Home

‘Drie van onze kinderen zijn kort na de geboorte overleden’

Harry Beerten is 100 jaar. De spraakwaterval uit de Achterhoek moest meteen na de lagere school aan het werk op de boerderij. Op latere leeftijd werkte hij zich op tot horlogemaker, juwelier en opticien. ‘Dat heb ik te danken aan mijn vrouw.’

Harry Beerten vertelt in volle vaart over zijn belevenissen de afgelopen eeuw – en dat zijn er veel. De 100-jarige boerenzoon uit de Achterhoek woont nog zelfstandig. Hij mist de lange fietstochten die hij tot ongeveer een jaar geleden dagelijks maakte. De emoties komen als het gaat over zijn vier jonggestorven kinderen.

Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?

‘Ik doe zoveel mogelijk zelf, zo heb ik vanochtend de was gedaan. Ik heb altijd veel gesport, tegenwoordig wandel ik elke maandag 1,8 kilometer met een groep door de buurt. Op woensdag en donderdag ga ik naar de gymvereniging, naar lessen speciaal voor ouderen. De ene beweegt vanuit zijn stoel, de ander staand. Wat je kan, moet je proberen.

‘Ik mis de lange fietstochten door het boerenland uit mijn jeugd. Tot december 2024 fietste ik elke dag 20 kilometer. Ik stopte ermee nadat ik een paar keer goed was gevallen. Veertig jaar lang heb ik vijf dagen per week ’s ochtends een half uur gezwommen, samen met mijn vrouw. We gingen stipt om 7 uur, want om 8 uur ging onze winkel open. Vijf jaar geleden zette ik er een punt achter. De gezondheid van mijn vrouw ging achteruit, de combinatie van hartproblemen en corona werd haar fataal, ze overleed in januari 2021.

‘Drie dagen later stierf mijn zoon Jacky, 54 jaar oud, ook aan corona. Daarna ben ik nog drie keer gaan zwemmen, maar ik vond er niet veel meer aan. Het was coronatijd, je moest anderhalve meter afstand houden tijdens het baantjes trekken; de ene na de andere zwemmer haakte af. Achteraf denk ik: ik was 95 jaar toen ik voor het laatst zwom, best oud.’

Wat is een van uw dierbaarste jeugdherinneringen?

‘Ik ben opgegroeid op een grote boerderij in het kerkdorp Zieuwent in de Achterhoek. In de crisisjaren dertig waren er niet genoeg inkomsten, om bij te verdienen ging mijn vader varkens en koeien slachten bij andere boeren. Hij was in die tijd weinig thuis, dus moest mijn moeder het vaak alleen zien te handelen met haar zes kinderen. Ik had vier oudere broers en een jonger zusje.

‘Wij jongens waren pestkoppen. Als mijn vader er niet was, schopten wij elkaar tijdens het eten onder tafel. De een na de ander zei: ‘Hé, wie schopt mij nou?’ En: ‘Ik heb het niet gedaan!’ Op een gegeven moment zei mijn moeder: ‘Met jullie kun je niet fatsoenlijk eten’. Ze stond op van tafel en ging met haar bord op schoot op de trap in de deel verder eten. Wij kinderen stonden ook op om ergens anders te eten, de een op de voerbak van het paard, de ander op het zitje bij de mestvaalt. En dan schreeuwden we naar elkaar: ‘Hoe is het daar?’ en: ‘Smaakt het?’ Dan verzuchtte mijn moeder: ‘Hier kan ik óók al niet rustig eten’, en liep terug naar de eettafel. Een voor een volgden wij. Dit theater herhaalde zich geregeld. Moeder had er net zoveel schik in als wij.’

Hoe was het voor uw zusje, met vijf baldadige broers boven zich?

‘Ze had er ook lol om en deed mee met de plagerijen.’

Was het alleen plagen, of steunden jullie elkaar ook?

‘In november 1944 werd ons dorp in de nacht omsingeld, niemand kon eruit. De Duitsers gingen elk huis binnen, op zoek naar jonge mannen die zich niet hadden gemeld voor tewerkstelling in Duitsland. Ik werd gepakt en moest met andere jongens in een rij naar de pastorie lopen. Voor ik vertrok, fluisterde mijn broer Anton tegen mij: ‘Als je niet wegloopt, krijg je van mij een pak rammel!’’(Anton was vanwege zijn functie van keurmeester bij het gemeentelijke slachthuis vrijgesteld van tewerkstelling, dus werd niet opgepakt, red.). ‘Zodra we door de duisternis de pastorie naderden, zag ik licht vanuit een deuropening komen. Daar moesten we allemaal naar binnen. Ik wist dat ernaast nog een deur was – daar scheen geen licht. Bij de pastorie aangekomen, glipte ik snel uit de rij en schoot die andere deur in. Niemand die het zag. Binnen een uur was ik weer thuis.’

Had u een jongensdroom?

‘Ik wilde wel boer worden. Maar het liep anders. Na de lagere school moest ik aan het werk op onze boerderij, en ook bij een andere boer: koeien melken, mest uitrijden, ploegen met paard en wagen. De oorlog brak uit. In 1943 werd ik gevraagd als hulpchauffeur bij een bedrijf in Zieuwent. Ze hadden één gammele vrachtwagen, waarmee levensmiddelen voor kruideniers werden rondgebracht. De chauffeur reed een lijndienst van Zieuwent naar Deventer, via nog vier plaatsen. Omdat er honger was en goederen uit de wagen konden worden gestolen terwijl hij aan het afrekenen was, moest ik in de tussentijd op de vrachtwagen letten. Op de terugweg mocht ik weleens achter het stuur. Op mijn 16de reed ik dus al in een vrachtwagen, zonder rijbewijs. Eén keer werd ik betrapt en moest ik voor de kantonrechter verschijnen, dat leverde mij een boete op.

