Home

Dit is de beste modeopleiding van dit moment. ‘Wij háten storytelling’

Opvallend veel beroemde modeontwerpers zijn opgeleid aan La Cambre in Brussel. Wat maakt de school zo goed?

Tony Delcampe, hoofd van La Cambre Mode(s) in Brussel

De muren van de lift zitten onder de graffiti, half weggekrabde stickers en aanplakbiljetten van evenementen die maanden geleden hebben plaatsgevonden. Als op de tweede verdieping mensen uitstappen, valt het licht even uit. De deuren gaan weer open bij de vijfde verdieping: de modeafdeling. Via een gang die van vloer tot plafond beplakt is met modefoto’s, kom je uit bij een sober lokaal met een rij naaimachines, paspoppen en kniptafels. Stukken stof en patroonpapier steken slordig uit een vakjeskast. Op de grond een stapel lege jerrycans waarin gedestilleerd water voor strijkijzers heeft gezeten.

Je zou niet meteen zeggen dat dit de school is waar de succesvolste modeontwerpers van nu aan gestudeerd hebben. Maar Matthieu Blazy, die afgelopen oktober zijn debuut maakte als creatief directeur van Chanel en daarvoor aan het roer stond bij Bottega Veneta, behaalde er in 2007 toch echt zijn diploma. Net als Anthony Vaccarello (afgestudeerd in 2006), al tien jaar hoofdontwerper bij Yves Saint Laurent. En Julian Klausner (2016) die sinds 2024 de opvolger van Dries Van Noten is. Ook de creatief directeurs van Franse modehuizen als Paco Rabanne (2007) en Courrèges (2008) studeerden hier af. En dan zijn er nog alumni als Marine Serre (2017), Marie Adam-Leenaerdt (2020) en de naamgever van plus-sizemerk Ester Manas (2017), die voor zichzelf begonnen en hun collecties tijdens Paris Fashion Week showen.

Van links naar rechts en boven naar beneden: Uit de voorjaarscollecties 2026 van Dries Van Noten, Paco Rabanne, Yves Saint Laurent, Marie Adam-Leenaerdt, Chanel en Marine Serre, allemaal ontworpen door alumni van La Cambre

Vogue.com schreef vorig jaar over La Cambre Mode(s), zoals de opleiding in Brussel voluit heet: „Iedereen in de industrie is razend benieuwd naar wat voor tovenarij daar precies plaatsvindt.”

Dat soort media-aandacht krijgt Tony Delcampe – hoofd van de modeafdeling sinds 1999 – de laatste paar jaar meer en meer. System Magazine schreef dat de school „een aantal van de meest gewilde talenten in de industrie heeft voortgebracht”. Delcampe: „Ons lesprogramma, waar we jaren aan geschaafd hebben, is nu op zijn hoogtepunt.” Zijn kantoortje doet ook dienst als pauzeplek van de andere docenten. Er staan een Nespresso-apparaat, een magnetron en twee waterkokers. Delcampe (58) draagt een felblauw werkmansjasje en heeft zijn haar in een neongroen en zwart vlekkenpatroon geverfd. „Ons lesprogramma is heel specifiek en niet te vergelijken met andere scholen.”

Vier stages

Het belangrijkste doel van het curriculum is studenten écht klaarstomen voor de modeindustrie. Zo moeten ze verplicht vier keer stage lopen tijdens de vijf jaar durende studie (drie jaar bachelor, twee jaar master). Ter vergelijking: bij de beroemde modeopleiding van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen is stage lopen niet verplicht. Delcampe: „Het is héél belangrijk dat studenten de realiteit van dit vak leren kennen. Als ze aan de studie beginnen zijn het vaak echte dromers. Maar niet voor lang, want wij zetten ze keihard aan het werk.” Die stages doen ze overigens tijdens hun zomervakanties. „Als je hier studeert, heb je vijf jaar geen vakantie.” Het is het soort overvolle curriculum waarover bij Nederlandse academies de laatste jaren discussie is ontstaan. Delcampe: „Het bereidt je voor op de realiteit van werken bij een modehuis.”

Anthony Vaccarello, hoofdontwerper van Saint Laurent, vertelde in System Magazine dat hij nog nooit zo hard heeft gewerkt als tijdens zijn studie. „Ik had echt geen leven daarbuiten. Vijf jaar lang zette ik alles on hold.” En: „La Cambre is bijna een religie: alles of niets.”

Studenten aan het werk op La Cambre

In het lokaal op de vijfde verdieping speldt Elayne Henry (24) uit Luxemburg dikke lagen fiberfil op de schouders van een paspop. Ze zit in het eerste jaar, maar heeft al een hele modeopleiding achter de rug: ze studeerde vorig jaar af aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Nu is ze begonnen aan nóg een vijfjarige modeopleiding – in een hoger jaar instromen mocht niet. Delcampe: „Ons curriculum is zo opgebouwd dat je niet zomaar een deel kunt overslaan.” Maar dat is het waard, zegt Henry. „Mijn vorige studie was niet wat ik zocht. Het was echt een kunstacademie. Het draaide om concepten, niet om ambacht. Na mijn afstuderen had ik niet het idee dat ik klaar was om bij een modehuis te gaan werken. Hier in Brussel moet je niet alleen nadenken, maar echt aan het werk.” 

Niet tekenen

Tony Delcampe wil niet te veel in detail treden over het lesprogramma. „Ik merk dat andere scholen ons curriculum nauwlettend bestuderen om te begrijpen wat ons succesrecept is. En ze vragen oud-studenten van ons als docent.” Daarom heeft hij het precieze lesprogramma van de website laten halen.

Over één onderdeel van het curriculum is hij heel duidelijk: „Het ontwerpproces begint nooit met tekenen. Want als je tekent, dan teken je dingen die al in je hoofd zitten. Op die manier kun je onmogelijk tot iets nieuws komen. Wij ontwerpen op een Stockman [paspop], in 3D dus, met stoffen en spelden. De onverwachte dingen die tijdens het draperen gebeuren, dáár ontstaan nieuwe ideeën door.” In Antwerpen – en bij veel andere academies – geldt tekenen juist als uitgangspunt en is het niet ongebruikelijk dat studenten hun ontwerpschetsen laten uitvoeren door een naaister.

Een van de eerste dingen die Delcampe afschafte toen hij hoofddocent werd, waren de uitgebreide collecties die studenten elk jaar moesten ontwerpen. Nu maken ze pas aan het einde van het derde jaar voor het eerst een collectie. Daarvoor zoomen ze steeds maandenlang in op één kledingstuk. „Eerst een top, dan een rok, dan een overhemd. Enzovoort. Ze bestuderen die kledingstukken intensief. De zakken, de coupenaden, de snit, ze moeten er álles over weten. Als je de basis niet kent, kun je geen goede collecties ontwerpen.”

Bij andere modeopleidingen leren studenten vooral zichzelf uiten, zegt hij. Hier ligt de focus echt op kleren maken. „Wij háten storytelling. Als een student een zin begint met ‘I want to express…’ dan kap ik die meteen af. We willen focussen op het vinden van nieuwe volumes, nieuwe manieren van materialen gebruiken, nieuwe afwerkingen – dat vinden we het belangrijkst.”

Die insteek is typisch Belgisch, zegt Delcampe. „Belgen zien mode niet als fantasie. Als we een kledingstuk ontwerpen, denken we bovenal aan de functie die het moet hebben. We maken geen kostuums, geen kleren om carnaval in te vieren.”

Alle lessen zijn volledig in het Frans. „Daar stá ik op”, zegt Delcampe. „Bij de meeste scholen in Europa is Engels tegenwoordig de voertaal, zelfs in Frankrijk. Dat doet af aan de eigenheid van de opleiding.” Verreweg de meeste studenten aan La Cambre komen uit België en Frankrijk. Er zijn elk jaar wel een paar studenten uit Korea en Japan. „Maar die hebben dan eerst Frans geleerd.”

De klassen zijn klein, waardoor studenten veel een-op-een-tijd met de docenten krijgen. Elk jaar doen er tussen de 150 en 180 kandidaten toelating, van wie er achttien worden aangenomen. Tijdens de opleiding valt een groot deel af. Dit jaar hebben acht studenten het tot het vijfde jaar geschopt. „Een record”, zegt Delcampe. „Meestal zijn het er drie of vier. Een paar jaar geleden was het er maar één.”

Zes van Antwerpen

De Zes van Antwerpen, de groep ontwerpers die Belgische mode halverwege de jaren tachtig internationaal op de kaart zette, en hun tijdgenoot Martin Margiela, studeerden allemaal aan de modeafdeling van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, die sinds 1963 bestaat. In de jaren negentig studeerde een tweede succesgeneratie in Antwerpen, met onder anderen Kris Van Assche (had een eigen merk en was hoofdontwerper van de mannenlijn van Dior), Veronique Branquinho en Haider Ackermann. Demna (Balenciaga en Gucci, afgestudeerd in 2006) en Glenn Martens (Diesel en Maison Margiela, afgestudeerd in 2008) volgden er de master. De laatste jaren levert La Cambre méér grote namen af, maar Antwerpen blijft ook succesvol. Recent kwamen Meryll Rogge (creatief directeur van Marni en heeft een eigen merk) en Julie Kegels (eigen merk) er nog vandaan.

La Cambre werd in 1926 opgericht door de Belgische kunstenaar Henry Van de Velde. Op dit moment studeren er ongeveer achthonderd studenten, verspreid over zo’n twintig afdelingen: fotografie, restauratie, schilderkunst, enzovoort. De modeopleiding is er pas sinds 1986. „Het waren de hoogtijdagen van de Zes van Antwerpen”, zegt Delcampe. „Maar een Franstalige modeopleiding was er helemaal niet. Daarom werd de modeopleiding hier opgericht.”

Net te laat voor Delcampe zelf, die was toen al begonnen aan een textielopleiding in zijn geboorteplaats Tournai [Doornik]. Toen hij die had afgerond, begon hij alsnog aan La Cambre. Na zijn afstuderen richtte hij een eigen modemerk op met zijn vriendin Sandrine Rombaux, die ook aan La Cambre gestudeerd had. Algauw hing hun kleding met de onnavolgbare naam Sandrine: ‘Comment tu la trouves?’ / Tony : ‘Quoi?’ / Sandrine: ‘Au milieu du dos’ in beroemde modewinkels als Barneys in New York en Colette in Parijs. „Maar we hadden nooit geld. Alles wat we verdienden ging meteen op aan de productie van de volgende collectie. We aten voornamelijk pasta zonder saus. Toen we samen een kind kregen hadden we daar genoeg van en zijn we iets anders gaan doen.” Hij ging lesgeven. Eerst parttime, naast styling- en consultancyklussen. Sinds 1999 is hij hoofddocent. Hij is niet de enige alumnus die nu lesgeeft. „Alle docenten, op een na, hebben ook hier gestudeerd.”

Geen budget

La Cambre is een openbare school. Studenten betalen zo’n 300 euro schoolgeld per jaar. „Of we een opleiding zijn met weinig budget? We zijn een opleiding zónder budget. Gewoon echt helemaal geen budget. Ja het gebouw en de salarissen worden betaald, maar voor alle andere dingen – de website, de shows, de foto’s die we van het werk van de studenten maken – moet ik elk jaar zo’n 150.000 euro bij elkaar schrapen. Daarvoor ga ik naar de regering, naar de regio Brussel, ik steek dágen in het maken van portfolio’s om daar te laten zien, brieven schrijven, afspraken regelen. En elk jaar moet het weer opnieuw.”

Dat er geen geld is voor moderne apparatuur – 3D-printers, iPads – is „niet erg”, zegt hij. „We werken met ons brein en met onze handen. Dan heb je aan een kniptafel, industriële naaimachines en paspoppen genoeg.”

Studenten aan het werk op La Cambre

Dat gebrek aan middelen heeft alumnus Romain Bichot (27), afgestudeerd in 2022, altijd als pluspunt gezien. „Je leert alles zelf doen. Als een bepaalde techniek niet beschikbaar is, dan moet je zelf een andere oplossing zoeken. Je wordt er vindingrijk van.”

Met zijn afstudeercollectie won Bichot twee prijzen bij het festival van Hyères, een internationale modewedstrijd. Meteen daarna kon hij aan de slag bij Balenciaga in Parijs. Eerst als stagiair, daarna als juniorontwerper bij de couturelijn. Als hij de telefoon opneemt staat hij een sigaret te roken op de stoep voor het hoofdkantoor van Gucci in Milaan, waar hij sinds september 2025 werkt als ‘womenswear & celebrity designer’.

Gewoon logisch

Bichot was veertien toen hij voor het eerst de afstudeershow van La Cambre bezocht. „Zolang ik me kan herinneren ben ik geobsedeerd door mode. En ik woonde in Brussel. In mijn hoofd was het gewoon logisch dat ik naar La Cambre zou gaan.” Hij omschrijft de vijf jaar daar net als Vaccarello als „the most intense period of my life. Ik maakte nog langere dagen dan bij Balenciaga en nu bij Gucci.”

In het eerste jaar zat hij in de klas met zeventien andere studenten. In het vijfde jaar waren ze nog met z’n vieren. Zijn drie oud-klasgenoten werken inmiddels bij Saint Laurent, Chanel en Marine Serre.

Toen hij bij Balenciaga aan de slag ging bleek zijn baas – Anaïs Lalu, destijds hoofd van de couturelijn – ook aan La Cambre te hebben gestudeerd. „Met andere La Cambre-alumni heb je meteen een speciale band. Je begrijpt elkaars werkwijze. Op La Cambre leer je kledingstukken door en door kennen. Je leert creatief en experimenteel te werken, maar altijd binnen de kaders van een draagbaar kledingstuk. Ik merk nu hoe waardevol dat is.”

Mode

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next