Zonder Ann Demeulemeester, Dries Van Noten, Walter Van Beirendonck, Dirk Bikkembergs, Dirk Van Saene en Marina Yee was Antwerpen geen modestad geweest, België geen modeland. „Doordat er een tentoonstelling komt, wordt weer steeds over dat groepsgevoel gesproken, maar dat is de mythe, het verhaal.”
Van links naar rechts: Ann Demeulemeester, Dirk Van Saene, Marina Yee Dries Van Noten, Walter Van Beirendonck en Dirk Bikkembergs
De modeontwerpers Dirk Bikkembergs (67), Walter Van Beirendonck (69), Ann Demeulemeester (66), Dries Van Noten (67), Dirk Van Saene (67) en Marina Yee (in 2025 overleden op 67-jarige leeftijd) braken in 1986 gezamenlijk door op de Londense modebeurs als The Antwerp Six. Voor dit verhaal is – afzonderlijk – gesproken met Ann Demeulemeester en Dries Van Noten. En Geert Bruloot (72), die op het idee kwam om met de Zes naar de beurs in Londen te gaan en nu de curator is van de tentoonstelling die op 28 maart opent in modemuseum MoMu in Antwerpen. Walter Van Beirendonck en Dirk Van Saene zijn samen geïnterviewd. Dirk Bikkembergs was niet bereikbaar.
Walter Van Beirendonck: „Twee jaar geleden zaten we voor het eerst bij elkaar in het MoMu om over de tentoonstelling te spreken.”
Ann Demeulemeester: „Het was vreemd én vertrouwd. Ook al waren we allemaal ouder geworden, onze karakters zijn niet veranderd. Je kent elkaar zo goed.”
Walter Van Beirendonck: „Ik vond het heel aangenaam om weer met elkaar in een ruimte te zitten. Maar ook confronterend. Er komen zoveel herinneringen naar boven.”
Geert Bruloot: „Marina was het meest enthousiast over de tentoonstelling van iedereen.”
Walter Van Beirendonck: „Wij wisten niet dat Marina al ziek was.”
Ann Demeulemeester: „Ze heeft precies geweten hoe haar gedeelte van de tentoonstelling eruit ging zien, dat geeft me een goed gevoel.”
Walter Van Beirendonck: „Ik had verwacht dat we na die vergadering net als vroeger vaker bij elkaar zouden komen om te overleggen. Dat is niet gebeurd. Dat vind ik wel spijtig.”
Geert Bruloot: „Toen Eddy [Michiels, zijn man] en ik in 1984 onze schoenenwinkel, Coccodrillo, aan het inrichten waren, kwamen we in contact met Walter Van Beirendonck en Dirk Van Saene. Dirk had een winkeltje in dezelfde passage, Beauty & Heroes.”
Walter Van Beirendonck: „Met Dirk was het liefde op het eerste gezicht, al heb ik wel mijn best moeten doen. We kennen elkaar van de academie. Ik zat in hetzelfde jaar als Martin [Margiela]. Dirk zat een klas lager, met Ann, Dries, Dirk Bikkembergs en Marina. Maar we zaten allemaal in één lokaal.”
Van links naar rechts: Walter Van Beirendonck, collectie najaar 1995, speeltoestel uit door hem ontworpen indoor speelparadijs in Genk (2026), collectie najaar 2026
Dirk Van Saene: „Ik ben meteen na school maar een winkeltje begonnen. Het kwam niet in mij op de productie uit te besteden, dus ik zat zelf te stikken in de ruimte boven de winkel. Vaak was het meteen weg en dan stond er zo’n leeg rek. Ik ben na drie jaar gestopt omdat ik een fabrikant vond die mijn collectie wilde produceren.”
Geert Bruloot: „Toen Coccodrillo net open was, kwam Martin Margiela binnenwandelen: ‘Ik heb een schoenencollectie, wil je die niet verkopen?’ Ann leerde ik kennen omdat ze de schoenen van Martin kocht voor haar huwelijk.
