Klassieke muziek Nieuwsgierig naar klassieke muziek, maar weet je niet waar te beginnen? Onlangs verschenen er meerdere boeken om je in te wijden, toegankelijk geschreven voor een breed publiek. Welke uitdagingen komen de schrijvers tegen? En: heeft dit zendingswerk zin?
Vlnr: Richard Wagner, Wolfgang Amadeus Mozart, Johann Sebastian Bach.
In de kringloopwinkel sla ik de plank met klassiekemuziekboeken nooit over. Tussen de vergeelde componistenpockets en decennia oude operateksten staat altijd wel een luistergidsje dat klassiekemuziekmaagden belooft in te wijden in de wereld van de westerse kunstmuziek. Zulke gidsjes gaan meestal mee naar huis. Samen met nieuw verschenen boeken – de afgelopen maanden zorgden diverse auteurs voor nieuwe aanvoer – ontstaat in mijn boekenkast zo gestaag een kleine historiogafie van het schrijven over klassieke muziek voor het brede publiek.
Nieuwsgierigen die aarzelend een teen in het badwater van de klassieke muziek dopen, bekopen dat nogal eens met een pijnscheut: heet! Duizend jaar muziekgeschiedenis en een waslijst aan componistennamen: intimiderend. De vaktaal: abracadabra. De sfeer: alsof je binnenstapt bij een geheim genootschap dat je zwijgend taxeert. En dan zijn er nog de ‘songtitels’, die werkelijk alles aan de verbeelding overlaten: ‘Sonate nr. 5 in c klein, Op. 10 nr. 1, I. Allegro molto e con brio.’ Huh?
Voor die nieuwsgierigen laten auteurs al decennialang het bad vollopen met water op weldadige temperatuur. Bruisbal erin, kom er gezellig bij: klassieke muziek is er voor iedereen, dus ook voor jou. Of stelliger, zoals Concertgebouworkest-violist Marc Daniël van Biemen schrijft in zijn onlangs verschenen boek Essentiële stukken: ‘Ik ben er heilig van overtuigd dat iedereen van klassieke muziek houdt, ook al weet hij of zij het zelf nog niet.’
De meest gehoorde verzuchting boven het ontelbare aantal klassieke muziekstukken en uitvoeringen is: waar moet ik beginnen? Het woud der klassieke muziek voelt ondoordringbaar, en in een vrijetijdswereld die draait op instant gratification heeft niemand zin om over boomwortels te struikelen. Gecureerde luisterlijstjes, voorzien van lekker weglezende context, bieden een keur aan veilige routes.
Marc Daniël van Biemen, Essentiële stukkenDe allerbeste klassieke muziek die iedereen gehoord moet hebben. Thomas Rap, 224 blz. € 22,99
Aldo Druyf, Klassiek in pop. Aldo Classics, 196 blz. € 24,95
Theo van den Bogaard, Klank! Een muzikale geschiedenis van de westerse wereld. Prometheus, 328 blz. € 28,99
Merlijn Kerkhof, De 82 componisten die je moet kennen. Ambo|Anthos.: 280 blz. € 24,99
Pieter Bergé, Hoe groen klinkt een gitaar? Lannoo, 288 blz. € 25,99
Hans Reichenfeld, Schrijven over muziek kan eigenlijk niet. Meulenhoff/NRC, 182 blz. ca. € 7,50 (antiquarisch)
Hoe verder je teruggaat in de tijd, hoe systematischer zulke gidsjes zijn opgebouwd, bijna als een cursusboek: uitleg van begrippen, karakterisering van stijlperiodes en biografische informatie over componisten uit de canon. Maar dan wel verpakt in alledaagse taal. In recenter werk wordt die didactische informatie meer tussen neus en lippen door geserveerd, en doen auteurs en uitgeverijen er alles aan om hun muziekgidsen vooral niet als studieboeken te laten aanvoelen. Gitarist Aldo Druyf neemt je in Klassiek in pop (2025) mee langs zestig popnummers uit 1936–2022 met wortels in de klassieke muziek. Impresario Theo van den Bogaard koppelt in Klank! (2025) zijn vijfentwintig componistenbesprekingen aan politiek-historische context die mensen herkennen. En bij de vijftig essentiële stukken van Marc Daniël van Biemen krijg je, naast verhalen over de componist, ook muzikale jeugdherinneringen en zijn ervaringen in het Concertgebouworkest.
De luisterroute hoeft niet chronologisch te zijn: muziekjournalist Merlijn Kerkhof husselde zijn De 82 componisten die je moet kennen (2025) qua stijlperiode bewust door elkaar. Van Byrd naar Schubert, Monteverdi, Buxtehude, Ravel en zo verder. Voor die keuze valt veel te zeggen: het zorgt voor een prettig contrast en helpt ook het beeld doorbreken dat het genre ‘klassieke muziek’ één samenhangende massa is waar je lineair doorheen moet ploeteren. Ik sluit me aan bij het advies van de Vlaamse musicoloog Pieter Bergé: „Wil je echt binnendringen in de muziekwereld, doe het niet in de juiste volgorde, je kan maar beter alle tijdperken tegelijk ontdekken.” Bergé zelf schreef in 2019 trouwens wél een ‘klassiek’ chronologisch gestructureerde muziekgeschiedenis – voor jong en oud – die erin slaagt geen saai studieboek te zijn. Voor wie graag bij het begin begint en een panoramisch overzicht van de muzikale ontwikkelingen wil, is zijn vrolijk geïllustreerde boek Hoe groen klinkt een gitaar? een goede koop.
Hoe breed is eigenlijk het beoogde lezerspubliek van de klassieke-muziekgids? Best wel breed, verklappen flaptekstjes en voorwoorden. Het reikt van beginnelingen die zich afvragen wat een sonate nu eigenlijk is tot Concertgebouwveteranen die hun horizon willen verruimen. Van lezers die net de Vlooienmars kunnen pingelen tot luisteraars die weten dat er tussen John Taverner en John Tavener vier eeuwen liggen. Dat is een aardig verschil in kennisniveau. Voor de herder van zo’n gemêleerde lezerskudde is het een hele klus om niemand kwijt te raken.
De schrijvers die de programmaboekjes vullen met toelichtingen weten dat als geen ander. Ze bevinden zich dagelijks in een spagaat: ze worden door concertorganisatoren geïnstrueerd toegankelijk te schrijven voor de klassieke nieuwkomer, maar ook te zorgen dat het vaste publiek niet afhaakt. Geen jargon, maar ook weer niet te simpel. Luisteraanwijzingen? Leuk, maar duik niet al te diep in de muzikale analyses. Vlotte taal, maar niet te popiejopie graag. The struggle is real, om het in millennialtermen te vatten.
Bij het recenseren merk ik het zelf ook. Bij welke componistennaam geef je bijvoorbeeld extra duiding? Bach en Beethoven behoeven nauwelijks introductie, maar bij een naam als Herbert Howells gaat waarschijnlijk alleen bij koor- en orgelliefhebbers een lampje branden. En dan het jargon. Wat is het heerlijk om woorden tot je beschikking te hebben die precies uitdrukken wat je bedoelt. Maar helaas weet niet iedereen wat ze betekenen en in een recensie heb je geen ruimte om het uit te leggen. Crescendo kan nog net: dat is wel semi-ingeburgerd in de algemene taal. Chromatiek en contrapunt wordt al lastiger. Melisme? Dat wordt dan maar een notensliert of -tros. Is dat versimpeling of – nog erger – hipdoenerij? Zo ervaar ik het niet. Tijdens het schrijven voelt het niet als schipperen tussen jargon en jip-en-janneketaal, maar als een uitnodiging tot talige creativiteit waar zowel schrijver als lezer plezier aan kunnen beleven.
Over popiejopietaal gesproken: met de vlotte, ‘amicale’ toon die Kerkhof kiest in De 82 componisten die je moet kennen gaat hij „iets te zichtbaar door de knieën voor niet-ingewijden, de jongeren en sceptici die het te moeilijk of te highbrow vinden”, schreef Bas van Putten eind januari in De Groene Amsterdammer. Kerkhof heeft het onder andere over ‘componerende chicks’, maar dat is wel zo’n beetje het ‘ergste’ dat ik tegenkwam. Wat is eigenlijk door de knieën gaan? Het is maar wat je als uitgangspunt neemt. Afgelopen zomer bladerde ik in een Londens muziekantiquariaat door programmaboekjes van begin 1900. Ze stonden vol notenvoorbeelden, plus de boodschap dat de partituur na het concert te koop was. Dat waren nog eens tijden. In de loop der jaren moesten die notenvoorbeelden het afleggen tegen metaforische en poëtische beschrijvingen van de desbetreffende muzikale passages om publiek te kunnen bedienen dat niet met noten vertrouwd was, analyseerde musicologe Christiane Tewinkel in haar proefschrift over Duitse programmaboekjes. Ziedaar, de aftakeling! Een halve eeuw geleden kon NRC-journalist Hans Reichenfeld zich nog voorstellen dat er lezers zijn die aanstoot nemen aan een vergelijking tussen bijvoorbeeld de muziek van Bach en architectuur van barokkerken, meldt hij in zijn boek Schrijven over muziek kan eigenlijk niet (1979). Ik vind zo’n vergelijking juist verhelderend: het legt de overkoepelende esthetiek van een tijd bloot en laat zien dat muziek geen op zichzelf staand fenomeen is.
Wat Kerkhofs taalgebruik betreft: voor mij voelt het niet als buigen voor de lowbrow lezer. Is het verschil in leeservaring met Van Putten niet gewoon een generatiekwestie? Ik herken bij Kerkhof – hij is van 1986, ik van 1995 – simpelweg de taal waarmee onze generatie, toch een deel van zijn doelgroep, over klassieke muziek spreekt. Neem mijn kamerkoor, gevuld met millennials. In opperste concentratie een hartverscheurend en kneitermoeilijk klankencluster van Penderecki uit het diepst van je vezels trekken: „Wauw, klonk dat effe lekker.’’ ‘Amicaler’ taalgebruik staat niet gelijk aan een oppervlakkigere relatie met de materie waarover wordt gesproken, wil ik maar zeggen.
Een ander antidotum dat in de toegankelijkheidswedloop vaak wordt ingezet tegen het verheven imago van klassieke muziek, is het neerzetten van de componist als gewone sterveling – liefst voorzien van een anachronistische typering. Hildegard von Bingen: middeleeuwse girlboss. Bach: workaholic voor God. Beethoven: dwarse zzp’er. Anekdotes helpen eveneens om de muziekgoden van hun Olympus te verdrijven. Luchtige verhaaltjes onthullen dat de genieën van toen ook maar mensen waren, compleet met conflicten met werkgevers en woelige privélevens. In het beste geval verheldert zo’n anekdote iets van de mens achter de noten. In het slechtste geval is het een opstapje dat nergens heen leidt: je kunt er op een borrel goede sier mee maken, maar de muziek zelf blijft op afstand – en daar was het nou juist om te doen. Een sleets voorbeeld: Wist je dat Bach wel twintig kinderen had? Nou nou, die is druk bezig geweest! Alsof een verhaaltje over voortplantingsdrift de leek dichter bij de Matthäus-Passion brengt. Maar kijk ons van de klassieke muziek eens niet-intimiderend zijn: ook componisten deden het graag.
Levert dit drempelverlagende zendingswerk eigenlijk wat op? Als het aan Van Putten ligt, werkt het averechts: het kweekt eerder passieve, toeristische cultuursnuivers dan ware liefhebbers die zorgen voor een stevig fundament onder de sector „Wie cultuur wil redden, moet de kunst weer moeilijk maken”, schrijft hij. „Kunst is hoog en naar die hoogten moet je willen klimmen.” Ik vind het een mooie gedachte: inspanning levert vaak een mooie ervaring op. Er zijn heus mensen die wíllen klimmen, maar het is nu eenmaal zo dat klassieke muziek het zwaar heeft, in de strijd om aandacht in het onderwijs, de politiek, de vrije tijd en zo verder. Wat zeg je dan tegen de nieuwsgierige die toch naar die hoogten wil klimmen? „Zie zelf maar hoe je boven komt”? Een enkel muziekgidsje – of een boekenplank vol – zal de situatie niet keren. Maar een gezekerde klimroute is wel zo prettig voor wie zich meldt aan de voet van de berg.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden