Gaël Faye In zijn bekroonde roman over de genocide in Rwanda laat deze schrijver en rapper de kloof tussen twee werelden zien, waarin het geweld zijn oorsprong vindt.
Een vrouw draagt een mand met groenten op het platteland van Gotovo, Rwanda.
„Er zijn mensen die het nog niet weten”, zei schrijver en rapper Gaël Faye (43) vorig jaar september op het festival Le livre sur les quais in Zwitserland, „maar zwijgen is dodelijk. In mijn familie sprak niemand over de genocide, ik dacht dat dat overal zo was. Het geweld was zo enorm geweest dat niemand een woord over zijn lippen kreeg.”
En juist omdat iedereen over die genocide in Rwanda zweeg, begon hij erover te schrijven. Met als resultaat een prachtige en gruwelijk indrukwekkende roman, Jacaranda, die bekroond werd met de prix Renaudot en de prix Goncourt des Pays-Bas.
Gaël Faye: Jacaranda (Jacaranda). Gaël Faye, Jacaranda. Vert. Liesbeth van Nes. Meulenhoff, 254 blz.
€ 22,99
Jacaranda is de naam van een subtropische boom met schitterende blauwpaarse bloemen, die heel lang bloeit. De cover van de Nederlandse vertaling is paars, de kleur van de rouw, de boom is in zwart afgedrukt, net als het meisje uit de roman dat zich graag boven in die boom verstopt. Het is „haar bestendige boei in de turbulentie van de voorbij stromende tijd”. Ze is nog onkundig van de vreselijke moordpartij waarvan de boom getuige is geweest.
Het meisje, Stella, is niet het enige personage in deze roman dat stap voor stap, met pijn en moeite de waarheid ontdekt. Milan, de verteller, is zoon van een Franse vader en Rwandese moeder, die in 1973 het land ontvluchtte. Hij is twaalf als er bij hen thuis, in Versailles, een neefje aankomt uit Rwanda, Claude. Hij is schriel, heeft een enorme hoofdwond, lijdt aan nachtmerries en zegt geen woord. Alleen bij een bezoekje aan de kermis komt hij een beetje tot leven. Op een dag verdwijnt hij weer, net zo onverwacht als hij was verschenen.
Als Milan ouder wordt, wordt hij nieuwsgierig naar het land waar zijn moeder vandaan komt. Waarom spreekt ze er nooit over? Wat schuilt er achter haar ruwe afstandelijkheid, waarom krijgt hij geen contact met haar? Als hij haar voor het eerst vergezelt op een reis naar Rwanda, waar ze vijfentwintig jaar niet is geweest, ontdekt hij dat ze er familie heeft; hij blijkt neven en nichten te hebben, een Rwandese grootmoeder, die naar Burundi vertrok, er als verpleegster werkte en na de genocide weer in Rwanda ging wonen. Hij ziet Claude terug, net als hij inmiddels een man geworden. Op straat kijkt iedereen Milan na, in Europa is hij van gemengde afkomst, maar hier ziet iedereen meteen dat hij wit is, een muzungu. Ook zijn moeder Venancia, die zwart is, wordt daar als wit beschouwd; ze zien het aan haar houding, haar kleren.De jongemannen trekken samen op, maar er zit een onoverbrugbare kloof tussen hun werelden. Claude verwijt Milan dat hij „niets ziet en niets begrijpt”, dat hij op vakantie gaat in een ‘vergiftigd’ land, waar mensen gek worden omdat ze leven met daders om zich heen. Dat Milan niets begrijpt, is omdat niemand hem iets vertelt.
Toch oefent Rwanda een onverklaarbare aantrekkingskracht op hem uit en als rechtenstudent besluit hij zijn scriptie te schrijven over de Gacaca-rechtbanken, publieke bijeenkomsten waarbij daders en slachtoffers elkaar na de genocide treffen – cruciaal in het proces van verzoening. Milan gaat terug naar Kigali, logeert bij een vriendin van zijn moeder en maakt het proces mee dat zijn vriend Claude heeft aangespannen tegen de moordenaars van zijn familie. Pas dan ontdekt hij wat voor poel van innerlijk verderf er schuilt achter die schijnbaar vrolijke drinkgelagen met bananenbier en achter de boekencollectie van zijn vriend Sartre, die na de genocide weeskinderen opving en graag in onderbroek in een avocadoboom zit.
Als de jonge Stella haar honderdjarige grootmoeder volhardend vragen stelt, hoort Milan hoe haar directe familieleden bij de gruwelijke slachtingen zijn vermoord – ondraaglijke verhalen die tot waanzin leiden. Het was de Belgische kolonisator die met meetapparatuur kwam, die de schedels en de neuzen mat, de bevolking indeelde in Hutu’s en Tutsi’s en de verplichte etnische identiteitskaart invoerde. „Die Europese mythe, die raciale tabellen, heeft de bevolking in de loop der tijd overgenomen, ze hebben ze geïnternaliseerd”, zei Faye in Zwitserland, „het heeft uiteindelijk tot de genocide geleid.”
De auteur zelf, die eerder veel succes had met de roman Klein land (Petit pays, 2016), werd geboren in Bujumbura, toen de Burundese hoofdstad. Hij vluchtte op zijn dertiende naar Frankrijk en ging alleen voor vakantie terug naar zijn geboorteland. Later ging hij in Kigali wonen. Zijn overgrootmoeder, die meer dan honderd jaar oud werd, vertelde hem over koningen, over de komst van Duitse kolonisten, later vervangen door Belgische.
Net als bij Milan drong de werkelijkheid pas tot Faye door toen hij er langer verbleef. Hoe was het mogelijk dat zijn tantes woonden naast de man die hun kinderen had vermoord? Hoe kon het dat ze elkaar gedag zeiden? „Het is een transactie”, meent Faye, „mensen dragen een pantser dat pas ’s avonds af gaat. Ze worden verteerd door wraakgevoelens, maar ze hebben besloten dat ze waardig verder willen leven. Je hebt geen idee wat voor inspanning dat kost.”Die inspanning heeft Faye in zijn roman voelbaar gemaakt, als lezer ben je eerst geboeid, dan ontzet en weer later knock-out. Knap weet Faye in de laatste hoofdstukken de verhaallijnen bij elkaar te brengen. Er gloort zelfs een sprankje hoop.
Zelf wil Faye niet meer over Rwanda schrijven, het heeft hem emotioneel uitgeput. Rappen daarentegen, zingen op zijn eigen hoopgevende, troostende teksten, zoals onlangs live in het Louvre, doet hij vaak en hartstochtelijk.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews