Reservisten NRC-redacteur Hugo Schiffers meldde zich aan bij de reservisten. De tweeweekse opleiding om te leren marcheren en met een wapen om te gaan bleek zo makkelijk nog niet. „Nog een keer zo’n fout en het is voor jou einde oefening”,
Het is een autorit vol ongemak. In stilte zitten we naast elkaar, de sergeant en ik. Weggestuurd van de reservistenopleiding: wat een afgang. Ik kijk naar het voorbijtrekkende Veluwse landschap en denk aan Napoleon op weg naar Sint Helena. Het lezen van zijn biografie bleek een waardeloze voorbereiding op de week. In Ermelo vond ik mijn Waterloo.
Anderhalf jaar geleden meldde ik me aan als reservist. Als ‘Reservist Tolk Arabisch’, om precies te zijn. Zo deed ik nog iets met mijn talenstudie, en bovendien: we moeten weerbaar worden. Je hoort en leest het overal. De Pax-Americana is voorbij en de Russen staan voor de deur. Het vorige week aangetreden kabinet wil het aantallen manschappen met ruim de helft laten groeien.
Toch kwam het traject langzaam op gang. Om de zoveel tijd moest ik komen opdraven voor een sporttest, een motivatiegesprek of een psychologische keuring. Ook een tolk moet immers worden opgeleid als volwaardig militair met een gevechtsfunctie.
NRC sprak met het ministerie van Defensie af in dit artikel geen namen van andere reservisten of instructeurs te gebruiken, om zo een „veilige leeromgeving” te waarborgen. Dit artikel beperkt zich daarom tot de ervaring van de auteur.
Tot ik uiteindelijk het verlossende bericht kreeg dat ik begin dit jaar mocht starten met de tweeweekse opleiding tot reservist. Ik besloot voor NRC een dagboek bij te houden.
Een militair heeft een uitrusting nodig. En dus moet ik me elf dagen voor het begin van de opleiding melden bij het militair kledingpunt in Soesterberg. Wie zich afvraagt hoe Defensie de komende jaren in hemelsnaam die extra 19 miljard denkt uit te geven, moet vooral hier een kijkje gaan nemen.
Met een XL-winkelwagen word ik, samen met tientallen anderen, een soort bouwmarkt ingestuurd, met bij elk nieuw schap een medewerker die ons de zoveelste jas of het volgende paar schoenen aanmeet. Alles op kosten van de Defensie en onderdeel van de basisuitrusting van iedere militair.
De hoeveelheid spullen die je op deze manier verzamelt is waanzinnig. Een kleine greep:
Camouflagekleding, warme kleding, nette kleding, sportkleding, regenkleding, onderbroeken en sokken, twee paar hardloopschoenen, gevechtslaarzen, gevechtslaarzen voor in de sneeuw, een stropdas (groen), een stropdas voor begrafenissen (zwart), leren handschoenen, een soort ski-handschoenen, schiethandschoenen, witte handschoenen met een onduidelijke functie, dunne handschoentjes, een veldfles, een slaapzak, een helm, een gasmasker en een fluitje.
Bij gebrek aan ruimte dump ik alles maar even op de logeerkamer van mijn ouderlijk huis. Volgens mij ben ik al de helft van de onderbroeken kwijt. Mijn vriendin zegt dat voor iemand die altijd alles kwijt is en overal te laat komt, het leger werkelijk de slechtst denkbare plek op aarde is.
Het is zover. Mijn broer zet me na het avondeten af bij de Generaal Winkelman Kazerne in Harskamp, aan de rand van de Veluwe. In de grote zaal verzamelen zich zo’n vijftig rekruten. In haar welkomstpraatje vraagt de luitenant ons naar links en rechts te kijken. „Met deze mensen ga je het de komende twee weken fixen.”
Vervolgens delen de sergeanten ons op in groepen. Met tien anderen zit ik bij ‘Charlie’, de groep waarin alle vegetariërs zijn ondergebracht, om de zaken overzichtelijk te houden bij het serveren van de maaltijden.
Het is een leuke kliek. Met jong en oud, en gelukkig ook twee vrouwen. In onze gelederen bevinden zich onder anderen een verpleegkundige, een musicus, een student, een diplomaat, een politieagent en een barman.
Iedereen krijgt een buddy toegewezen. Die van mij is een vriendelijke, jonge Limburger (die wél vlees eet). De komende twee weken moeten we op elkaar passen. Dat houdt volgens de sergeanten ook in dat als mijn buddy trek heeft in een sigaret, ik met hem mee moet lopen naar het rokershok, zo’n 500 meter van onze slaapvertrekken. Alleen over het terrein lopen is om onduidelijke redenen ten strengste verboden.
We liggen er pas laat in. Mijn buddy wilde nog roken voor het slapengaan.
Om zes uur ’s ochtends bonst er iemand onvriendelijk op de deur. Ik heb geen oog dicht gedaan. We slapen met vier personen op een kamer. Het zijn aardige kerels, maar er zit een gigantische snurker tussen. Vijf minuten later staan we in sportkleding buiten om te „krikkrakken”.
Met z’n vijftigen rennen we rondjes over het terrein, waarna we met bevroren handen in nat gras krachtoefeningen moeten doen. „Denk maar jongens”, roept iemand. „In Oekraïne hebben ze het zwaarder!” De nuance wordt niet op prijs gesteld.
In een leslokaal oefenen we ’s middags met het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van het standaardwapen van de Nederlandse landmacht, de Colt C7. Tweemaal laat ik het richtmiddel op tafel kletteren. Dan moet de hele groep push-ups doen. Gelukkig laten daarna ook anderen onderdelen van het wapen uit hun handen vallen, waarna nog meer push-ups volgen.
Het loopt niet lekker. Ik ren naar de slaapkamer om een vergeten onderhoudsset voor het wapen op te halen, maar presteer het om het setje alsnog op de kamer achter te laten. Wel kom ik terug met een kop koffie. De sergeant denkt − en geef haar eens ongelijk − dat het me allemaal niet zoveel kan schelen en ze valt tegen me uit.
Maar het kan me wél iets schelen. Het probleem is dat hier duizend-en-één dingen zijn die je niet mag vergeten, terwijl ik in het dagelijks leven al zo’n vijf keer per dag mijn telefoon kwijt ben. Het maakt de reservistenopleiding een soort van op maat gemaakte hel.
Mijn kamergenoten zijn mijn redding. Na het avondeten vertellen we elkaar over thuis en lachen we over de maffe situatie waar we in zitten. Eigenlijk moeten we al onze kleding op ‘mesbreedte’ vouwen (dat wil zeggen: net zo breed als ons zakmes lang is), maar we besluiten het ons makkelijk te maken en stapelen voor de vorm slechts een aantal T-shirts en broeken in de kast. De rest van de kleding proppen we in een plunjezak, om daar elke dag iets nieuws uit te pakken.
Complimenten van de sergeanten dat onze kasten er zo netjes uitzien. Een fijne verrassing na weer een gebroken nacht met veel gesnurk. Tijdens het krikkrakken vriest het een paar graden. Mijn sportschoenen (beide paren) zijn net een maatje te klein.
Overigens is het fysiek gezien allemaal goed te behappen. Als je een beetje sport, kom je prima mee. Van de hardloopblessure aan mijn knie heb ik totaal geen last.
Later op de ochtend oefenen we met marcheren. Na een wat onwennig begin („je loopt als een sierpaardje, Schippers”, aldus een sergeant) gaat het ons na verloop van tijd goed af. De truc is vooral om er niet te veel bij na te denken. Zie ik nou iets van trots bij de sergeanten?
Aanvankelijk verzet je je ertegen, de wereld die het leger probeert te creëren. Je wíl het niet belangrijk vinden, dat alle knopen van je uniform dicht zitten of de pet die je altijd in je rechterbroekzak moet meedragen. Maar langzaam maar zeker voel ik hoe ik word meegezogen in het geheel. In groep Charlie beginnen we elkaar met onze achternamen aan te spreken.
Luisterend naar het gesnurk van mijn kamergenoot denk ik ’s nachts aan de biografie van Napoleon (Napoleon de Grote, Andrew Roberts). De avonden voor veldslagen was het gebruikelijk voor de Franse Keizer om door zijn legerkamp te wandelen en zijn soldaten liefdevol in het oor te knijpen. De sergeanten hier zie ik dat nog niet zo snel doen.
Ook vandaag moeten we vóór het ochtendappel het hele gebouw schoonmaken. Deze ochtend is het de beurt van groep Charlie om zich te ontfermen over de douches en toiletten. Ik vouw het wc-papier in driehoekjes, als in een hotel.
Tevergeefs. De sergeanten vinden tijdens de inspectie stof op de kasten in de slaapkamers. Ook staan we te laat bij het appèl en zijn de veldflessen niet gevuld. We krijgen een enorme uitbrander.
Dat geweer hebben we nu al zeker twintig keer uit elkaar gehaald, en het gaat ons goed af. Grappig hoe een groep burgers − met wat kneden − dit zo snel kan oppikken. Tijdens het marcheren vanochtend dacht ik aan hoe dat moet zijn tijdens de oorlog. Omstandigheden dwingen mensen soms heel snel experts te worden in iets waar ze voorheen niets van wisten. Zoals dat de inwoners van Kyiv nu heel ook goed het verschil herkennen tussen het geluid van verschillende overvliegende rakketten.
Over samenlevingen in oorlogstijd is vast veel interessants geschreven, maar ik heb geen tijd om dat na te gaan. Tijd is hier een luxegoed. Dit dagboek houd ik slechts met moeite bij, door af en toe in een wc-hokje wat gedachten op papier te zetten.
Ik maak later op de middag een enorme blunder. Tientallen keren oefenen we met het laden en ontladen van ons wapen met nep-munitie, waarna je in een veilige richting de trekker overhaalt. Tijdens een van die keren blijft er een patroon in de kamer van mijn Colt steken, die ik tijdens het controleren over het hoofd zie. Een militaire doodzonde, want als je dat met echte „scherpe” munitie doet, vuur je onbedoeld een kogel af. „Nog een keer zo’n fout en het is voor jou einde oefening”, krijg ik te horen. Ik voel me er de hele avond klote door.
Later nemen de sergeanten me nog even apart om erover te praten. Ze tonen veel begrip. Het zijn natuurlijk eigenlijk allemaal heel fatsoenlijke mensen, met hart voor wat ze doen.
Voor het slapengaan hebben mijn kamergenoten en ik nog zin in een snack. We snorren een paar pakken vla op in de keuken. Samen lopen we nog eens alle wapenhandelingen door. Wat een fijne jongens. Naar huis wil ik allang niet meer.
Tijdens het krikkrakken hebben een kamergenoot en ik het over al het jargon dat bij Defensie voorbijkomt. Zo doen militairen niet aan hardlopen maar aan ‘hobbelen’, gaan ze naar de kantine om te ‘snavelen’ of te ‘knagen’ en beginnen ze te ‘kintikken’ als ze moe zijn. Straks moeten we weer „inblikken” als we het busje instappen naar de schietsimulator in Ermelo .
Hoe is het mogelijk? Gisteren ging het schieten nog prima, maar vandaag bak ik er niks van. We staan in de simulator, een ruimte met zo’n acht geweren die met een kabel verbonden zijn aan een groot beeldscherm, en ik heb nog geen enkele keer het doelwit weten te raken. Het zware scherfvest zit in de weg en ik krijg mijn arm maar niet goed stil. Zou het liggen aan het wedstrijdje push-ups dat ik eerder zo nodig moest doen? Of zit het incident van gisteren, met de achtergebleven patroon, nog tussen mijn oren?
Spottend danst het doelwit achter mijn vizier. Ik ga nog maar eens verzitten. „Ademhaling, Schiffers.” Bij elk gemist schot verschijnt er een frons op het voorhoofd van de sergeant. „Meer schouder achter je kolf,” luidt het advies. „Wang dichter tegen wapen, hoofd recht”. Ongetwijfeld stuk voor stuk goede tips. Maar anatomisch krijg ik het niet voor elkaar, in ieder geval niet allemaal tegelijk. Ik haal de trekker over. Weer mis.
Een sergeant neemt me apart. „Als dit niet beter gaat, heeft het geen zin om je volgende week mee te nemen naar de schietbaan. Dan moet je naar huis.” Het is al de tweede keer binnen vierentwintig uur dat ik zoiets hoor.
Ik stap de bloedhete simulator weer binnen, leg aan… en schiet prompt drie keer achter elkaar raak. Mijn groepsgenoten knikken me bemoedigend toe. Zou het? Een wederopstanding?
Het mag niet zo zijn. Ik schiet vervolgens weer alles mis. We gaan maar lunchen, de sergeanten verdwijnen in een kamer. Als ze terugkomen voel ik de bui al hangen.
Het schieten moet echt beter, zeggen ze, en ook de wapenhandelingen (laden, ontladen) gaan niet soepel genoeg om veilig mee te kunnen naar de schietbaan. Dat laatste steekt: zelf had ik het idee dat ik die wapenhandelingen juist onder de knie had gekregen.
Dan gaat het snel. Ik moet afscheid nemen van de anderen. Sommige groepsgenoten, mensen die ik nog maar enkele dagen ken, lijken bozer en verontwaardigder over mijn lot dan ik zelf. Ik houd het niet helemaal droog, vriendschappen waren nog maar net ontsprongen.
Zo eindigen de sergeant en ik samen in de auto, op weg naar de kazerne om mijn spullen te pakken. Al die nieuwe gear moet ik vast teruggeven. Mijn militaire carrière strandt hier. Vinkje: ongeschikt. Wat zullen ze bij de krant zeggen?
Heel even vrees ik dat ik mijn pet ben vergeten bij de simulator en de sergeant moet vragen de auto te keren. Maar dan voel ik hem − zoals voorgeschreven − veilig in mijn rechterbroekzak zitten. Deze keer wel.