„Omdat de winkel niet meteen goed liep, verdiende ik bij door etalages te maken. Op een dag vroeg Dries daarom of ik de scenografie kon doen voor de [Belgische modewedstrijd] Gouden Spoel. Die werd dat jaar, 1985, gewonnen door Dirk Bikkembergs. Toen ik zijn schoenen zag, zei ik: ‘Die moeten we hebben.’ Mannenschoenen waren destijds fijn en smal, maar die van hem waren chunky, legerschoenen bijna. Hij vond een fabrikant die schoenen voor de rijkswacht en dansschoenen maakte, en de markt dus niet kende. Die wilde ze alleen produceren als ik ze zou distribueren. Ik heb een jaar geleurd met die schoenen in België en Nederland, maar telkens als ik in een winkel die doos opende, kwam er alleen maar afkeer. Terwijl ze bij ons goed verkochten. Ik vond één andere winkel, Shoebaloo in Amsterdam. Dus zei ik: ‘Dirk, laten we naar Londen gaan.’ Dat was het centrum van een nieuwe mode, mode die aan muziek gelinkt was. Malcolm McLaren en Vivienne Westwood, bijvoorbeeld, die samen punk hadden gecreëerd. Ik dacht: als we naar de modebeurs in Londen gaan, moet ik ook kleren hebben, want alleen schoenen is zo plat. Ik heb eerst bij Walter aangeklopt. ’s Avonds belde Dries: ‘Waarom mag ik niet mee?’ Toen dacht ik: ze moeten alle zes mee. Martin zat al in Parijs, hij was de assistent van Jean Paul Gaultier geworden.”
Dries Van Noten: „De beurs was een evenement. Maar onze vriendschap en samenwerking zijn al ontstaan op de academie. Daar zijn we een hechte groep geworden.”
Dirk Van Saene: „Elke vrijdag aten we lasagne bij Dries. Die kwam van de traiteur, maar hij kon toen al heel goed ontvangen, altijd een mooi gedekte tafel.”
Dries Van Noten: „Daar bespraken we de weekendplannen. We hadden allemaal een andere muzieksmaak. Maar als Walter naar een concert wilde, kocht hij voor iedereen kaartjes. Of je dat nu goed vond of niet, op die manier leerde je veel.”
Ann Demeulemeester: „We gaven themafeestjes waarvoor we kostuums maakten. Iedereen was altijd aan het werken, we deden mee aan de Gouden Spoel, waren ambitieus en ernstig. Er waren veel discussies, maar dat scherpt je.”
Dries Van Noten: „Er was vanaf het begin competitie tussen ons. Competitie kan negatief zijn of constructief. In ons geval was het werkelijk heel constructief.”
Walter Van Beirendonck: „We zijn twee keer meegeweest naar Japan, in 1983 en 1985, op een soort diplomatieke reis. Daar gaven we met de collecties die we hadden gemaakt voor de Gouden Spoel shows voor de vrouwen van ambassadeurs. De laatste keer hebben we ook een show gegeven tijdens de Wereldtentoonstelling van Tsukuba.”
Dirk Van Saene: „In het publiek zaten vooral kinderen die hun lunch aan het eten waren.”
Geert Bruloot: „Ik moest twee keer terug naar Londen voor we werden toegelaten tot de beurs. Ze konden niet geloven dat er in België modeontwerpers waren. Uiteindelijk hebben ze ons op de tweede verdieping gezet, tussen de trouwjurken.”
Walter Van Beirendonck: „Bij de kneusjes.”
Ann Demeulemeester: „Van mij stond er de eerste keer alleen een kastje met een zonnebril. Ik was er niet bij omdat ik zwanger was en nog geen collectie had. Ik was al sinds mijn zestiende samen met mijn man en wilde een kind voordat ik een eigen merk begon. Ik was bang dat als dat een succes zou worden, ik nooit meer een kind zou krijgen. Als er al een kind is, past alles zich daaraan aan. En dat was ook zo, wij hebben dat met ons tweeën klaargespeeld. We hebben zelfs nooit een babysitter nodig gehad.”
Geert Bruloot: „Omdat de eerste dag niemand kwam kijken, heeft Marina een flyer gemaakt, een collage, zij was de koningin van de collages. En op de tweede dag begon de buzz: je moet naar boven, daar staat iets speciaals. Omdat ze de namen niet konden uitspreken werden we door de pers The Antwerp Six genoemd. Die naam hebben we alle vijf keer dat we op de beurs stonden gebruikt.”
Ann Demeulemeester: „Zo’n getal maakt indruk.”
Dries Van Noten: „Ann, Walter, Dirk, Dirk en ik waren jaloers op Martin en Marina, die hadden namen die je overal uit kon spreken.”
Walter Van Beirendonck: „We waren altijd bezig met: hoe komen we België uit? We hadden geen enkel voorbeeld.”
Dries Van Noten: „Op een van de dinertjes bij mij thuis hebben we het er eens over gehad of we onze namen Frans of Italiaans moesten maken. Ann zei: ‘Als ze Yohji Yamamoto kunnen uitspreken, moet het met onze namen ook wel lukken.’”
Van links naar rechts: Dries Van Noten, parfumlijn (2022), vrouwencollectie voorjaar 2014, vrouwencollectie najaar 1997, mannencollectie voorjaar 2025 (laatste collectie, geshowd in 2024)
Ann Demeulemeester: „Als je als ontwerper uit Milaan of Parijs komt, neem je een traditie mee, dan verwachten de mensen wat van je. Ik hoefde niks mee te nemen omdat België geen modeland was. Ik kon mijn eigen stijl uitvinden.”
Geert Bruloot: „Ann is een architect in stof. Die maakte vormen die anders waren, maar waar mannen en vrouwen zich toch goed in voelden. Die kon weken werken tot een mouw perfect zat. En dat bracht ze allemaal op een poëtische manier, met invloeden van kunstenaars als Man Ray en muzikanten als Patti Smith en Nick Cave.”
Ann Demeulemeester: „Doordat de tentoonstelling er komt, wordt nu weer steeds over dat groepsgevoel gesproken, maar dat is de mythe, het verhaal. Wij waren niet zes muzikanten die samen muziek maakten, wij waren geen groep. Wij waren zes individuen.”
Walter Van Beirendonck: „We waren een groep. We hielpen elkaar, we zaten samen in die trein, waren samen sterk.”
Dirk Van Saene: „We wilden alles samen doen, dat mis ik wel.”
Geert Bruloot: „Walter en Martin studeerden in 1980 af, de rest een jaar later. Behalve Dirk Bikkembergs. Hij is eerst in dienst gegaan omdat hij niet samen met de anderen wilde afstuderen.”
Dries Van Noten: „Dirk Bikkembergs heeft altijd groot gedroomd. Hij zei op school al: mijn naam moet op de lichtbak die je ziet als je aankomt op [luchthaven] Milaan Linate. Hij droomde er ook van om met zijn hoofd op de cover van L’Uomo Vogue te staan. Wij moesten daar hartelijk om lachen.”
Geert Bruloot: „Dirk Bikkembergs verkocht meteen goed op de beurs. Na het succes van die chunky schoenen ging hij over op sport. Hij was in de jaren negentig de eerste die moderne mode aan sport wist te verbinden, de eerste die fashion-sneakers maakte. Hij heeft er gigantisch veel van verkocht. Zijn impact is enorm geweest.”
Ann Demeulemeester: „Twee weken na mijn afstuderen had ik mijn eerste baan, bij [regenjassenfabrikant] Bartsons. Eerst samen met Martin, daarna nog twee jaar met Walter. Ik heb er gewerkt tot de dag voordat Victor werd geboren. Ik denk dat ik wel driehonderd jassen per jaar tekende. Van het geld kon ik mijn eerste collectie maken. Ik heb nooit meer een regenjas ontworpen.”
Walter Van Beirendonck: „Ik heb járen bij Bartsons gewerkt, met heel veel plezier. Zat Martin daar eerst ook?”
Dries Van Noten: „Al op de academie ben ik begonnen met werken voor confectiemerken. Ik ging naar [stoffenbeurzen] Première Vision in Parijs en Interstoff in Frankfurt. Ik kon de anderen uitleggen dat de modewereld niet alleen een droomwereld was, maar ook een business, en hoe die werkte.”
Geert Bruloot: „Iedereen had die eerste keer in Londen hoge verwachtingen. Maar de impact was zo groot dat ze toch heel verbaasd waren. Het was altijd Dries’ droom geweest om in [de Amerikaanse warenhuisketen] Barneys te hangen. Maar toen de inkopers in zijn stand stonden, liep hij eerst weg. Het was te veel voor hem. Dries deed mannenmode, maar omdat Barneys erom vroeg heeft hij een vertaling gemaakt voor vrouwen. Hij weet perfect hoe retail werkt. Hij is daarmee opgegroeid. Zijn grootvader was pakkenfabrikant, zijn vader had een grote modezaak met alle merken die ertoe deden.”
Walter Van Beirendonck: „Ik had hele grote handgebreide truien met teddyberen en zo erop. Heel duur, daar heb ik letterlijk één klant voor gehad. Maar het was toch fijn dat er iemand interesse had.”
Dirk Van Saene: „Ik heb wel iets verkocht, denk ik, ik weet het niet meer precies.’’
Van boven naar beneden: Installatie Zelfportret met mimosa-baard (2025), outfit uit de collectie najaar 1991, Dirk Van Saene
Ann Demeulemeester: „Ik was pas de derde keer dat we in Londen stonden erbij. Ik vond het best spannend, ik had de eerste collectie bij me die ik in productie ging brengen. Eigenlijk wilde ik naar Parijs, maar ik dacht: in Parijs mag ik geen fout maken. Daar is iedereen, dan kun je niet meer opnieuw beginnen. Londen leek minder zwaarwichtig.”
Geert Bruloot: „Na de eerste keer hadden we een normale plaats.”
Ann Demeulemeester: „Mijn man en ik zetten een rekje en een tafeltje neer, hingen foto’s op en na vijf minuten kwam er al iemand binnen die een bestelling plaatste.”
Geert Bruloot: „De vijfde keer dat we in Londen waren, hebben we een show gegeven. Dat was in 1988.”
Dries Van Noten: „Je kon er niet aan afzien dat we het gedaan hadden met goedkoop materiaal.”
Walter Van Beirendonck: „We hadden zes houten boxen gemaakt, in verschillende kleuren, en een ronde catwalk die al die boxen met elkaar verbond. Die gingen een voor een open en dan kwamen de modellen eruit. De volgende dag gebruikten we ze als showroom.”
Geert Bruloot: „Het was zo’n succes dat niemand meer om ons heen kon. Maar het was een guerrilla-show, buiten de beurs om, en daarom waren we niet meer welkom, ze hebben ons eruit gebonjourd. Daarna hebben we nog drie keer in Parijs op de beurs gestaan.”
Dries Van Noten: „Als groep hebben we dingen kunnen doen die individueel niet mogelijk waren. Die show, belangrijke journalisten naar Antwerpen krijgen. Maar we wilden allemaal steeds meer ons eigen ding doen.”
Walter Van Beirendonck: „Dirk Bikkembergs was er niet meer bij in Parijs, die had in Le Marais zijn eigen showroom.”
Geert Bruloot: „Dries is het seizoen daarna afgehaakt. Hij had zo’n succes dat hij een grotere showroom nodig had. Sinds Parijs heeft niemand van ons die mythe van de Zes nog gevoed. Maar die is toch door blijven leven.”
Walter Van Beirendonck: „Dirk [Van Saene] was in 1990 de eerste die een modeshow gaf in Parijs, iedereen kwam helpen. Mijn eerste echte Walter van Beirendonck-show was in 1993, in Antwerpen. Ik was de laatste, denk ik – Marina heeft nooit geshowd.”
Dirk Van Saene: „Marina was onzeker en verlegen. De onzekerste van ons allemaal.”
Dries Van Noten: „Marina is altijd een beetje meer op de achtergrond gebleven, misschien ook omdat ze niet het grote commerciële succes heeft gehad. Maar ze had een belangrijke rol. Zij was zo onconventioneel, daarmee heeft ze veel betekend voor de ziel van de Zes.”
Van links naar rechts: Marina Yee, outfit van Yees eigen merk Marie (collectie voorjaar 1988), collage van Yee en een op haar schetsen gebaseerd jasje in de Parijse showroom van het merk Marina Yee (januari 2026), Microboekje dat Yee maakte voor haar presentatie in de winkel Laila in Tokio (2018)
Dirk Van Saene: „Na drie shows ben ik even gestopt om geld te verdienen, bij Bartsons, eerst nog even met Walter. Bartsons werd later opgekocht door Scapa en daar heb ik ook voor gewerkt. In 1995 ben ik teruggekomen met een kleine collectie, zonder show.”
Geert Bruloot: „Dirk Van Saene was iemand met een scherpe neus voor trends. Voor grunge kwam, had hij al grunge. En dan had hij alweer door dat luxe eraan kwam en maakte hij dat. Ik heb het verkocht in Louis [Bruloots designerboetiek in Antwerpen], maar door die verschillende stijlen was het moeilijk, want om de drie seizoenen moest je een nieuwe clientèle vinden.”
Dries Van Noten: „Na het succes van de Zes van Antwerpen hebben anderen het geprobeerd als De Vijf van Brussel, Le Cri Néerlandais, de Zeven van weer ergens anders. Alsof het een formule was. De Zes was spontaan ontstaan en kon daarom niet herhaald worden. Inmiddels is de modewereld totaal anders, het hangt niet meer aan een land. Bij ons op kantoor in Antwerpen zitten heel veel nationaliteiten, de voertaal is al meer dan twintig jaar Engels.”
Walter Van Beirendonck: „Na ons is de academie geïnternationaliseerd. Dat kwam ook door ons succes.”
Dries Van Noten: „Ik zou het jammer vinden als we door deze tentoonstelling weer opnieuw zouden worden bestempeld als de Zes. Maar ik denk dat het een mooi verhaal is om te vertellen aan jonge mensen. Om ze te laten zien dat je moet durven springen. Maar ik snap dat ze nu bangelijker zijn. Wij hadden nog de mogelijkheid om te leren, konden kleine stapjes zetten. Als je nu met iets naar buiten komt, kan de hele wereld meteen commentaar leveren.”
Dirk Van Saene: „Studenten hebben niet meer de ambitie om een eigen merk te beginnen. Ze willen bij een groot modehuis werken.”
Walter Van Beirendonck: „Ik denk dat Dries de grootste is geworden van ons.”
Dries Van Noten: „Ik ben altijd blijven relativeren, dat is denk ik ook een beetje de Belgische mentaliteit – in Antwerpen loop ik relatief anoniem over straat. In Tokio en New York word ik opeens overal herkend. Maar dat we België op de modekaart hebben gezet, dat Antwerpen een modestad is, daar ben ik wel trots op.”
Geert Bruloot: „Je kunt Dries niet vergelijken met Armani of Valentino, maar hij is erin geslaagd een baken van standvastigheid te worden in de moderne modegeschiedenis. Een jaar of vijftien geleden heeft hij echt zijn signatuur gevonden. Prints, kleur, artisanale stoffen, gelaagdheid en uitzonderlijke shows.”
Ann Demeulemeester: „Na mijn eerste modeshow in 1991 speelde de Zes geen rol meer in mijn leven. Met sommigen heb ik contact gehouden, met anderen niet.”
Van links naar rechts: Ann Demeulemeester, borden voor Serax (2019), haar laatste collectie (vrouwen, voorjaar 2014, geshowd in 2013), collectie voorjaar 1990
Dirk Van Saene: „In 1993 was Antwerpen de culturele hoofdstad van Europa. Alle modeontwerpers kregen geld om een project mee te doen. Walter gaf zijn eerste show, ik heb twee magazines gemaakt, Bambi en Lux. In Bambi stond een [satirisch] stripverhaal over Ann in collagevorm. Ik ben pas later gaan beseffen dat dat eigenlijk wel stout was.”
Ann Demeulemeester: „Ik wil er niet meer over praten.”
Dirk Van Saene: „Het was de bedoeling om over alle zes zoiets te maken, maar dat is er niet meer van gekomen. We hebben elkaar twintig jaar niet gesproken, daar heb ik nu wel spijt van. Ik geloof dat we op een etentje van Dries weer voor het eerst hebben gepraat.”
Dries Van Noten: „Walter en Dirk waren verbonden aan de modeafdeling van de academie in Antwerpen, dus als ik daar een talk deed of iets anders, dan kwamen we elkaar tegen.”
Ann Demeulemeester: „Dries en ik houden allebei van tuinen, dus dan is het zo van: ‘Ik heb een mooie tuin gezien, ga je mee kijken?’ Marina kon heel goed tekenen, en ik deed dat ook graag, dus op school voelde ik me verwant met haar. Nadat ze begin jaren negentig naar Brussel verhuisde, verloor ik haar uit het oog. Maar opeens stond ze, dat is toch zeker vijftien jaar geleden, voor mijn deur met Dirk Bikkembergs: ‘Ik wilde je nog eens zien.’ Daarna hebben we elkaar nog af en toe gezien en gebeld. Toen ze in het ziekenhuis lag, heb ik haar opgezocht. Het is zo mooi dat ze tot het laatst 100 procent Marina is gebleven.”
Van boven naar beneden: Schoen uit de collectie najaar 1988, elf Europese voetballers in Bikkembergs (2008), Dirk Bikkembergs (een foto uit 2013)
Walter Van Beirendonck: „Als Dirk Bikkembergs in Antwerpen was gingen we met z’n drieën eten. We keken ook altijd samen naar het Songfestival.”
Dirk Van Saene: „Alles werd besproken, dat was gieren. Sinds hij twee jaar geleden in Zuid-Afrika is gaan wonen, hebben we minder contact. Hij is zich een beetje aan het afzonderen. Maar we krijgen nog steeds foto’s van zijn voeten, hij ligt altijd ergens op een strand.”
Geert Bruloot: „Toen Dirk Bikkembergs in 2011 stopte, zei hij tegen mij: ‘Ik heb de sleutel afgegeven, me omgedraaid en nooit meer omgekeken.’ Hij had het gehad. Hij had 25 jaar lang, zeven dagen per week van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat gewerkt. Vakantie bestond niet.”
Dirk Van Saene: „Er waren problemen met de fiscus, hij zou belasting hebben ontdoken. Later is dat onderzocht en bleek het niet waar te zijn. Maar toen had hij zijn bedrijf al verkocht.”
Ann Demeulemeester: „Mode slokt elke dag, ieder uur op. Op een gegeven moment dacht ik: ik heb zoveel gegeven, nu wil ik nog iets anders doen. In 2013 heb ik mijn vertrek aangekondigd, ik heb geen afscheidsshow meer gedaan. Ik ben op het platteland gaan wonen en ben me gaan verdiepen in porselein. Ik blijf een ontwerper.”
Dirk Van Saene: „Ik voelde al een tijd dat ik eigenlijk iets anders wilde doen. Als je independent bent, moet je altijd opboksen tegen al die grote huizen. In 2009 ben ik de avondopleiding keramiek aan de academie in Antwerpen gaan doen, en in 2019 vroeg Sofie Van de Velde of ik iets wilde doen in haar galerie. Ik heb dat opzij geschoven, maar toen kwam corona, het perfecte moment om te stoppen met mode en te switchen naar keramiek: ik had geen zin om alles online te doen.”
Ann Demeulemeester: „In 2020 is mijn modemerk verkocht aan een Italiaans bedrijf, Antonioli. In het begin hadden ze moeite de juiste mensen te vinden. Maar het gaat steeds beter. Er zit nu een jong team. Ann Demeulemeester is een vijver en daar zijn jonge vissen in gegooid. Die moeten nu zwemmen. Ze maken misschien fouten, maar ze zijn enthousiast. Ik ben zijdelings betrokken: als ze iets willen weten, kunnen ze mij dat vragen. Maar ik bemoei me niet met de collecties. Als ik daaraan begin, doe ik het direct weer zelf.”
Dries Van Noten: „De laatste show [in 2024] was emotioneel, maar ook een bevrijding. Mode is zo dwingend. Patrick [Vangheluwe, zijn man] en ik zijn nog steeds verantwoordelijk voor de beautylijn, en we komen minstens twee keer per maand langs om te kijken hoe het loopt met de mode. Dus we hebben nog contact, dat is fijn.”
Ann Demeulemeester: „Het heeft een paar jaar geduurd voordat ik het modemerk Ann Demeulemeester los kon zien van Ann Demeulemeester, de vrouw. Het was zo persoonlijk. Dat de naam nu ook aan servies en meubels is gelinkt, helpt.”
Dries Van Noten: „Vlak voor ik zestig werd ben ik gaan evalueren of er genoeg bagage was om het huis Dries Van Noten met een andere creative director te kunnen voortzetten, daarna zijn we een koper gaan zoeken en dat werd Puig. Je weet dat ik altijd graag bezig ben in mijn tuin, maar ik zou het vreselijk vinden als bomen en plantjes nog het enige zouden zijn in mijn leven. Door het succes van het modehuis hebben Patrick en ik veel kunnen doen, dus het is fijn om iets terug te geven. Zo kwamen we op het idee om een fondation voor craftsmanship op te zetten. Nadat we een keer bij vrienden in Venetië hadden gelogeerd, wisten we dat we daar iets gingen doen: er is veel jeugd, veel creativiteit, ik heb het gevoel dat er iets aan het bubbelen is. We zijn op zoek gegaan naar een pand en hebben Palazzo Pisani Moretta gevonden. Binnenkort gaat het gedeeltelijk open.”
Dirk Van Saene: „Het was gemakkelijker geweest als Walter en ik wat meer geld hadden gehad. Maar dat is alles. Ik ben nooit jaloers geweest. Ik hoef niet rijk te zijn.”
Geert Bruloot: „Walter is een niche-ontwerper. Maar een fantastische modeontwerper. Het lijkt soms streetwear wat hij maakt, maar van dichtbij zie je hoe prachtig het is gemaakt. Die fantasy world – kiss the future, shoot the stars, shoot the moon – zit er vanaf het begin in. Hij voelt wat er leeft bij jonge mensen en is enorm geëngageerd. Je ziet weleens jazzmuzikanten die op hun negentigste hun beste muziek maken. Zo zie ik Walter.”
Walter Van Beirendonck: „Het wordt nu wel zwaar. We worden ouder, hè. Maar ik zie me mijn bedrijf niet verkopen. Ik heb mezelf altijd op de voorgrond gezet, ik denk niet dat iemand anders het kan voortzetten.”