‘Na de oorlog heb ik mijn rijbewijs gehaald en ging ik melkrijden voor boeren, en in kolen handelen. Maar al snel kreeg ik een oproep om te dienen in Nederlands-Indië. Ik werd ingedeeld bij de mariniers. ‘O, daar heb je weer zo’n boer uit de Achterhoek’, zeiden de stadsen met hun grote bek. We deden wie het langst twee zware geweren voor zich op beide handen kon dragen. Toen ik won, zei de sergeant: ‘Jij hebt zeker veel gesport’. ‘Ik, gesport?, reageerde ik. ‘Ik heb jaren zwaar werk gedaan op het land, met de ploeg en de riek, dan kweek je wel spierballen.’

Heeft u in Nederlands-Indië slachtoffers gemaakt?

‘Ik had geen idee wat mij daar te wachten stond en deed mijn plicht. Ik reed op een truck met een grote mitrailleur erbovenop, waarmee ik de landmacht op buitenposten eten bracht, en ook troepen verplaatste. Een keer volgde ik over een zandweg hetzelfde spoor terug als ik eerder die dag was heengereden. Maar nu reed ik op een landmijn, die moest kort ervoor zijn neergelegd. De vrachtwagen raakte beschadigd, maar ik mankeerde niks. Omdat de mijnenleggers nog in de buurt moesten zijn, heb ik er met de mitrailleur een hele sliert patronen doorheen gejaagd. Ik kon niet zien of ik iemand had geraakt. De truck kreeg ik weer aan de praat en ik ben verder gereden.

‘Na drie jaar Nederlands-Indië mocht ik terug naar huis. Ik kon aan de slag als internationaal vrachtwagenchauffeur voor een vleesbedrijf. Met een bijrijder reed ik in een vrachtwagen met aanhanger vol vlees naar Duitsland, België en Frankrijk. We reden dag en nacht door, in het donker losten we elkaar om de twee uur af. Er waren nog geen autowegen, dus je reed van plaatsje naar plaatsje.

‘Van de baas hadden we geld gekregen om onderweg eten van te kopen, maar dat gebruikten we niet. We openden de wagen en haalden er een karbonade uit, gingen ermee naar een restaurant, en maakten met gebaren duidelijk: als u de helft voor ons klaarmaakt, is de andere helft voor u. In die naoorlogse jaren was er schaarste, dus ze waren altijd blij met een lap vlees.’

Waar heeft u uw vrouw leren kennen?

‘Op de kermis in Pannerden, waar ik was gaan wonen voor mijn werk als vrachtwagenchauffeur. Ik wilde niet eeuwig onderweg blijven en had alleen lagere school gedaan. Thea was heel slim, ze had na de mulo een secretaresse-opleiding gevolgd en stimuleerde mij om verder te leren. ‘Je bent een prutser, waarom word je geen horlogemaker?’, suggereerde een van mijn broers. Ik was inderdaad heel handig. Thea zocht uit waar een opleiding was, en hielp mij bij de studie door ook mijn studieboeken te lezen. Dat deed ze ook toen ik later doorleerde voor juwelier en opticien. Wat ik heb bereikt, heb ik te danken aan mijn vrouw.

‘We begonnen een winkel in Wehl, daar was in de jaren vijftig nog geen horlogemaker. De gemeente gaf toestemming een houten keet neer te zetten aan het dorpsplein. Het was hard werken, ik werkte soms tot diep in de nacht door en sliep dan op een opklapbed in de keet. De zaken gingen goed. Zodra we genoeg hadden gespaard, konden we grond kopen om een woning met een winkel te laten bouwen. Thea deed de administratie en stond ook geregeld in de zaak. De service van opticien kwam er later bij.’

U vertelde over uw overleden zoon. U heeft nog drie kinderen verloren.

(Hij raakt geëmotioneerd als hij vertelt:) ‘Mijn vrouw en ik hebben vijf kinderen gehad, allemaal zijn ze te vroeg geboren. Drie zijn kort na de geboorte overleden. Hoe dat kwam, is nooit duidelijk geworden, tegenwoordig zijn artsen veel meer mans. Over Jacky zei de arts dat hij het ook niet zou halen, maar hij bleek een vechter.

‘Bij de vijfde lag mijn vrouw nog in het ziekenhuis toen de verpleegkundige mij belde. ‘Harry’, zei ze, ‘ik denk dat het gaat lukken.’ Van de dokter mocht mijn vrouw naar huis, als ze moedermelk zou kolven. Een uur nadat hij dat had gezegd, stierf ook ons vijfde kind. Mijn vrouw heeft het er heel moeilijk mee gehad. Als ik over haar praat, moet ik huilen. Gelukkig heb ik mijn zoon Ron en zijn vrouw Thera nog.’

Hoe hebben jullie het verlies van drie baby’s verwerkt?

‘Werken! We hadden werk in overvloed. Thea stond vaak de volgende dag alweer in onze winkel. Bezig zijn, afleiding, dat helpt. En goede vrienden, dan kun je veel aan.’

geboren: 6 januari 1926 in Zieuwent

woont: zelfstandig, in Wehl

familie: vijf kinderen (vier overleden), twee kleinkinderen, één achterkleinkind

beroep: vrachtwagenchauffeur, horlogemaker, juwelier en opticien

weduwnaar sinds 2021

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next