Home

We gaan gewoon een beetje praten, zeiden ze

Op een literair festival in Turkije vraagt een journalist me hoe dapper ik ben. Als schrijver, bedoelt hij. Hij vraagt het niet alleen aan mij maar aan alle schrijvers aan de lange tafel in de meeting room van het hotel. Vijf West-Europese schrijvers tegenover een stuk of tien Turkse journalisten. Dit is informeel, zei de festivalorganisatie van tevoren. Gewoon een beetje praten, een kopje koffie erbij, wat ongezellige verlichting.

Het thema van het festival is ‘moed’, dus ik ben op de vraag voorbereid. Maar als de journalist een betoog houdt over het groeiende nationalisme binnen de EU, ga ik aan mijn antwoord twijfelen. Ik heb weinig originele ideeën over het groeiende nationalisme binnen de EU. Toch begin ik, zodra hij klaar is, meteen te praten. Blijkbaar wil ik graag laten zien hoe dapper ik ben.

Mijn werk is erg persoonlijk, zeg ik. Zodra ik ‘persoonlijk’ zeg krijg ik een schorre stem. O nee, denk ik. Niet nu. Ik zoom in op individuen en hun onderlinge relaties, ga ik moeizaam verder. Maar wat zich tussen twee mensen afspeelt, gebeurt ook tussen groepen, of samenlevingen. Dan hoor ik mezelf micro- en macroniveau zeggen, termen die ik nooit gebruik, maar die nu, als vertegenwoordiger van de EU, plotseling passend lijken. Door het harde licht en de fronsende wenkbrauwen van de journalist treed ik nog verder uit mezelf. Intussen gaat het praten door. Het is belangrijk als schrijver zo eerlijk mogelijk te zijn, zeg ik. Je eigen perspectief of pijn te onderzoeken zodat je een ander daar zo min mogelijk mee verwondt, en je die ander uiteindelijk helderder ziet. Dat is waar mijn laatste boek min of meer over gaat. Maar bijna alles gaat hier min of meer over.

Het komt er allemaal schor en met horten en stoten uit. Ook de andere journalisten fronsen nu. Eentje kijkt een beetje bang.

Dit is ook hoe oorlogen beginnen, wil ik er nog aan toevoegen. Bij mensen die niet over hun eigen pijn heen kunnen kijken. Dictators, mensen die stemmen op potentiële dictators. Maar ik slik de woorden in omdat ik niet naïef wil overkomen. Waarom moet ik weer zo stamelen, denk ik kwaad. Waarom censureer ik mezelf. In tegenstelling tot deze journalist heb ik de luxe te kunnen schrijven wat ik wil zonder te worden opgepakt, dus moet ik moediger zijn dan hij en met een beter antwoord komen. Alleen heb ik de gewoonte om alle spanning in een ruimte in me op te zuigen en dan die spanning, of dat ongemak, te wórden. Ik ben de kabouter (of was het een smurf) uit een Gummbah-cartoon die ik lang geleden zag, die een buitenproportioneel grote drol uitpoept en woedend ‘doe iets!’ naar een voorbijganger roept. Ik kijk naar de schrijver naast me. Hij neemt het woord en zegt dan ongeveer hetzelfde als ik, maar in ronkende zinnen en met stevige stem, overtuigd van zijn gezag. Zijn antwoord voelt vreemd onbevredigend, alsof over de drol op tafel een kleedje is gelegd. Maar de journalisten ontspannen. Eindelijk hebben ze hun quote.

Na afloop verontschuldigt de festivalleiding zich voor de ongemakkelijke situatie. Dat geeft helemaal niks, zeg ik, en ik meen het ook nog. Want wat is er eigenlijk mis met ongemak, vraag ik me ineens af. Waarom is dat geen antwoord? Soms kan dat zelfs het enige eerlijke antwoord zijn.

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next