Home

De landbouw gebruikt elk jaar grote hoeveelheden schimmelbestrijders. In het ziekenhuis merken ze de gevolgen

Infectieziekten De schimmel Aspergillus fumigatus maakt in Nederland honderden slachtoffers per jaar. Bestrijdingsmiddelen in de landbouw hebben de schimmel resistent gemaakt.

Aspergillus fumigatus, die vaak resistent is tegen schimmeldodende middelen.

De schimmel Aspergillus fumigatus is een natuurlijk tuinhulpje. Hij houdt van warme, vochtige plekjes met organisch materiaal. Je vindt hem in broeierige composthopen, tussen de stapels bladeren in een herfstig bos en in de potgrond van je kamerplant.

Leg je Aspergillus fumigatus onder de microscoop, dan zie je een kluwen van lange draden, met aan de uiteinden een soort bolletjes die lijken op uitgebloeide paardebloemen. In een petrischaaltje maakt deze schimmel groene of grijze, harige ronde vlekken – zoals die ook op je boterham kunnen groeien als je die een week in je trommel laat zitten.

Maar Aspergillus fumigatus kan ook in mensen groeien. De sporen van deze schimmel zweven in heel Nederland door de lucht. Iedereen ademt de microscopisch kleine deeltjes in.

Bij gezonde mensen ruimt het immuunsysteem de schimmel zelf weer op, maar dat geldt niet voor mensen met een verzwakte afweer. Bij hen kan Aspergillus fumigatus een levensbedreigende ziekte veroorzaken, invasieve aspergillose. De schimmel groeit dan in de longen en kan, als die lang genoeg doorwoekert, vanuit daar ook andere weefsels infiltreren, zoals de hersenen, nieren en lever. Per jaar lopen ongeveer duizend mensen in Nederland deze ernstige schimmelinfectie op, zo’n tweehonderd overlijden eraan.

Sporenvormende draden (conidioforen) van de schimmel Aspergillus fumigatus. Ingekleurde elektronenmicroscopische foto.

Er ís een behandeling, met een schimmeldodend middel – een zogeheten antimycoticum (niet te verwarren met antibioticum). Maar wat als de schimmel steeds minder goed reageert op dat middel, en er geen zicht is op een nieuw medicijn? En wat als blijkt dat het probleem zijn oorsprong helemaal niet in het ziekenhuis vindt, maar in de landbouw? „In de Nederlandse ziekenhuizen wordt zo’n vijfhonderd kilo antischimmelmiddel per jaar gebruikt”, zegt schimmelonderzoeker en microbioloog Eveline Snelders, verbonden aan Wageningen University & Research. „Maar in de landbouw worden per jaar tonnen aan middelen met precies dezelfde werking gebruikt.”

Zo’n 10 tot 15 procent van álle Aspergillus fumigatus in Nederland, zo schatten onderzoekers, reageert inmiddels niet meer op een behandeling met voriconazol, het beste beschikbare medicijn tegen deze schimmel. Patiënten die ziek worden van zo’n resistente aspergillus hebben een 30 procent slechtere overleving dan patiënten die een ‘gevoelig’ type onder de leden hebben, dat wel op de behandeling reageert.

In 2022 publiceerde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een lijst met 19 voor mensen bedreigende schimmels. De lijst met soorten die steeds slechter op medicijnen reageren, groeit de afgelopen jaren.

Zo duikt in de medische literatuur sinds een paar jaar Trichophyton indotineae op, een huidschimmel die voornamelijk voorkomt in Zuid-Azië, maar inmiddels ook in Nederland. Drie tot zeven op de tien behandelingen met voorkeursmedicijn terbinafine slaat niet meer aan.

Plafond- en vloertegels verwijderd

Of, nog zorgwekkender: de multiresistente gist Candida auris, die levensbedreigende bloedvergiftiging kan veroorzaken waaraan 30 tot 60 procent van de patiënten overlijdt. De eencellige huidschimmel dook zo’n vijftien jaar geleden op in Japan en maakt inmiddels slachtoffers in ziekenhuizen en verpleeghuizen over de hele wereld – met name in de Verenigde Staten en in Azië, maar ook in Nederland is de gist al gesignaleerd. Candida auris kan dagenlang op oppervlaktes overleven en reageert op praktisch geen enkel medicijn. In ziekenhuizen in New York en New Jersey moesten al hele patiëntenkamers worden afgebroken, en plafond- en vloertegels verwijderd, om van de gist af te komen.

Voor wetenschappers in de schimmelwereld is dit alles geen nieuws. Sterker nog: zij wijzen al twintig jaar op het gevaar van resistente schimmels. Met het jaar neemt de urgentie toe, want de patiëntengroep die hier kwetsbaar voor is groeit: steeds meer mensen worden behandeld met immuunonderdrukkende medicijnen. Bovendien gaat er sinds 2016 een variant van de griep rond die patiënten kwetsbaar maakt voor schimmelinfecties. Ook gezonde mensen met een goede afweer kunnen overlijden aan een schimmel als ze met deze griep op de intensive care belanden.

In 2024 bracht de Gezondheidsraad een ongevraagd rapport uit waarin de rijksoverheid aangespoord wordt om actie te ondernemen tegen het resistentieprobleem („De problematiek rondom resistente schimmels is vergelijkbaar met die rondom resistentie van bacteriën tegen antibiotica, maar effectief beleid ontbreekt”) en afgelopen jaar De plantenbak naast het ziekenhuis„Het mysterie begon in 2002”, zegt microbioloog Paul Verweij, hoogleraar klinische mycologie aan het Radboudumc. Vraag je in de schimmelwereld naar een expert, dan wijst iedereen naar hem. Verweij legt uit dat 2002 het jaar was waarin het antischimmelmiddel voriconazol werd geregistreerd voor de behandeling van een ernstige aspergillose. „Vijf jaar later, in 2007, kwamen uit een ziekenhuis in Nijmegen geluiden dat er patiënten waren die niet zouden reageren op de medicijnen. Toen we dat gingen onderzoeken, bleek dat zij geïnfecteerd waren met een resistente stam.”Wat daar vooral vreemd aan was, zegt Verweij, is dat vier patiënten bij wie de behandeling niet aansloeg, nooit eerder waren behandeld met een antischimmelmiddel. Bovendien hadden de schimmels van al die patiënten precies dezelfde mutatie in het dna. „De resistentie is dus niet ín het lichaam ontstaan, realiseerden we ons destijds. Dat moet in de omgeving zijn gebeurd.”En inderdaad, in de plantenbak bij de hoofdingang van het ziekenhuis vond de onderzoeksgroep van Verweij een resistente Aspergillus. Even verderop, in een tuincentrum, hetzelfde verhaal. „Even dachten internationale collega’s dat dit een Nijmeegs of Nederlands probleem was”, zegt de Wageningse microbioloog en schimmelonderzoeker Eveline Snelders, die destijds promoveerde bij Verweij. „Maar toen vervolgens in meerdere andere landen Aspergillus fumigatus werd opgekweekt, bleek daar precies hetzelfde aan de hand.”Terugrekenend concludeerden Verweij en Snelders dat de resistentie vanaf ongeveer 2000 moet zijn ontstaan. „Daarvoor kwam het probleem niet voor”, zegt Verweij.Hoe kon deze schimmel resistent worden tegen een middel dat pas net in de kliniek werd gebruikt? Het antwoord vonden Paul Verweij en Eveline Snelders, tot hun eigen verbazing, in de landbouw.„Als schimmelonderzoekers keken we jarenlang met onze koker op alleen naar de ziekenhuizen”, zegt Snelders. „Maar toen we ons op de omgeving gingen richten, bleken antischimmelmiddelen met hetzelfde werkingsmechanisme óók in de landbouw te worden gebruikt.”Toen Verweij en Snelders dat zo’n vijftien jaar geleden ontdekten, was de puzzel snel gelegd: het afval van de bespoten akkers komt op grote composthopen terecht, waar het in contact komt met tuinhulp Aspergillus fumigatus. In die composthoop krijgt de schimmel de kans om zich aan te passen, tot er een variant ontstaat die zich niet meer laat uitroeien door het antischimmelmiddel.De doorbraak van de azolenReageert een bacterie niet langer op een medicijn, dan liggen er doorgaans meer middelen met een ander werkingsmechanisme op de plank. Bij schimmels is dat anders. „Het is heel lastig om een schimmeldodend middel te maken dat veilig is voor mensen”, legt Snelders uit.Dat heeft te maken met de celstructuur van schimmels. Die lijkt erg op die van mensen. In tegenstelling tot bacteriën, waar het dna los in de cel zweeft (prokaryoot), hebben schimmels en mensen veel complexere cellen met een celkern en allerlei kleine structuurtjes met specifieke functies ín de cel (eukaryoot). „Een antischimmelmiddel moet een onderdeel van de cel van de schimmel afbreken, die niet óók in menselijke cellen voorkomt”, legt Snelders uit. „Anders is het middel ook schadelijk voor de patiënt.”Zoom inZoom inEen van de stickers die gebruikt worden om schimmelsporen in de lucht te vangen (links). Rechts drie Wageningse onderzoekers, met in het midden Eveline Snelders.Foto Dieuwertje BravenboerVolgens Paul Verweij zijn er de afgelopen 75 jaar vijf potentiële werkingsmechanismen ontdekt, waarvan er momenteel twee nog in ontwikkeling zijn: de orotomiden en de oxazolen. „Ik verwacht niet dat er de komende vijftig jaar nieuwe aangrijpingspunten bijkomen. De pijplijn voor nieuwe medicijnen tegen schimmels is behoorlijk leeg.”De opkomst van de azolen in de jaren 90, waaronder voriconazol, was om die reden destijds een grote doorbraak. Azolen zijn stikstofhoudende verbindingen die aangrijpen op het membraan van de schimmelcel. Medicijnen met dit werkingsmechanisme geven veel minder bijwerkingen dan de eerder gebruikte middelen. „Maar andere azolen met precies dezelfde werking worden ook in de landbouw gebruikt”, zegt Snelders.Die markttoelating gaat bovendien vaak sneller, omdat de veiligheid niet met grote, lange studies hoeft te worden aangetoond, zoals dat bij medicijnen voor mensen wel nodig is. Neem het voor mensen nu nog experimentele medicijn Olorofim. Daaraan wordt al zo’n 18 jaar gewerkt, maar een paar jaar geleden is hetzelfde werkingsmechanisme vrijgekomen voor de landbouw. Het middel is al toegelaten in onder meer de VS, Canada, Brazilië en Australië. In Europa loopt de aanvraag nog. „Zo lopen we in de ziekenhuizen dus achter de feiten aan.”Blinde vlekSinds de monocultuur zijn intrede deed in de Nederlandse landbouw, vlak na de Tweede Wereldoorlog, nam de kans aanzienlijk toe dat een schimmel de oogst bederft. Botrytis (grauwe schimmel), Fusarium en Phytophthora (officieel een pseudo-schimmel) tasten sierteelt, houtsoorten, citrusvruchten en groentes aan. Ze kunnen moeiteloos een hele aardappeloogst om zeep helpen. Niet zo vreemd dus, dat antischimmelmiddelen in grote hoeveelheden gebruikt worden voor onze intensieve landbouw. Als een nieuw antischimmelmiddel voor de landbouw moet worden goedgekeurd, wordt wél gekeken hoe veilig dat middel is voor mens en natuur, maar níét naar het effect op schimmels die indirect ook gevaarlijk zijn voor mensen. Aspergillus fumigatus komt dus niet voor in de risicoanalyse van antischimmelmiddelen voor de landbouw, omdat de schimmel zélf niet schadelijk is voor planten en bloemen. „Zo kon het gebeuren dat deze schimmel lange tijd een blinde vlek is geweest”, zegt Snelders. „En nu die zich eenmaal heeft weten aan te passen aan al die azolen om zich heen, heeft de kliniek een groot probleem.”„Als ik in een ziekenhuis een antischimmelmiddel wil voorschrijven, wordt alles gecheckt: behandelduur, dosering, indicatie”, zegt Verweij. „Maar wat er met dat middel in het milieu gebeurt, houden we helemaal niet in de gaten.”Nu bekend is hoe Aspergillus fumigatus resistent is geworden, blijven er twee belangrijke vragen over: waar in Nederland komt die resistente variant voornamelijk voor? En is er een overlap met de woonplaats van zieke patiënten? Een schimmelval in de tuinSnelders en twee promovendi voegden afgelopen jaar een belangrijk puzzelstukje toe: zij onderzochten waar in Nederland de meeste resistente schimmelsporen door de lucht dwarrelen.Dat lukte mede door het grote enthousiasme van honderden Nederlanders die zich aanmeldden bij het onderzoek (Schimmelradar), om in hun eigen tuin schimmelsporen te meten. Via de post kregen zij een driehoekig plastic huisje opgestuurd, met daarin drie stickers. Deze zogenaamde ‘deltaval’ (naar de vorm van het huisje) konden mensen ergens in hun tuin plaatsen, maar niet vlak naast een composthoop.Na een tijdje stuurden de deelnemers de stickers terug naar Wageningen. Daar werden ze in een petrischaaltje gelegd en overgoten met een laagje schimmelvoedsel, zodat de sporen gingen groeien. De gegroeide schimmels kregen een tweede behandeling, met het schimmeldodende middel voriconazol uit de kliniek. Alleen de resistente schimmels overleefden die behandeling.Zo konden de onderzoekers niet alleen zien hoeveel procent van de schimmels inmiddels resistent is, maar ook waar die variant het meeste voorkomt.Een petrischaal in Wageningen met de opgekweekte resistente schimmel Aspergillus fumigatus.Foto Dieuwertje BravenboerZoom inDe conclusie: sporen van Aspergillus fumigatus komen in heel Nederland voor (alleen langs de kust was het aantal sporen lager, mogelijk omdat vanuit zee weinig sporen landinwaarts geblazen worden), maar de resistente variant zweeft vooral in de buurt van specifieke vormen van landbouw, met name de sierteelt en de kassen. „Gemiddeld was ongeveer 4 procent van de gekweekte aspergillus resistent”, zegt Snelders. „Maar er zijn gebieden met 0 procent en gebieden met wel 20 of 30 procent resistentie.”Opvallend genoeg is niet overal waar de azolen veel worden gebuikt de schimmel het meest resistent. „We vermoeden dat het de combinatie is van middelengebruik met de manier waarop afval wordt verwerkt”, zegt Snelders, die in de bevinding gelijk een deel van de oplossing bespeurt. „We kunnen dus onderzoeken of een betere omgang met afval helpt: composthopen bevatten soms wel een miljard schimmelsporen. De afvalbergen nat houden, afdekken of het afval eerder afvoeren kan helpen.”In vervolgonderzoek wil Verweij met collega’s deze bevindingen het liefst koppelen aan de postcodes van aspergillose-patiënten die niet op hun behandeling reageerden. „We kunnen dan hopelijk in kaart brengen of bepaalde woonplaatsen een verhoogd risico met zich meebrengen.”Veel vragen, nog weinig antwoordenVergeleken met andere landen heeft Nederland een relatief hoog percentage resistente aspergillus. Wonen we hier te dicht op elkaar? Is het de intensieve landbouw? „Op veel van die vragen hebben we nog geen antwoord”, zegt Verweij. „Omdat er in dit kleine en relatief onbekende vakgebied weinig geld is voor onderzoek.”Het ECDC (het agentschap van de Europese Unie dat infectieziekten monitort) let goed op muterende virussen en resistente bacteriën, maar heeft geen schimmelafdeling. De WHO had tot voor kort weinig omkijken naar schimmels. In Nederland is er naast het referentielaboratorium in Nijmegen nog één ander lab dat de resistentie van schimmels in de gaten houdt. „De urgentie begint langzaam door te dringen op beleidsniveau”, zegt Verweij. „Maar wat vooral ontbreekt is een goed opgetuigd Europees schimmelnetwerk, net zoals bij antibioticaresistentie.”Aspergillus is de kanarie in de kolenmijn, waarschuwt Eveline Snelders. Volgens haar is de kans groot dat schimmelsoorten die elders op de wereld voorkomen, ook resistent aan het worden zijn, zoals Aspergillus niger en flavus, Candida parapsilosis en Candida tropicalis, waar een link met fungicidengebruik steeds duidelijker wordt. „Maar hoe dat precies zit, weten we niet, want in armere landen is er nóg minder geld om dat uit te zoeken. Het grotere verhaal achter deze resistente schimmel is dat we allerlei dingen doen in het milieu waar we geen zicht op hebben.”Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC WetenschapOp de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tusseninInschrijvenIngeschrevenAfmeldenGeef cadeauDeelMail de redactie

„Het mysterie begon in 2002”, zegt microbioloog Paul Verweij, hoogleraar klinische mycologie aan het Radboudumc. Vraag je in de schimmelwereld naar een expert, dan wijst iedereen naar hem. Verweij legt uit dat 2002 het jaar was waarin het antischimmelmiddel voriconazol werd geregistreerd voor de behandeling van een ernstige aspergillose. „Vijf jaar later, in 2007, kwamen uit een ziekenhuis in Nijmegen geluiden dat er patiënten waren die niet zouden reageren op de medicijnen. Toen we dat gingen onderzoeken, bleek dat zij geïnfecteerd waren met een resistente stam.”

Wat daar vooral vreemd aan was, zegt Verweij, is dat vier patiënten bij wie de behandeling niet aansloeg, nooit eerder waren behandeld met een antischimmelmiddel. Bovendien hadden de schimmels van al die patiënten precies dezelfde mutatie in het dna. „De resistentie is dus niet ín het lichaam ontstaan, realiseerden we ons destijds. Dat moet in de omgeving zijn gebeurd.”

En inderdaad, in de plantenbak bij de hoofdingang van het ziekenhuis vond de onderzoeksgroep van Verweij een resistente Aspergillus. Even verderop, in een tuincentrum, hetzelfde verhaal. „Even dachten internationale collega’s dat dit een Nijmeegs of Nederlands probleem was”, zegt de Wageningse microbioloog en schimmelonderzoeker Eveline Snelders, die destijds promoveerde bij Verweij. „Maar toen vervolgens in meerdere andere landen Aspergillus fumigatus werd opgekweekt, bleek daar precies hetzelfde aan de hand.”

Terugrekenend concludeerden Verweij en Snelders dat de resistentie vanaf ongeveer 2000 moet zijn ontstaan. „Daarvoor kwam het probleem niet voor”, zegt Verweij.

Hoe kon deze schimmel resistent worden tegen een middel dat pas net in de kliniek werd gebruikt? Het antwoord vonden Paul Verweij en Eveline Snelders, tot hun eigen verbazing, in de landbouw.

„Als schimmelonderzoekers keken we jarenlang met onze koker op alleen naar de ziekenhuizen”, zegt Snelders. „Maar toen we ons op de omgeving gingen richten, bleken antischimmelmiddelen met hetzelfde werkingsmechanisme óók in de landbouw te worden gebruikt.”

Toen Verweij en Snelders dat zo’n vijftien jaar geleden ontdekten, was de puzzel snel gelegd: het afval van de bespoten akkers komt op grote composthopen terecht, waar het in contact komt met tuinhulp Aspergillus fumigatus. In die composthoop krijgt de schimmel de kans om zich aan te passen, tot er een variant ontstaat die zich niet meer laat uitroeien door het antischimmelmiddel.

De doorbraak van de azolen

Reageert een bacterie niet langer op een medicijn, dan liggen er doorgaans meer middelen met een ander werkingsmechanisme op de plank. Bij schimmels is dat anders. „Het is heel lastig om een schimmeldodend middel te maken dat veilig is voor mensen”, legt Snelders uit.

Dat heeft te maken met de celstructuur van schimmels. Die lijkt erg op die van mensen. In tegenstelling tot bacteriën, waar het dna los in de cel zweeft (prokaryoot), hebben schimmels en mensen veel complexere cellen met een celkern en allerlei kleine structuurtjes met specifieke functies ín de cel (eukaryoot). „Een antischimmelmiddel moet een onderdeel van de cel van de schimmel afbreken, die niet óók in menselijke cellen voorkomt”, legt Snelders uit. „Anders is het middel ook schadelijk voor de patiënt.”

Een van de stickers die gebruikt worden om schimmelsporen in de lucht te vangen (links). Rechts drie Wageningse onderzoekers, met in het midden Eveline Snelders.

Volgens Paul Verweij zijn er de afgelopen 75 jaar vijf potentiële werkingsmechanismen ontdekt, waarvan er momenteel twee nog in ontwikkeling zijn: de orotomiden en de oxazolen. „Ik verwacht niet dat er de komende vijftig jaar nieuwe aangrijpingspunten bijkomen. De pijplijn voor nieuwe medicijnen tegen schimmels is behoorlijk leeg.”

De opkomst van de azolen in de jaren 90, waaronder voriconazol, was om die reden destijds een grote doorbraak. Azolen zijn stikstofhoudende verbindingen die aangrijpen op het membraan van de schimmelcel. Medicijnen met dit werkingsmechanisme geven veel minder bijwerkingen dan de eerder gebruikte middelen. „Maar andere azolen met precies dezelfde werking worden ook in de landbouw gebruikt”, zegt Snelders.

Die markttoelating gaat bovendien vaak sneller, omdat de veiligheid niet met grote, lange studies hoeft te worden aangetoond, zoals dat bij medicijnen voor mensen wel nodig is. Neem het voor mensen nu nog experimentele medicijn Olorofim. Daaraan wordt al zo’n 18 jaar gewerkt, maar een paar jaar geleden is hetzelfde werkingsmechanisme vrijgekomen voor de landbouw. Het middel is al toegelaten in onder meer de VS, Canada, Brazilië en Australië. In Europa loopt de aanvraag nog. „Zo lopen we in de ziekenhuizen dus achter de feiten aan.”

Blinde vlek

Sinds de monocultuur zijn intrede deed in de Nederlandse landbouw, vlak na de Tweede Wereldoorlog, nam de kans aanzienlijk toe dat een schimmel de oogst bederft. Botrytis (grauwe schimmel), Fusarium en Phytophthora (officieel een pseudo-schimmel) tasten sierteelt, houtsoorten, citrusvruchten en groentes aan. Ze kunnen moeiteloos een hele aardappeloogst om zeep helpen. Niet zo vreemd dus, dat antischimmelmiddelen in grote hoeveelheden gebruikt worden voor onze intensieve landbouw.

Als een nieuw antischimmelmiddel voor de landbouw moet worden goedgekeurd, wordt wél gekeken hoe veilig dat middel is voor mens en natuur, maar níét naar het effect op schimmels die indirect ook gevaarlijk zijn voor mensen. Aspergillus fumigatus komt dus niet voor in de risicoanalyse van antischimmelmiddelen voor de landbouw, omdat de schimmel zélf niet schadelijk is voor planten en bloemen. „Zo kon het gebeuren dat deze schimmel lange tijd een blinde vlek is geweest”, zegt Snelders. „En nu die zich eenmaal heeft weten aan te passen aan al die azolen om zich heen, heeft de kliniek een groot probleem.”

„Als ik in een ziekenhuis een antischimmelmiddel wil voorschrijven, wordt alles gecheckt: behandelduur, dosering, indicatie”, zegt Verweij. „Maar wat er met dat middel in het milieu gebeurt, houden we helemaal niet in de gaten.”

Nu bekend is hoe Aspergillus fumigatus resistent is geworden, blijven er twee belangrijke vragen over: waar in Nederland komt die resistente variant voornamelijk voor? En is er een overlap met de woonplaats van zieke patiënten?

Een schimmelval in de tuin

Snelders en twee promovendi voegden afgelopen jaar een belangrijk puzzelstukje toe: zij onderzochten waar in Nederland de meeste resistente schimmelsporen door de lucht dwarrelen.

Dat lukte mede door het grote enthousiasme van honderden Nederlanders die zich aanmeldden bij het onderzoek (Schimmelradar), om in hun eigen tuin schimmelsporen te meten. Via de post kregen zij een driehoekig plastic huisje opgestuurd, met daarin drie stickers. Deze zogenaamde ‘deltaval’ (naar de vorm van het huisje) konden mensen ergens in hun tuin plaatsen, maar niet vlak naast een composthoop.

Na een tijdje stuurden de deelnemers de stickers terug naar Wageningen. Daar werden ze in een petrischaaltje gelegd en overgoten met een laagje schimmelvoedsel, zodat de sporen gingen groeien. De gegroeide schimmels kregen een tweede behandeling, met het schimmeldodende middel voriconazol uit de kliniek. Alleen de resistente schimmels overleefden die behandeling.

Zo konden de onderzoekers niet alleen zien hoeveel procent van de schimmels inmiddels resistent is, maar ook waar die variant het meeste voorkomt.

Een petrischaal in Wageningen met de opgekweekte resistente schimmel Aspergillus fumigatus.

De conclusie: sporen van Aspergillus fumigatus komen in heel Nederland voor (alleen langs de kust was het aantal sporen lager, mogelijk omdat vanuit zee weinig sporen landinwaarts geblazen worden), maar de resistente variant zweeft vooral in de buurt van specifieke vormen van landbouw, met name de sierteelt en de kassen. „Gemiddeld was ongeveer 4 procent van de gekweekte aspergillus resistent”, zegt Snelders. „Maar er zijn gebieden met 0 procent en gebieden met wel 20 of 30 procent resistentie.”

Opvallend genoeg is niet overal waar de azolen veel worden gebuikt de schimmel het meest resistent. „We vermoeden dat het de combinatie is van middelengebruik met de manier waarop afval wordt verwerkt”, zegt Snelders, die in de bevinding gelijk een deel van de oplossing bespeurt. „We kunnen dus onderzoeken of een betere omgang met afval helpt: composthopen bevatten soms wel een miljard schimmelsporen. De afvalbergen nat houden, afdekken of het afval eerder afvoeren kan helpen.”

In vervolgonderzoek wil Verweij met collega’s deze bevindingen het liefst koppelen aan de postcodes van aspergillose-patiënten die niet op hun behandeling reageerden. „We kunnen dan hopelijk in kaart brengen of bepaalde woonplaatsen een verhoogd risico met zich meebrengen.”

Veel vragen, nog weinig antwoorden

Vergeleken met andere landen heeft Nederland een relatief hoog percentage resistente aspergillus. Wonen we hier te dicht op elkaar? Is het de intensieve landbouw? „Op veel van die vragen hebben we nog geen antwoord”, zegt Verweij. „Omdat er in dit kleine en relatief onbekende vakgebied weinig geld is voor onderzoek.”

Het ECDC (het agentschap van de Europese Unie dat infectieziekten monitort) let goed op muterende virussen en resistente bacteriën, maar heeft geen schimmelafdeling. De WHO had tot voor kort weinig omkijken naar schimmels. In Nederland is er naast het referentielaboratorium in Nijmegen nog één ander lab dat de resistentie van schimmels in de gaten houdt. „De urgentie begint langzaam door te dringen op beleidsniveau”, zegt Verweij. „Maar wat vooral ontbreekt is een goed opgetuigd Europees schimmelnetwerk, net zoals bij antibioticaresistentie.”

Aspergillus is de kanarie in de kolenmijn, waarschuwt Eveline Snelders. Volgens haar is de kans groot dat schimmelsoorten die elders op de wereld voorkomen, ook resistent aan het worden zijn, zoals Aspergillus niger en flavus, Candida parapsilosis en Candida tropicalis, waar een link met fungicidengebruik steeds duidelijker wordt. „Maar hoe dat precies zit, weten we niet, want in armere landen is er nóg minder geld om dat uit te zoeken. Het grotere verhaal achter deze resistente schimmel is dat we allerlei dingen doen in het milieu waar we geen zicht op hebben.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Landbouw en veeteelt

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next