Home

‘Sta jij weleens stil’, vroeg ik aan Mike, ‘bij de ongelooflijke opgeslotenheid der boeken? In hun kaft?’

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

‘En, hoe was het met je broer?’
‘Gontsjarov heeft hem een traantje laten wegpinken.’
‘Maar met hemzelf? Zijn eigen leven! Jullie hebben twee uur zitten bellen.’

‘Verdorie, vergeten te vragen.’ En na een stilte: ‘Dat zei Fruts’ vader vroeger, als hij met de lichtsnelheid z’n bord had leeggegeten, ‘verdorie, vergeten te proeven. En dan zei Fruts’ zusje dat ze het zielig voor d’r moeder vond.’

‘Hoe heette dat zusje? Frats?’

‘Hoe weet jij dat? Frats’ vader antwoordde dan dat niet haar moeder had gekookt, maar het gas.’

‘Heb je al eens gebruikt – toen zei je opa het.’

‘Jamaar toen vergiste ik me.’

We waren zeer te spreken over Oblomov, de Russische klassieker uit 1859 die Mike, een liefhebber van vroege gangstarap, denk aan Eazy-E en Ice Cube, bitches, guns en gangs, ontmaskerde als een gevoelige romanticus.

‘Wist ik niet van je, Mike.’

‘Ja, toch wel hoor, als je het zo fijntjes voor me opschrijft, dan ga ik voor de bijl, jongen, ik zat met een brok in mijn keel – jij niet?’

Ik ook, en niet alleen vanwege de liefde. Het boek, dat in de kern gaat over hoe te leven, als een trage, op zijn rust gestelde kluizenaar (Oblomov), of als een ambitieuze hemelbestormer (zijn vriend Stolz), verblufte me op allerlei fronten, compositie, tempo, stijl, de diepte van de psychologie, de beschrijving van Oblomovs melancholie over zijn eigen dadenloosheid bijvoorbeeld – het is onmogelijk om die bespiegelingen niet over te laten springen op je eigen karakter. Mike herkende de Oblomov in zichzelf, en vond mij een Stolz, maar ik vond mezelf juist een Oblomov, en Mike een Stolz – jij hebt afgelopen jaar tenminste een complete rijschool uit de grond getimmerd, ik zit hier maar als een pasja naast mijn boekenkast.’

‘Da’s wel waar, ja.’

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Deze column is te kort om de lof op Oblomov afdoende te zingen, daar is een grondig essay voor nodig, laat ik gewoon beweren dat het een betere roman is dan Anna Karenina (en ook Middlemarch), wat loos lijkt, maar nog lozer is klakkeloos het tegenovergestelde aan te nemen, wat gewoner is, let maar eens op: onder papegaaien geniet Oblomov een stuk minder aanzien.

Oblomov heeft me ook weer eens ingepeperd dat in de romankunst geen vooruitgang zit, Poesjkin zei dit al. ‘Haar doel is hetzelfde’, zeide hij, ‘haar middelen zijn hetzelfde.’ Oblomov is 167 jaar oud, maar ik zou niet zo makkelijk een boek van nu kunnen noemen dat de relatie tussen ambitie en geluk meeslepender analyseert en doorgrondt. Tijdens het lezen bekeek ik soms een daguerreotype van Gontsjarov, en stelde me hem voor, worstelend met dezelfde problemen als Cees.

‘Alleen Cees en Elvis’, zegt mijn vriendin Jet dromerig, ‘verder kan niemand zonder achternaam.’

‘Sta jij weleens stil’, vroeg ik aan Mike, ‘bij de ongelooflijke opgeslotenheid der boeken? In hun kaft?’

Nee, bij die ongelooflijke opgeslotenheid stond hij nooit stil.

‘Al 35 jaar wil ik weten of Oblomov goed is. En ben ik er vergeleken bij Proust of Oorlog en vrede nog als de kippen bij. Dat moet je je eens voorstellen met muziek. Met de Beatles.

‘Sja’, zei Mike. ‘Dat je je sinds 1984 afvraagt of Abbey Road iets is?’

‘Precies. Dat je de complete Beatles nog altijd alleen van horen zeggen kent. Terwijl die platen al eeuwen in je kast staan. En wie weet ga je wel je kist in voor het er überhaupt van komt.’

Schrok-ie wel even van, ja.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next