Toneel Wat heeft ‘A Streetcar Named Desire’ het publiek in 2026 nog te vertellen? Bij de nieuwe productie van ITA is moeilijk uit te maken wat de regie van Rebecca Frecknall beoogt.
‘A Streetcar Named Desire’ bij ITA.
A Streetcar Named Desire door ITA. Tekst: Tennessee Williams. Vertaling: Janine Brogt. Regie: Rebecca Frecknall. Gezien: 8 maart in Internationaal Theater Amsterdam. Te zien t/m 22/3. Info: ita.nl
De droevige premisse van A Streetcar Named Desire, Tennessee Williams’ beroemde toneelstuk uit 1947, is dat voor een vrouw enkel een geslaagd leven zou zijn weggelegd wanneer ze het voor elkaar krijgt te worden geliefd, of gedoogd, of desnoods getiranniseerd, door een man. Niet dat Williams daar geen kritiek op had; hij gaf zijn broze, hardnekkig hoopvolle vrouwelijke hoofdpersonage (Blanche DuBois heet ze) met veel compassie vorm. Maar dat maakt het universum dat hij voor haar en haar medepersonages schiep er niet minder meedogenloos om. Op 8 maart, Internationale Vrouwendag, ging in ITA een nieuwe adaptatie van het stuk in première.
Althans, nieuw: regisseur Rebecca Frecknall regisseerde het stuk eerder met veel succes voor het Londense Almeida Theatre (de productie werd hernomen op West End en was goed voor maar liefst drie Laurence Olivier Awards), en maakte nu met het ITA-ensemble een ‘remake’ van haar eigen enscenering.
Je vliegt bijna van je stoel bij aanvang van de voorstelling, als drummer Tom Penn, uit het niets, met volle spierkracht op zijn trommels en bekkens ramt. Deze niet al te subtiele representatie van dreiging en geweld blijft tijdens de voorstelling meermaals voor schrikeffecten zorgen.
Subtiliteit is sowieso niet echt Frecknalls ding. In haar enscenering is Blanches onbehouwen zwager Stanley (Minne Koole) voornamelijk aan het schreeuwen en met spullen aan het smijten, vaak ook nog door Penns drumgeweld begeleid. Zijn bovenburen (Adhem Kouta en Maria Kraakman, die zelf in 2012 de hoofdrol voor haar rekening nam in Marcus Azzini’s versie van het stuk) dienen voornamelijk als luid, karikaturaal verlengstuk van zijn primitieve karakter. Als beesten, kromgebogen, sluipen ze in illustratieve bewegingssequenties op de weerloze Blanche af.
Blanche zelf (Hannah Hoekstra), aanvankelijk nog prettig aards en zelfbewust, zij het wat neurotisch, illustreert haar groeiende wanhoop gaandeweg met steeds huileriger dictie; zinnen doorsneden met korte ademstoten, alsof ze elk moment kan gaan hyperventileren. Een gestorven geliefde (Felix Schellekens) maakt bij tijd en wijle een ernstig rondje om het speelvlak (niet vergeten: deze vrouw rouwt!). Soms komt, alsof dat nog niet duidelijk genoeg was, het water (verdriet!) daarbij plots met bakken uit het grid gesproeid.
En toch, ondanks die neiging de onderliggende ‘bedoeling’ van de tekst ostentatief voor ons uit te spellen, is het moeilijk uit te maken wat Frecknall precies beoogt met deze regie. Wat heeft dit noodlottige verhaal, over een vrouw die bij haar zus en zwager komt logeren en aldaar, met de moed der wanhoop, een laatste vergeefse poging doet om ‘aan de man’ te komen, een publiek in 2026 te vertellen?
Niet dat het gedateerd zou zijn, natuurlijk, een vrouw die haar eigenwaarde afmeet aan de mate waarin mannen seksueel in haar geïnteresseerd zijn. Die rond haar dertigste verwoed de lichten begint te dimmen, om de rimpeltjes die zich in haar gezicht hebben gevormd te maskeren. Of die om de zoveel tijd gelaten een klap incasseert, omdat een gewelddadige partner haar, in haar ogen, nog altijd meer veiligheid biedt dan géén partner. Je zou ze de kost moeten geven.
Ook de manier waarop de mannen elkaar bespotten, wanneer ze het lef hebben iets van kwetsbaarheid te tonen; de dubbele standaard, waarbij het aantal bedpartners voor mannen als trofee en voor vrouwen als smet geldt; homofobie; alcohol en seks als middelen om verdriet te verdoven – natúúrlijk bevindt zich dat universum, door Williams in 1947 opgetekend, helemaal niet zo ver weg van het onze. De vraag is misschien: is dit een wereldbeeld dat je een hedendaags publiek, zonder commentaar, wilt tonen? Het is een vraag die me ook bezighield na het zien van Frecknalls vorige regie voor ITA, Julie, waarin het net als hier alleen de romantische liefde was die de hoofdpersonages leek te kunnen redden.
Zouden we inmiddels, vraag ik me af, niet zo ver moeten zijn dat vrouwelijke personages zich tenminste kunnen vóórstellen dat er een scenario bestaat waarin hun leven los van een mannelijke partner betekenis kan hebben? Waarin ze na hun dertigste, ook in het volle licht, nog op (zelf)waardering zouden kunnen stuiten? En als je je personages dit inzicht al niet gunt, is het dan niet je verantwoordelijkheid om tenminste op metaniveau, in de regie, te laten blijken dat je eigen perspectief verder reikt dan dat van die tragische zussen DuBois? Dat een mens niet aangewezen is op fantasie, op het hooghouden van een illusie, op magie, om met opgeheven hoofd te kunnen bestaan.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden