Financiën Gemeenten houden geld over, wat betekent dat onnodig werd bezuinigd of plannen op de plank bleven liggen, zo concludeert een onderzoek onder rekenkamers.
Een woonwijk in aanbouw in Maastricht. Bouwprojecten lopen soms vertraging op, waardoor gereserveerd geld op de plank blijft liggen.
Naast structurele financiële tekorten hebben gemeenten regelmatig aan het eind van het jaar geld over. Deze tegenstrijdigheid blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit onder gemeentelijke rekenkamers. Aan de vooravond van de raadsverkiezingen van 18 maart waarschuwen ze dat gemeenten beter en realistischer moeten begroten. De onderbesteding komt doordat ze minder uitgeven dan begroot en omdat „onverwachts meer geld binnenkomt” vanuit het Rijk.
Het risico is dat de financiële problemen van gemeenten door onderbesteding worden verergerd, zegt Lies van Aelst, directeur van de Vereniging van Rekenkamers (NVRR). „Als je op jeugdzorg moet bezuinigen door een structureel geldtekort en tegelijk niet goed begroot, is er op andere zaken wellicht besloten tot bezuinigingen die achteraf niet nodig waren.”
„Wethouders begroten ruim zodat ze halverwege het jaar niet extra geld hoeven vragen. Een meevaller achteraf lijkt dan politiek makkelijker”, zegt Van Aelst. „Dat is niet eerlijk naar volksvertegenwoordigers die moeilijke bezuinigingskeuzes maken en daardoor de backlash van inwoners ontvangen.”
Al jaren komt een meerderheid van de 342 gemeenten structureel geld tekort, mede doordat het Rijk te weinig uittrekt voor een groeiend aantal rijkstaken die ze uitvoeren. Het vorige kabinet kwam lokale overheden deels tegemoet door tot 2028 extra geld voor jeugdzorg uit te trekken, de grootste kostenpost. Daarmee werd het zogenoemde ‘ravijnjaar’ uitgesteld.
Onderzoekers van de afdeling Bestuurskunde van de Radboud Universiteit spraken in opdracht van de Vereniging van Rekenkamers met 110 rekenkamers, die voor 138 gemeenten de wettelijke taak hebben om te controleren of ze publiek geld ‘zinnig, zuinig en zorgvuldig’ uitgeven. De vereniging vroeg zich af waardoor meerjarenbegrotingen vaak uitkomen op tekorten, terwijl jaarrekeningen meevallers laten zien. Op die overschotten wijzen de ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken als ze zeggen dat het meevalt met de financiële positie van gemeenten.
De discrepantie heeft vier oorzaken, is de conclusie van het onderzoek Schipperen tussen crises en ambitie. Aan één kunnen gemeenten weinig doen: het Rijk. De landelijke overheid komt gedurende het jaar met extra miljarden, terwijl de lokale begrotingen dan al vastliggen.
In het onderzoek wordt als voorbeeld de energietoeslag genoemd, waarmee huishoudens met een laag inkomen en hoge energierekening in 2023 geld konden krijgen. Gemeenten betaalden die toeslag uit, maar kregen hem pas eind oktober van het Rijk op hun rekening. Het bleek lastig al het geld voor het einde van het jaar uit te geven, dus stond het als overschot op de jaarrekening. Lokale overheden hebben een baten-lastenrekening en moeten inkomsten toerekenen aan het boekjaar waarin het geld is gegeven.
Het Rijk werkt volgens de onderzoekers verder „verstorend” door in mei en september incidenteel geld over te maken. Dat mag wettelijk maar voor een klein deel voor structurele tekorten in bijvoorbeeld de jeugdzorg worden gebruikt.
Maar de rekenkamers zien ook dat gemeenten zelf „aan knoppen kunnen draaien”. Zo zijn ze te optimistisch over het invullen van vacatures: salarissen worden begroot terwijl er een personeelstekort is en de vergrijzing hard toeslaat onder ambtenaren. Uit een onderzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken bleek vorig jaar dat bij 15 procent van de gemeenten meer dan 10 procent van de bezetting niet was ingevuld. Dat leidt tot een overschot.
Omdat er vacatures zijn, huren gemeenten expertise in en de kosten daarvan worden juist te laag ingeschat. Volgens Van Aelst omdat „volksvertegenwoordigers een hekel hebben aan externe inhuur”. In het onderzoek staat bijvoorbeeld dat veertien plattelandsgemeenten in 2017 samen 17 miljoen euro voor inhuur hadden begroot. De lasten lagen dat jaar echter op 40 miljoen euro.
Lokale overheden begroten ook op andere terreinen te „optimistisch”. Voor grote woningbouwprojecten, de aanleg van wegen of vervanging van riolering, wordt geld opzijgezet terwijl deze „kwetsbaar zijn voor vertragingen” door bezwaarprocedures, hogere materieel- en personeelstekorten. Die „tegenslagen in de planning zijn (deels) wellicht van tevoren te voorzien”.
Pessimisme is er juist bij de gemeentelijke belastingen. Die worden volgens het onderzoek „structureel te laag” ingeschat. Zo’n 10 procent van de inkomsten komt uit onroerendzaakbelasting (ozb), parkeergeld en toeristenbelasting. Bij de laatste blijkt dat tussen 2017 en 2024 de gemiddelde opbrengst 8 procent hoger lag werd begroot. Door dergelijke meevallers blijft „gemeenschapsgeld op de plank liggen dat besteed had kunnen worden aan nuttige dingen”, signaleren de onderzoekers.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen