Lokaal bestuur
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Nog een kleine twee weken te gaan tot in 340 gemeenten de stembussen opengaan. Gestreden wordt om ruim 8.500 zetels, met gemiddeld 7,2 kandidaten per zetel, zo berekende persbureau ANP. Bijna duizend partijen doen aan de verkiezingen mee, waarvan 37 procent geen banden heeft met een landelijk actieve partij.
Waar is de opwinding op het Binnenhof over dit feest van de democratie? De aandacht van veel politici en politiek verslaggevers ging de afgelopen maanden naar de nieuwe Tweede Kamer, de formatie, het nieuwe kabinet, de eerste optredens van bewindspersonen. Naar de wel of niet verhoging van de AOW-leeftijd en – terecht – geopolitieke spanningen.
Wie buiten de Haagse bubbel kijkt, ziet dat er gelukkig wel degelijks iets gaande is. Zie de posters op lantaarnpalen in Brakel of Pernis, de borden in weilanden in Twente, de plakoorlog in het centrum van Den Haag. De interviews met lijsttrekkers en stemwijzers in regionale media. De talloze debatten in dorpshuizen over woningbouw, veiligheid op straat of cultuur. Hoor hoe inwoners zich zorgen maken over vergrijzing en polarisatie op lokáál niveau.
64 procent van de inwoners geeft zijn lokaal bestuur een voldoende (34 procent de Haagse politiek), zo bleek eerder deze week uit het doorlopende onderzoek Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Dat aandeel schommelt al sinds 2008 tussen de 60 en 70 procent. Mensen zijn „positiever over de mate waarin de lokale politiek luistert, deskundig is, belangen zorgvuldig afweegt en over wat het lokaal bestuur bereikt”, aldus het SCP. En: het gemeentebestuur „doet het beter dan de regering” als het gaat om „het boeken van resultaat”.
De kanttekening, noteert het SCP, is dat inwoners niet goed weten waar de gemeente over gaat. Omdat ze geen klachten hebben, vermoeden ze dat zij het goed doet: „Onbekend maakt in dit geval niet onbemind.”
Dat is zorgelijk: de gemeente is de democratische laag die het dichtst bij de burger staat. Dat is de reden dat zij de afgelopen tien jaar steeds meer taken heeft gekregen. Ook al is de financiële speelruimte klein en komt het Rijk regelmatig met beperkende voorwaarden, gemeenteraden kunnen keuzes maken. Niet over de komst van een asielzoekerscentrum, wel over waar en hoe. Niet over de beschikbaarheid van jeugdzorg, wel over welke en aan wie. Raadsleden bepalen waar woningen moeten komen, of parkeren betaald moet zijn, hoe de parken en wegen moeten worden onderhouden, of het theater subsidie krijgt of de sportclub. Alles dat je als inwoner ziet zodra je de voordeur uitloopt, kan je met je stem bepalen.
De opkomst was vier jaar geleden een bedroevende 50,9 procent, in Rotterdam zelfs nog geen 39 procent. Dat is een percentage waar álle politici zich zorgen over moeten maken. De noodzakelijke aandacht voor de gemeenteraadsverkiezingen en waarom die relevant zijn, zal daarom ook moeten komen van landelijke politici.
Het dubbele is dat landelijke toe-eigening van de gemeenteraadsverkiezingen in het verleden tot irritatie leidde onder lokale bestuurders. Landelijke thema’s en tegenstellingen kregen soms meer aandacht dan de onderwerpen waar gemeenten daadwerkelijk over gaan.
18 maart is geen referendum over het kabinet-Jetten. Wel een kans voor iedereen om duidelijk te maken dat de gemeenteraad het hoogste bestuur is in de eigen omgeving, en om raadsleden het belang toe te kennen dat zij verdienen.
Begin de dag met de belangrijkste politieke ontwikkelingen uit Den Haag