gingen. Althans in deze tekening. Hij beeldt deze leeuw af als een individu, en dat is uniek voor die tijd.”
Tamis vindt het „een heel sprekende tekening”. „Wat vooral opvalt: hoe die leeuw kijkt. Als je voorheen door Artis liep, toen ze daar nog van die kleine hokken hadden, zag je ze daar ook vaak kijken met die typische, rancuneuze blik. Je zag dat ze daar niet wilden zitten. Een kat in een mandje bij de dierenarts kijkt ook zo.”
Rembrandt kon observeren als geen ander, vindt Tamis. „Hij laat die leeuw in een bepaalde stemming zien. Zo ongelofelijk knap. Dat komt dicht in de buurt van hoe wij, tegenwoordig, zo’n dier willen zien. Als een individu.”
De leeuw die Rembrandt rond 1649 tekende.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin