Antonio Scurati heeft met het laatste deel van zijn veelgelezen, bekroonde reeks over Mussolini een historische roman geschreven die over het heden en de toekomst gaat. M behoort tot de grote literaire prestaties van deze eeuw tot nu toe.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
We weten hoe het eindigt. We zijn altijd hiernaartoe op weg geweest. Iedere lezer die in 2018 het eerste deel van Antonio Scurati’s romanreeks over Mussolini opensloeg had dit in het vooruitzicht.
Eind april 1945. In het uiteenvallende Italië, in de chaos van de ineenstortende Republiek van Salò, waarin fascisten zich in blinde paniek uit de voeten proberen te maken en de partizanen oprukken, wordt Benito Mussolini opgepakt.
Eerst herkennen de partizanen hem bijna niet. Hij heeft een Duitse helm opgezet, doet alsof hij er laveloos bij ligt. ‘Kameraad!’, roept een van de partizanen.
Hij reageert niet.
‘Excellentie…’
Weer geen antwoord.
‘Cavalier Benito Mussolini.’
Pas dan, schrijft Antonio Scurati, ‘als hij zijn voor- en achternaam hoort met die eretitel, komt de zogenaamde zuipschuit overeind en hervindt hij zichzelf. Of misschien verliest hij zichzelf voorgoed’.
Die nacht brengt hij nog in gevangenschap door met zijn minnares, Clara Petacci. De volgende ochtend, 28 april, worden ze tegen de muur gezet. Niet eens een echte muur trouwens. Geen hoge muur van een kerk, of een gemeentehuis. Iedereen die wel eens in Dongo geweest is, aan het Comomeer, kan het muurtje, zelfs met gedenkteken, zo over het hoofd zien.
In de vroege ochtend van de 29ste worden hun lichamen naar Milaan gebracht en gedumpt op het Piazzale Loreto. De stad loopt uit om ze verder te verminken, te bespugen, te beschieten, onder te pissen. Dit is het einde dat iedereen kent: de lichamen worden ondersteboven opgehangen.
Wie er zin in heeft kan online de foto’s vinden die het Amerikaanse leger maakte in het mortuarium. Mussolini is nauwelijks nog als mens herkenbaar.
Hoe schrijf je een einde dat iedereen al kent?
In zekere zin staat er niets anders op het spel voor Scurati (1969) in het nu net verschenen M – Het einde en het begin, het vijfde en laatste deel: Mussolini moet dood; voor die gebeurtenis slaat de lezer het boek open.
Wanneer het boek begint, is Mussolini afgezet door de koning en zijn collega-fascisten, gevangengezet en door de Duitsers bevrijd. Ze hebben hem aan het hoofd van een onzinrepubliekje gesteld, een vazallenstaat, de autonome Republiek van Salò, oftewel de Italiaanse Sociale Republiek.
Ondertussen rukken de geallieerden op van Zuid- naar Noord-Italië. Terwijl hij nog officieel aan het hoofd van een regering staat, schrijft hij al aan Clara Petacci: ‘Nu ben ik een dode die denkt dat hij leeft. Maar dat doet hij niet meer...’ ‘Ik ben geslonken, gekrompen en mijn vernederingen gaan door...’ ‘Elke dag neemt mijn lengte af, net als mijn leven, en als ik over een paar dagen of een jaar blind ben, noem ik dat een groot geluk, want het bespaart me de koppen die ik haat.’
(Zoals altijd verzint Scurati niks, behalve de gedachtestromen van zijn personages: elke ontmoeting, elke speech, elke brief is waargebeurd.)
Behendig rekt Scurati dat einde op, dag voor dag. Zijn Mussolini wisselt tussen rancune, berusting, hoop, depressie. Zijn dienaars willen dat hij zich vermomt en vlucht: ‘Benito Mussolini aarzelt: het idee om zich te kleden in het vreemde uniform stuit hem blijkbaar tegen de borst. Al twintig jaar verheerlijkt hij heldhaftigheid als hoogste goed en al twintig maanden herhaalt hij dat hij niet zal vluchten, dat hij niet zal onderduiken, dat het leven hem koud laat, dat hij wenst te sterven, maar alleen door een goede dood, met behoud van eer. Zie hem niettemin hier aan het einde van de weg de schandelijkste uitweg overwegen: vermomming, ontkenning van zijn identiteit, zich voordoen als een ander.’
Maar ook deze beslissing, zoals elke, neemt hij halfhartig. Zodra hij door de partizaan met ‘Cavalier Benito Mussolini’ wordt aangesproken, maakt hij zich bekend.
Time to say goodbye, zong Andrea Bocelli.
En dit doet Scurati heel goed. Niet door het groter te maken, of heroïscher of schlemieliger, maar juist door vaste betekenissen ineen te laten storten.
‘Terwijl de Leider van het fascisme het plein oversteekt, voorafgegaan door gewapende partizanen en door de wapperende panden van die wijde overjas, stijgen er vijandige kreten op (‘Lafaard! Schurk!’), één honende schreeuw (‘Benito, dat is de verkeerde kant op!’), beide overstemd door uitroepen van verbazing, die geen ander woord kunnen vormen dan dat decennialange vererende epitheton: ‘De Duce! De Duce! De Duce!’
‘Dan, als een steen door de ruit, barst een meisje met krankzinnige ogen uit in een hersenloze gil: ‘Spreek ons toe, spreek ons toe vanaf het balkon!’
‘Niet vast te stellen is of het gaat om hoon of een laatste oprisping van fanatisme. Als Benito Mussolini op weg naar zijn laatste gevangenis een groep kleine meisjes passeert, beginnen de kinderen driftig te klappen, zoals ze van documentaires in de bioscoop of van de juffrouw op school hebben geleerd.’
Het is tragisch, ironisch, wrang, wreed, grappig. In feite gaat het het voorstellingsvermogen te boven: Mussolini is zo lang de dagelijkse realiteit van het Italiaanse volk geweest, hij is zo diep geïmpregneerd in de cultuur, dat zelfs als dat volk op het punt staat hem te doden, het zich geen realiteit kan voorstellen waarin hij niet in het centrum staat.
Om zoiets moet het Scurati te doen zijn geweest. Als je zijn boeken leest, krijg je nergens het gevoel dat hij Mussolini wil historiseren. Eerder is M een tijdloze natuurkracht.
In de eerste delen – in vertaling: De zoon van de eeuw (2019) en De man van de voorzienigheid (2021) – is hij inderdaad de man met de lotsbestemming die hij voor zichzelf ziet weggelegd. In de chaos van het Italië van na de Eerste Wereldoorlog is het nog iedereen tegen iedereen. De teerling is nog niet geworpen. De fascisten kunnen de bovenhand krijgen, maar ook de socialisten, ook de liberale democraten. Er is zelfs nog een koning.
Scurati beschrijft een wereld die eng herkenbaar is; een maatschappij waarin de gebeurtenissen steeds groter worden, elkaar steeds sneller opvolgen, waarin langzaam maar zeker alles wordt gepolitiseerd: kunst, wetenschap, media, de waarheid. Iedereen vindt overal een wij-tegen-zij-tegenstelling in.
Mussolini en zijn zwarthemden winnen, omdat zij (vindt hij zelf) het hardst zijn, het daadkrachtigst, het meest schaamteloos. Italië heeft hem nodig, zelfs als het dat niet wil toegeven.
In het derde en vierde boek – De laatste dagen van Europa (2023) en Het uur van de waarheid (2025) – ontdekt Mussolini dat hij, in feite, niet écht bestaat. Hij was al die tijd een wensdroom. Terwijl hij door Hitler opgezweept tot een oorlog oproept, ziet hij dat zijn landgenoten er geen zin in hebben. Ze treuzelen, klagen. Geen zin om te vechten, te sterven, te domineren. ‘De complete man, de nieuwe man, de fascistische man bestaat niet, heeft nooit bestaan’, denkt Mussolini. ‘Italië is een natie van moeders en echtgenoten.’
Maar dat de emotie die hij belichaamt – dat verlangen naar hardheid, wraakzuchtigheid, dominantie – geen realiteit wordt, betekent niet dat die emotie niet bestaat. De emotie leeft in de borst van het volk. Dit zit sterk in de openingsscène van de vorig jaar verschenen serie op basis van Scurati’s boeken: M: Son of the Century op Sky Showtime, geregisseerd door Joe Wright (Darkest Hour, Atonement).
Anders dan Scurati focust Wright alleen op Mussolini (gespeeld door Luca Marinelli), met donkergerande ogen en een opklimmend voorhoofd. Wright filmt het snel, beweeglijk. Zijn fascisten dragen zwarte kleren, komen samen in donkere kelders, stampen en schreeuwen. Het fascisme krijgt de sfeer van een Berlijnse technobunker.
De serie begint met de beelden van Mussolini’s ondersteboven opgehangen lichaam. Alsof zijn lot altijd vaststond, alsof het alleen zo kon eindigen.
‘Twintig jaar lang hielden jullie van me’, zegt Wrights Mussolini tegen de camera. ‘En toen haatten jullie me heel erg. Omdat jullie nog van me hielden. Jullie maakten me belachelijk, ontheiligden mijn overschot. Omdat jullie bang waren voor jullie liefde voor mij.’
Het is alsof Mussolini hier een nieuwe lotsbestemming voor Italië (en, in het verlengde daarvan, het hele Westen) uitspreekt: je kunt je emoties wegduwen, ontkennen, proberen te sublimeren, maar uiteindelijk komen ze altijd weer naar de oppervlakte.
Scurati sluit zijn literaire reeks af met een opsomming van hoe alle fascisten stierven. En tegenover al die doden zet hij één leven: dat van Liliana Segre.
In 1944 werden zij en haar vader vanuit Milaan naar Auschwitz gedeporteerd. Zij overleefde, hij niet.
Terug in Italië trouwt ze met een jonge, katholieke advocaat. Veertig jaar lang leeft zij haar leven, schrijft Scurati, dat in eerste instantie lijkt op dat van miljoenen andere vrouwen. Ze krijgt en verzorgt drie kinderen, en zwijgt over de Holocaust.
En dan, op haar 60ste, begint ze te getuigen. Overal vertelt ze over de horror van de vorige eeuw. In 2018 wordt ze door de Italiaanse president benoemd tot ‘senator voor het leven’, omdat ze ‘het vaderland luister heeft bijgezet met hoogstaande verdiensten op sociaal gebied’. Daarna leidt ze Senaatscommissies die zich buigen over problemen rond onverdraagzaamheid, racisme en antisemitisme. Ze is een icoon.
In een literaire reeks die snel, doeltreffend, smetteloos is geschreven (hulde voor vertaler Jan van der Haar), is dit onverwacht ontroerend. Tegenover al die grimmige levens van de oude fascisten staat ineens dit nobele leven. Een leven van medemenselijkheid, van durf, en daardoor van hoop.
Maar dit is geen happy end, zegt Scurati. Vandaag, zeventig jaar na de nederlaag van het nazifascisme, krijgt deze hoogbejaarde Holocaustoverlever tweehonderd haatberichten per dag. Sinds 2019 heeft ze ter beveiliging een escorte van twee carabinieri nodig.
Dit zijn dan de slotwoorden van Scurati: ‘Als de geschiedenis van de kleine Liliana niet het happy end kent dat velen van ons – velen, maar niet allen – haar toewensen, dan is de reden simpel en tegelijkertijd onduidelijk, pijnlijk, maar wellicht onzinnig: haar geschiedenis – onze geschiedenis – is nog niet voorbij.’
Je kunt niet anders dan het boek met open mond dichtslaan. Scurati heeft een historische-romanreeks geschreven die over het heden en de toekomst gaat, in strak, intelligent, voortstuwend proza. M behoort tot de grote literaire prestaties van deze eeuw tot nu toe.
Antonio Scurati: M – Het einde en het begin. Uit het Italiaans vertaald door Jan van der Haar. Wereldbibliotheek; 352 pagina’s; € 26,99.
M: Son of the Century is te zien via Sky Showtime.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant