Rob van Essen In zijn nieuwe roman speelt een schoonmaakmiddel op pootjes een hoofdrol. Het is een eigenzinnige toevoeging aan zijn oeuvre van autobiografische sciencefiction en nuchter magisch-realisme.
Brixo reinigt alles en iedereen.
Het lijkt me niet ondenkbaar dat de letterkundigen van pakweg het jaar 2197 concluderen dat een van de meest prominente figuren uit de Nederlandse literatuur van 2026 een manshoge fles schoonmaakmiddel was.
Tweevoudig Librisprijswinnaar Rob van Essen (1963) situeert de sleutelscène van zijn nieuwe roman De grote schoonmaak in een Wageningse supermarkt. Daar is die ochtend, ter promotie van het nieuwe schoonmaakmiddel Brixo, een grote fles binnengestapt, op „korte, stevige beentjes”. Z’n gezichtje is opmerkelijk „knap gemaakt, de gelaatstrekken gingen naadloos over in de huid van de fles”. De hele dag demonstreert de Brixo het schoonmaakmiddel, gek genoeg wel zonder dat de persoon in het pak dat ook maar één keer uittrekt, en trouwens, de fles heeft ook geen zichtbare luchtgaten. „Die man moet toch stikken daarbinnen, in zo’n plastic ding?”, peinzen de twee supermarktmedewerkers, van wie er één de verteller in de roman is.
Rob van Essen: De grote schoonmaak. Das Mag, 279 blz. €24,99
Voor hen zal deze dag eindigen in een gebeurtenis die ze nooit meer vergeten.
Brixo schraapt langs een scherp schap, het plastic scheurt en zijn inhoud gulpt naar buiten, te weten: „zachtgroen, romig” schoonmaakmiddel. Merk op: er blijkt geen mens in het pak te zitten. Het betekent het einde van Brixo, hij bloedt als het ware dood.
Hè? Wat?! Ja, inderdaad. Aha, oké dan.
Maar vooral: hè? Wát? Of anders gezegd: is dit heel raar, of heel diepzinnig?
Allereerst: als er iemand zo’n absurditeit realistisch kan opschrijven, is het Rob van Essen. Al is ‘realistisch’ niet het beste woord: zoals hij het vertelt, gewoon koeltjes registrerend maar toch niet zonder verbazing, en laconiek maar ook ernstig, kun je erin meegaan, het geloven. Maar hoewel we van Van Essen wel iets gewend zijn – een pratende auto, reizen door de tijd – hoef je het ditmaal niet realistisch te vinden. Dit is en blijft abnormaal, en daar gáát het net om in De grote schoonmaak. Meer dan over het wonderbaarlijke voorval met de Brixo in de supermarkt draait deze roman over het omgaan met de onverteerbare onverklaarbaarheid daarvan.
„Opeens bevonden we ons in een ander stadium” – en die ‘we’ betreft ik-verteller Thomas en zijn supermarktcollega Vendriks – „niet meer in het leven zelf maar in een epiloog, waarin we wanhopig op zoek gingen naar een verklaring voor het absurde en onbegrijpelijke wat we hadden meegemaakt, en toen die uitbleef, naar een manier om met die leegte om te gaan”. Het „was iets, dat voelde ik meteen aan, wat je niet aan anderen kon vertellen, omdat werkelijk niemand het zou geloven”, aldus de al met al toch best ongelovige Thomas. Zo krijgt Van Essen de neuzen dezelfde kant op, van personages en lezers: we zitten met dezelfde dubbele verbijstering, over de waarachtige ervaring én de onbevattelijkheid ervan. Mooie boel: „Het kon niet gebeurd zijn, maar niet gebeurd was ook geen verklaring, tenzij je ervan uitging dat we een gemeenschappelijke hallucinatie hadden gehad.”
Over gemeenschappelijke hallucinaties gesproken: dit gaat natuurlijk over religie, waar ze met het onverklaarbare wel raad weten. Van Essen, zelf geloofsverlater van streng christelijke huize, beziet dat niet zozeer wrokkig als wel „met verbazing” over het „absurde karakter” ervan, zoals hij vorig jaar schreef in een nawoord bij zijn heruitgegeven roman Kwade dagen, waar hij ook al een jeugdherinnering „in een absurdistisch weefsel van verhalen” verpakte. In zijn nieuwe roman vertaalt zijn verbazing zich in empathische inleving: de hoofdpersoon is nu zelf de gelovige, ondanks het absurde karakter van het ‘geloof’ dat hij aanhangt.
De roman begint tien jaar na het supermarktvoorval, als Thomas en Vendriks in Engeland zijn aanbeland, en beschrijft in terugblikken de tussenliggende tijd. Daarin trok Thomas naar Amsterdam, hij werd kunstenaar, maakte schilderijen van gescheurde flessen schoonmaakmiddel, wat als mooi maatschappijkritisch geïnterpreteerd werd. Van Essen geeft zo een grappig eigenzinnige draai aan het jarentachtiggevoel van onttovering en ‘no future’, waar woede en nihilisme de enige serieuze opties waren, en voor de misschien wel bovennatuurlijke Brixo geen plaats was. Waarom vertel je me zo’n „lulverhaal”, aldus een beledigde geliefde tegen Thomas. De blijvende verbijstering leidde dus tot vervreemding en vereenzaming – wat trouwens essentiële gevoelens voor Van Essen-hoofdpersonen zijn, zoals je bijvoorbeeld terugziet in de lichte verbijstering die seks altijd bij hen teweegbrengt (dat dat vleselijke gestuntel zo bevredigend kan zijn, en dat die ander, in dat andere lijf, dat ook vindt!).
Bij Van Essen is dit levendig, waarachtig, overtuigend, omdat hij zoveel oog heeft voor de absurditeit van alledag (ik lachte hardop toen een bladzijde eindigde met: „Ik zou haar nooit terugvinden”, en de volgende bladzijde begon met: „Daar kwam ze aanlopen”). Terwijl het dus ook de hele tijd over wezenlijke zaken blijft gaan: over die Grote Absurditeit. De zoektocht van Thomas en Vendriks is zo pakkend en meeslepend doordát die onverklaarbare Brixo nog wel een verklaring verdient (hopelijk, misschien, toch?): het raadsel houdt de personages gaande en de motor draaiende in deze roman.
En ja, daarmee heeft Rob van Essen weer iets briljants te pakken – een blinkend frisse opvolger van twee Librisprijswinnende romans en een heerlijk eigenzinnige toevoeging aan zijn oeuvre van autobiografische sciencefiction en nuchter magisch-realisme. Groot is het vernuft waarmee De grote schoonmaak in elkaar blijkt te zitten, wanneer er (toch!) een soort van verklaring voor de absurditeit wordt gegeven, al kan daarover hier niet te veel gezegd worden, dat zou de betovering maar verbreken. Dat Van Essen zelf die betovering verbreekt, door de motorkap van zijn verhaal op te lichten, kun je bezwaarlijk vinden: daar wordt hij misschien één tikje te uitleggerig. Al staat daar de grote bewondering tegenover dat De grote schoonmaak tot in de kleinste details betekenisvol blijkt – tot aan de kleuren op het omslag, en tot aan zelfmythologiserende verwijzingen naar Van Essens eigen vroege werk – én vooral dat hij, dankzij de metafictionele laag die hij uiteindelijk toevoegt, een hoogst relevant verhaal blijkt te vertellen over geloof en rituelen.
Hè? We hadden het hier toch niet over een heilig boek? Maar over een verhaal over een fles schoonmaakmiddel op pootjes?
Terwijl de wereld zuchtte onder oorlogen en allerhande dreigingen, beschikte de Nederlandse literatuur van 2026 wel degelijk over ‘luchtgaten’, zou de literatuurwetenschapper van het jaar 2197 kunnen vaststellen, al ontbrak het daarmee niet aan ernst: De grote schoonmaak toonde dat raar en diepzinnig elkaar geenszins uitsluiten. Die komen immers samen in het absurde. Ook iets waaraan de wereld van 2026 geen gebrek had – wat sommigen tot wanhoop dreef, of in de armen van valse profeten, maar waar Rob van Essen met zijn roman een bevrijdend slim, grappig en reinigend antwoord op had.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews