Er is veel wat onder je huid kruipt in het door Rebecca Frecknall geregisseerd toneelstuk A Streetcar Named Desire. De grote verdienste is dat Frecknall nieuwe, eigentijdse perspectieven heeft gevonden in het klassiek geworden toneelstuk.
is chef-kunst van de Volkskrant. Ze schrijft over toneel, film, series en popcultuur.
Ze is een wanhopige fantast, Blanche DuBois; ze speelt een rol om niet uit elkaar te vallen. In die rol is ze nog altijd rijk, heeft ze niet al haar bezittingen verspeeld. Ze is kuis, terwijl ze de ene na de andere man verslijt. En ze is verfijnd, moreel verheven boven de rest, en vooral boven een bepaalde, onbehouwen mannensoort.
Dat alles speelt ze. Wat ze wel is, is razend intelligent. Ambitieus, getalenteerd, belezen, gevat, en ernstig getraumatiseerd. Dit alles in een omgeving waarin daar geen enkele ruimte voor bestaat. Dat maakt haar ook gefrustreerd, verongelijkt, zelfzuchtig, schreeuwend eenzaam. En diep, diep tragisch.
Ik ken haar wel, dat type leuke, getroebleerde vrouw. En het was pas in Rebecca Frecknalls regie van A Streetcar Named Desire (Tennessee Williams, 1947), dat ik Blanche als zodanig herkende. Dat ze zo eigentijds voelde, zo dichtbij. Dat is de grote verdienste van Frecknalls versie bij het Internationaal Theater Amsterdam, en de verbluffende vertolking van Hannah Hoekstra als Blanche. Dit is een onderzoek naar de vernielde vrouwenziel, en het systeem dat dat veroorzaakt.
In A Streetcar Named Desire neemt de verarmde ‘southern belle’ Blanche na een reeks ontwrichtende tegenslagen haar intrek in het sjofele appartement van haar zus Stella (June Yanez) en zwager Stanley Kowalski (Minne Koole).
Al bij aankomst is Blanche gespannen als een veer. Hoekstra speelt haar gejaagd en kortademig, haar energie komt uit haar tenen. Ze ratelt, grapt, vleit, sneert, slijmt en bekritiseert. Blanche vreest overal afwijzing en gevaar, en dus flirt ze, of vecht ze. Als verleiding niet werkt, slaat ze verbaal om zich heen. En ondertussen blijft ze hunkeren naar liefde.
Als Blanche bij de Kowalski’s aankomt is ze een inzinking nabij, en aan het eind van haar verblijf is die een feit, mede door haar aanvaringen met de explosieve Stanley – het soort man dat zijn vrouw slaat omdat ze slimmer is dan hij. Minne Koole speelt hem luid en grof, met een gevaarlijk zweempje charme en tragiek.
June Yanez staat als Stella stoer en waardig tussen hen in. Mooi ingetogen vertolkt zij de gespletenheid, het zelfbedrog, het stockholmsyndroom van Stella. Ze is sterker dan Blanche, maar ook zij is een vrouw in de val.
Op een speelvloer als een boksring, gehuld in somber, stoffig licht, bouwt Frecknall de driehoeksverhouding uit. Steeds met de andere spelers rond het toneel, als meeluisterende buren, veroordelende omstanders, een dreigende meute. Terwijl Stella zich over Blanche ontfermt, zint Stanley op haar val, uit wraak voor haar onverholen minachting. Even dient de hoop zich aan in de vorm van de vriendelijke kennis Mitch (een innemende Sanne den Hartogh), maar Stanley saboteert rücksichtslos hun voorzichtige romance. Hierna glijdt Blanche verder weg in het duister.
Haar rusteloze zenuwen worden voortdurend indringend onderstreept door de explosieve drums van Tom Penn, die op een stelling hoog boven de kale speelvloer uittorent. Dat is er soms wat dik bovenop, en dat geldt voor meer in deze productie.
Er is nog veel meer dat onder je huid kruipt. De sprankelende, zeer hedendaags aanvoelende bewerking van Janine Brogt bijvoorbeeld – goud in de handen van Hoekstra, die er met haar humor en dynamische tekstbehandeling – stemmetjes, imitaties, accenten – een subliem, hypnotiserend hoorspel van maakt. De snoeiharde monoloog waarin ze Stanley virtuoos vilein gelijkstelt aan de holenmens is pijnlijk, beschamend geestig, meedogenloos en adembenemend.
En opeens opent zich nog een eigentijds perspectief: de problematische kloof tussen hoger opgeleide vrouwen en de mannen die achterblijven. Zo verlegt Frecknall subtiel het accent naar de rol van klassenverschillen en kansenongelijkheid in de strijd der seksen.
Verder grijpt ze niet heel hard in op de verouderde materie. Dat hoeft ook niet, want Williams’ tekst blijkt opnieuw onverwoestbaar: empathisch, diep menselijk, psychologisch fascinerend, taalvirtuoos. Heeft Williams ons anno nu nog genoeg te vertellen? Ik zou het willen omdraaien: kunnen wij nog verstaan wat hij wil zeggen? En: wat is ervoor nodig om te zorgen dat we luisteren? Zoals Frecknall, Brogt en Hoekstra hier Williams verstaan – ik hoor het graag.
Rebecca Frecknall maakte deze voorstelling eerder op West End (2023). Het was een veelgeprezen productie met Paul Mescal als Stanley. Maar een hit op West End werkt niet vanzelf ook hier: wij hebben een experimentelere theatertraditie, en Nederlandse acteurs spelen persoonlijker en transparanter.
In onze context krijgt Frecknalls regie bij het ITA bij vlagen iets ouderwets. Iets geforceerds ook: wat de Britten met hun keurige teksttoneeltraditie zinderend en explosief kunnen vinden (dans! drums!), is in onze ogen al snel te nadrukkelijk en weinig subtiel.
Toneel
★★★★☆
Van Tennessee Williams (bewerking Janine Brogt), door Internationaal Theater Amsterdam. Regie: Rebecca Frecknall. Ook met Maria Kraakman, Felix Schellekens, Sara Afiba, Adhem Kouta
8/3, Internationaal Theater Amsterdam, t/m 22/3.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant