Philip Huff bouwt in Een goed nest, een roman-in-verhalen over een gebroken gezin, met fragmenten. Hij verbindt verhalen en vergroot daarmee de wereld; er zit iets heel rijks in. En toch ontbreekt het aan iets.
In 2024 besluit bestsellerauteur Philip Huff (Niemand in de stad, Wat je van bloed weet) met Open zijn laatste roman te hebben geschreven.
In het literair tijdschrift Hollands Maandblad trekt hij in een (ruim 15 duizend woorden tellend) betoog ten strijde tegen Nederlandse recensenten, in de hoop de ontvangst van zijn laatste roman te begrijpen, en de perceptie van autofictie in zijn algemeenheid. Huff is niet bang, hij zwaait immers af, is niet meer afhankelijk van de Nederlandse kritiek en hoeft het ‘afzeikerige, zelfingenomen toontje’ dat bepaalde recensenten hebben niet meer te dulden. Critici zijn mensen die grofheid verwarren met waarheid, onbeschaamdheid met scherpzinnigheid.
‘Mogen we van professionele lezers niet iets meer professionaliteit verwachten? Ik bedoel, als zij autobiografische literatuur al niet serieus nemen, er zo onzorgvuldig mee omgaan, wat kunnen we dan verwachten van de andere lezers?’
Twee jaar later is de gepensioneerde romanschrijver weer aan het werk geslagen, met Een goed nest als resultaat. Helaas voor Huff (1984) ben ik er ook nog, toontje incluis.
En, na herlezing van zijn stuk uit 2024, toch ook met wat aarzeling. Huff zette de verhouding tussen recensent en schrijver op scherp, bevroeg naar aanleiding van Open in hoeverre dat nou kan, een (autobiografisch) literair werk recht doen in een stukje van negenhonderd woorden. Het hield me bezig bij het lezen van Een goed nest, dat ik moeilijk plaatsen kon. Een roman die onberispelijk alle hokjes aantikt, een werk dat compleet en eigentijds is, maar waaraan tegelijkertijd iets ontbreekt. Bezieling. Hoe vang je zo’n gevoelsgebrek, iets wat bij uitstek een persoonlijke voorkeur is? Ik zal het zo professioneel mogelijk proberen te doen.
De familie Van der Meer heeft het goed. Uitzonderlijk goed. Zo’n Amsterdams gezin met cultureel en economisch kapitaal: er hangen portretten in olieverf van hun vier kinderen aan de muur, voor de zomers hebben ze een vakantiehuis in Zuid-Frankrijk, er is echte, gezouten roomboter, porselein, er zijn verse pioenen, rondslingerende dichtbundels, die sfeer. De façade die Huff optrekt in Een goed nest is er een van smaakvolle overdaad. Drie van de kinderen, Julia, Vincent en Paul, zijn uitgevlogen (gevlucht?), als kunstenaars de wereld in, respectievelijk naar Nieuw-Zeeland, overal-en-nergens en Londen-Los Angeles.
Het vierde kind, Charlotte, is bevroren in de tijd. Ze verdronk in het zwembad aan een vakantieadres. Huff laat haar dood stilletjes doorwerken, in het onbestemde gevoel dat de personages sindsdien opjaagt, in de asymmetrie van hun relaties, die nooit wederkerig in vertrouwen en toewijding lijken te zijn, zoals Vincent concludeert na het beëindigen van een bdsm-relatie.
Julia heeft een onvervulde kinderwens (‘Een wreder lot, dacht ze op haar dieptepunt, dan vier kinderen krijgen en er één verliezen’), Paul ziet zijn vriendin ervandoor gaan met zijn beste vriend. Vader Raymond is een klassieke boomerlul, zichzelf alles toe-eigenend. Zijn meer ingetogen vrouw Lucia voelt zich als de voetnoten in een boek: ‘ze horen erbij, maar niemand las ze’.
Huff bouwt in deze roman-in-verhalen met fragmenten, verbindt verhalen en vergroot daarmee de wereld (een schrijfadvies van personage Vincent, een romancier). Er zit iets heel rijks in dat nomadische. Knap neergezet, al die sfeertjes en vertelstemmen. Door de ogen van een jeugddelinquent die meedoet aan een schrijfprogramma zien we hoe hoogdravend Vincent eigenlijk is, ‘gemarineerd in verschillende vormen van privilege’, de jongen die we in een ander, opvallend plastisch verhaal naakt en op handen en voeten de vloeren zien dweilen in een New Yorks appartement. Als hij zijn best niet doet wordt hij met een stilettohak in zijn bil getrapt.
‘De lezer is slim. Laat haar haar werk doen’, nog zo’n schrijfadvies van Vincent. Dat is voor Een goed nest niet helemaal goed uitgepakt, Huff vertrouwt er wel erg op dat anderen het voegsel in zijn mozaïek zullen aanbrengen. Ik zocht naar een ankerpunt, net als de personages. Het bindmiddel. Ik moest af en toe denken aan de ‘deconstructed’ gerechten die een paar jaar geleden ineens op menukaarten stonden en daar gelukkig weer van lijken te zijn verdwenen; een plankje met daarop een kaneelstok, crumble en wat appelpartjes.
Soms wil je gewoon een lekker vet stuk taart.
Hoe vind je als mens nog samenhang als er al zo vroeg gaten vallen in het weefwerk van het gezin? Erfelijk succes helpt een beetje. Voorzichtig laat Huff de buitenwereld tegen de Van der Meers aanschoppen. ‘‘Je bent opgegroeid met vakantiehuizen, zeilboten, skivakanties en – je wilt alles. Niets, ook dit niet,’ – hij wees naar hen – ‘is genoeg’’, verwijt de vriend van Julia haar. Maar, lijkt Huff toch ook te zeggen, hij schaart zich naast de familie, ieder huisje…
Een goed nest laat de lezer zich nét iets te veel een buitenstaander voelen om echt met het gebroken gezin mee te leven, het gewicht van dat kruisje drukt niet op het boek. Daar is het geheel te fragmentarisch voor, te koudbloedig. Pas tegen het eind van het boek – Raymond blijkt ongeneeslijk ziek, de kinderen beraden zich – is er sprake van richting, urgentie.
Roman, staat er in het binnenwerk van dit boek. Had ik het werk niet juist geprezen om de losse samenhang als het een verhalenbundel was geweest? Wellicht, maar nu was me appeltaart beloofd.
Jammer, want dit boek bevat genoeg ‘losse’ stukken die echt de moeite zijn, zoals het verhaal ‘Iets anders’, over de Australische Lorraine, die haar burgerlijke, kleine leven overdenkt wanneer haar in een onbekend handschrift wordt verteld dat haar man een affaire heeft. Het briefje spoort haar aan tot iets heimelijks: ze drukt haar lippen op die van backpacker Vincent, een passant. Huff schrijft in dat stuk als die kus: trefzeker, levenslustig. Met warmte.
Philip Huff: Een goed nest. Prometheus; 336 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant