‘Denk je dat ze slim is?’, vraagt mijn vriend. We zitten aan de keukentafel. ‘Ze’ is onze vijfjarige dochter, die inmiddels op bed ligt. Vandaag heeft ze haar rapport meegekregen. Ik haal mijn schouders op. De vraag was ook bij mij opgekomen, maar ik had hem niet durven uitspreken uit vrees zo’n schaamteloze ouder te zijn die haar kind uitzonderlijke talenten toedicht.
Mijn aversie tegen deze types begon tijdens rondleidingen op basisscholen, waar het vragenrondje standaard werd afgetrapt met een vraag over speciale begeleiding voor hoogbegaafde kinderen. Wellicht een hoofdstedelijk fenomeen? Hoe dan ook had ik ter plekke besloten dat ‘die van ons’ normaal is. En zo niet, dan zou dat wel blijken.
Niet uit het schoolrapport in ieder geval, want daarin werd niet van slim gerept. Met een goede reden. Slim veronderstelt namelijk ook zijn tegendeel: dom. Dit doet me denken aan mijn basisschoolleraar van groep zes die onze klas op een dag indeelde in sneltreinen (slim) en TGV’s (nog slimmer), en mij, om redenen die nooit zijn opgehelderd, ten overstaan van de hele klas in een buitencategorie plaatste: die van stoptrein (dom!).
Annemarije Hagen is essayist en docent politics, psychology, law & economics aan de Universiteit van Amsterdam. In de maand maart is zij gastcolumnist op volkskrant.nl/opinie.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier meer over ons beleid.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Hoezeer het slim-dom-duo tegenwoordig uit het onderwijs wordt gemeden, werd me duidelijk toen ik, na meer dan tien jaar lesgeven, mijn Basis Kwalificatie Onderwijs moest halen. Tijdens de eerste les werd ons door de cursusleider op het hart gedrukt dat er geen slimme en domme studenten bestonden. Als studenten niet hielden van het lezen van teksten, dan was het aan ons om ze op een andere manier te prikkelen. De suggestie dat iemand die geen teksten leest, misschien niet op de universiteit thuishoort, was er een die ik in deze anti-elitaire safe space niet hardop durfde uit te spreken.
Het is opvallend dat terwijl ‘slim’ binnen het onderwijs tot ongemak leidt, de term daarbuiten juist gretig wordt omarmd. Zo krijg ik, sinds ik begin dit jaar van zorgverzekeraar ben overgestapt, regelmatig oproepen van een vergelijkingswebsite om slim te besparen. Ook verschijnen er talloze artikelen die uitleggen hoe je het leven een beetje slim aanpakt, door bijvoorbeeld te wijzen op de kansen die onze geliberaliseerde energiemarkt biedt.
We moeten het slim aanpakken dus. Of beter nog: het slim spelen. Het leven is immers een soort bordspel, waarbij het zaak is om je eigen pion strategisch over het speelveld te bewegen. Dat ‘slim’ in deze betekenis is ontdaan van zijn ongemakkelijke connotatie, suggereert dat kansen – in tegenstelling tot cognitieve vermogens – wél eerlijk zijn verdeeld, of in ieder geval in principe voor iedereen voor het oprapen liggen.
Onzin natuurlijk. Daarmee worden structurele ongelijkheden, maar ook omstandigheden als pech of geluk weggewuifd. Niet iedereen gooit alleen maar zessen en ook niet iedereen was bij machte om in ‘de goede tijd’ een huis te kopen en daarmee tien stappen vooruit te zetten (of laten we eerlijk zijn: gelijk te finishen). Dit maakt ‘slim’ tot een zelffeliciterend begrip voor de maatschappelijke winnaars.
Dat dit vervelend uitpakt voor degenen die zich niet onder deze noemer kunnen scharen, is krachtig verwoord door onderzoeker en armoede-expert Tim ’S Jongers in een interview in deze krant: ‘Onder veel beleid zit de gedachte: ik ben nooit arm geweest, maar was ik arm, dan deed ik het tien keer beter dan jij.’ Complexe structurele problematiek wordt hier platgeslagen tot een kwestie van het slim aanpakken. Bovendien hoeft het bordspel niet al te netjes gespeeld te worden. Het is weliswaar niet slim om al te opzichtig vals te spelen, maar wel om ergens mee weg te komen: in een krappe woningmarkt mensen tegen zichzelf laten opbieden, via de mazen van de wet een fiscaal voordeel behalen, of voor de waaghalzen, via een schimmige constructie uit de publieke ruif vreten. Allemaal niet fraai, maar wel slim.
Als diagnose van iemands cognitieve vermogens roept ‘slim’ ongemak op, want deze vermogens zijn nu eenmaal ongelijk verdeeld. En ongelijkheid vinden we ongemakkelijk, tenzij het de uitkomst is van iemands keuze, want dan is het gewoon eigen schuld. Doen alsof iedereen gelijke kansen heeft en slechts hoeft te besluiten het ‘slim’ aan te pakken, is dan ook uitsluitend een poging om van het ongemak af te komen. Terwijl dat ongemak ons juist zou moeten laten nadenken over eerlijke spelregels.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns