Rapport De Algemene Rekenkamer heeft de waterkwaliteit onderzocht op alle 61 meetpunten van Rijkswaterstaat. Conclusie: op de meeste locaties „is geen vooruitgang geboekt”. Maar het ministerie ontkent „dat de kwaliteit of de frequentie van het toezicht tekortschiet”.
Chemiebedrijf Chemours.
Van de vijftien schadelijkste industriële stoffen in de grote rivieren daalden de concentraties de afgelopen twaalf jaar niet of nauwelijks. Bovendien heeft Rijkswaterstaat „geen zicht” op de hoeveelheid chemische stoffen die bedrijven lozen.
Dat stelt de Algemene Rekenkamer in een woensdag verschenen rapport. Het is volgens het onderzoek „onwaarschijnlijk” dat Nederland eind volgend jaar alle afspraken van Europese landen in de Kaderrichtlijn Water kan nakomen.
De rekenkamer heeft de concentraties van de stoffen onderzocht in de rijkswateren – op alle 61 meetpunten van Rijkswaterstaat – en ze vergeleken met die van twaalf jaar geleden. 41 andere punten, beheerd door gemeenten en waterschappen, werden niet meegenomen.
De onderzochte industriestoffen behoren tot de schadelijkste van de in totaal 122 stoffen, die uiterlijk volgend jaar onder een bepaalde norm moeten worden gebracht. Onder meer betreft het PAK’s, PFOS, lood, kwik en dioxinen. Voor het merendeel van deze stoffen – die mens, dier en plant schaden – is op de meeste locaties „geen vooruitgang geboekt”.
Volgens de Rekenkamer heeft de Rijksoverheid geen duidelijk zicht op welke bedrijven wat precies lozen. Het toezicht op de vergunningen voor industriële lozingen is toevertrouwd aan Rijkswaterstaat, maar die beschikt niet over een landelijk overzicht met vergunningen en lozingen. „Hierdoor is het niet mogelijk een beeld te krijgen van welke bedrijven wat lozen op de rijkswateren, en of dat onder de vergunningen is toegestaan”, schrijft de Rekenkamer.
In reactie op het rapport belooft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat beterschap bij het verzamelen van alle informatie in een landelijk systeem, maar het ontkent „dat de kwaliteit of de frequentie van het toezicht tekortschiet”. Rijkswaterstaat stelt daarnaast ”alles op alles” te zetten om zo veel mogelijk doelen te behalen, bijvoorbeeld door nevengeulen, natuurvriendelijke oevers en vispassages aan te leggen.
Waar niet alle doelen worden gehaald, kan Nederland zich volgens het ministerie bovendien beroepen op „een legitieme uitzondering”. Onder andere als sprake is van „natuurlijke oorzaken”, zoals droogte die aanhoudt, of „als de verontreiniging uit het buitenland komt”.
Volgens het onderzoek van de Rekenkamer voldoen van de vijftien onderzochte ‘industriestoffen’ alleen cadmium, lood en trichloorbenzeen aan de norm. Verder is het ”zorgelijk” gesteld met kwik: op het merendeel van de meetpunten overschrijdt dat element de Europese normen. Er is zelfs sprake van verslechtering.
Andere schadelijke stoffen komen van de landbouw of het verkeer. Er is volgens de Rekenkamer „geen goed beeld” van welke andere factoren, in welke hoeveelheden, de waterkwaliteit beïnvloeden. Zoals schadelijke stoffen in regenwater en verontreinigd water, dat via de Maas of de Rijn het land binnenstroomt. Het ministerie noemt het aandeel van de industriële lozingen op de totale concentratie aanwezige stoffen „relatief klein”; „veel groter zijn onder andere de bijdragen vanuit het buitenland en de landbouw”.