Het voorzichtige optimisme van Lotfi El Hamidi over opgroeien als moslim in het Westen heeft in zijn nieuwe boek plaatsgemaakt voor wanhoop. Wat hij meemaakte na 9/11 moeten sinds 7 oktober zijn kinderen verduren. ‘Het komt me akelig bekend voor.’
is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
Op zondagavond 26 oktober 2025 zit schrijver en journalist Lotfi El Hamidi (39) met zijn dochter voor de tv, als Geert Wilders in het lijsttrekkersdebat van het Jeugdjournaal zegt ‘geen probleem te hebben met moslims’, maar wel met hun religie. Want, aldus Wilders: de islam is ‘een ideologie’ die niet samengaat met ‘vrede, tolerantie en respect’. ‘Oké, dankjewel’, reageert de presentatrice en gaat door naar het volgende onderwerp.
Voor El Hamidi, zelf moslim, gebeuren er op zo’n moment veel dingen tegelijk, vertelt hij een paar maanden later, op een donderdag in februari, in de smetteloze, in zandtinten ingerichte woonkamer van zijn huis in Amsterdam-Osdorp.
‘Allereerst kijk ik natuurlijk naar mijn dochter, om te zien hoe zoiets bij haar binnenkomt.’
En hoe was dat?
‘Ze zit een beetje in de fase van: oké, dus er zijn mensen die ons niet mogen. Wilders is geen vriend van ons.
‘Ik vind het best kwalijk dat ze dat hebben uitgezonden. Het was van tevoren opgenomen, ze hadden het kunnen knippen. De presentator geeft geen weerwoord, het is gewoon: dankjewel en door.
El Hamidi valt even stil. Dan, feller: ‘Ik vind het eigenlijk niet te verkroppen dat mijn kinderen dit ook moeten meemaken.’
‘Dit ook moeten meemaken’ – misschien is dat wel de kortste samenvatting van het nieuwe, deze week verschenen boek van El Hamidi, Stakkers en wolven – In de schaduw van Gaza. ‘Meemaken’ wat de schrijver en journalist van weekblad De Groene Amsterdammer zelf meemaakte. Als jonge moslims en kinderen van (Marokkaanse) migranten waren El Hamidi en zijn generatiegenoten in de jaren van Pim Fortuyn en 9/11 in Nederland geen individuen die de ruimte kregen om zich zoekend en twijfelend een weg naar volwassenheid te banen. Zij waren ‘de ander’, een archetype; schietschijf en potentieel gevaar ineen.
In 2022 verscheen zijn boek Generatie 9/11 – Migratie, diaspora en identiteit, waarin hij beschreef hoe het was om als tiener door een maatschappij te bewegen die je ‘een identiteit oplegt’. Volwassen worden in die jaren was ‘als langzaam vallen en hopen op een zachte landing’. Het boek had een voorzichtig optimistische ondertoon, het was ‘een afrekening’ met zijn vormende jaren rond de eeuwwisseling. El Hamidi droeg het op aan ‘alle migrantenkinderen die Turks fruit voor hun leeslijst kozen en erachter kwamen dat het niet over Turken ging’.
Nu, vier jaar later, is je voorzichtige optimisme verdwenen, blijkt uit je nieuwe boek. Had je het mis?
‘De rechtse storm is sinds Fortuyn nooit echt gaan liggen. In een land waar De Telegraaf de grootste krant is en Vandaag Inside een van de best bekeken programma’s, wéét je dat miljoenen mensen weinig moeite hebben met racistische uitspraken en beledigingen, en toch was ik op basis van mijn eigen omgeving geneigd te relativeren. Tegelijkertijd wist ik: er hoeft maar íéts in de wereld te gebeuren of de blik is weer op ons gericht.’
Het kantelpunt waarop de wereld weer in een wij-versus-zij-mal werd geduwd, is voor El Hamidi 7 oktober 2023, de dag van de grote terreuraanval van Hamas, en de allesvernietigende Israëlische vergelding die daarop volgde. De afgelopen anderhalf jaar gingen meerdere schrijvers en journalisten hem voor in pogingen grip te krijgen op wat er in Gaza gebeurde en wat de internationale respons daarop verklapte over hun eigen maatschappij, zoals de Egyptisch-Canadese Omar El Akkad (One Day, Everyone Will Always Have Been Against This), de Indiase Pankaj Mishra (The World After Gaza) en de Amerikaanse Ta-Nehisi Coates (The Message) en in eigen land onder anderen Sinan Çankaya (Galmende geschiedenissen) en Maurits de Bruijn (Geweten).
El Hamidi wordt overvallen door ‘een sterk gevoel van déjà vu’ in de eerste weken na 7 oktober. ‘De onvoorwaardelijke steun van westerse leiders voor Israël, de retoriek over de strijd tussen beschaving en barbarij, de verdachtmaking van islamitische minderheden in het Westen – het kwam me akelig bekend voor’, schrijft hij.
Je interpreteert de aanvankelijk uitblijvende massale verontwaardiging op de gruwelijke beelden uit Gaza als ‘diepe minachting voor islamitische mensenlevens’. Is dat geen al te radicale conclusie?
‘Ik weet niet hoe ik het anders moet zien? Dit was ver voor de verschuiving van de publieke opinie en de massale Rode Lijn-demonstraties. Natuurlijk waren mensen geschokt, maar het uitgangspunt was vooral: logisch dat Israël zich verdedigt. Als je ook maar iets probeerde te zeggen over historische context, over Palestijnen die al generaties in de verdrukking zitten, werd dat geïnterpreteerd als een rechtvaardiging of bagatellisering van de massamoord op 7 oktober.’
Dan volgt in november 2023 de verkiezingswinst van de PVV (van 17 naar 37 Kamerzetels). Je bent niet verbaasd, schrijf je, toch doet het pijn. Aanvankelijk ga je met argwaan over straat, je bij iedereen afvragend: jij ook? Hoe is dat nu?
‘Ik ga er niet zomaar van uit dat mensen mij vinden deugen. Het kan niet zo zijn dat ik nooit mensen tegenkom die stemmen op een partij die minder van ‘mijn soort mensen’ wil.
‘Dat Wilders de aanval op 7 oktober direct inzette om pro-Palestijnse sit-ins verdacht te maken en te waarschuwen voor een intifada in de polder, verbaasde me niet. Misschien overschatte ik de Nederlandse samenleving. Hoe kun je nou op zo’n man stemmen, zo’n eenmanspartij die niks voor elkaar heeft gekregen? Ik zou het logischer vinden als mensen massaal SP zouden stemmen, op politici die als vrijwilliger bij de Voedselbank werken.’
Veel collega’s bij NRC zonder migratieachtergrond waren ook geschokt, lieten ze je weten. Hoe vond je dat?
‘Lief, natuurlijk. Maar ik realiseer me ook dat zij nooit voelen wat ik voel. Ik denk dat mensen onderschatten hoezeer het je raakt. Hoe giftig de politieke taal is geworden als het gaat om migranten, asielzoekers en vluchtelingen. Dat je gewoon op primetime-televisie uitspraken moet horen over zwarte mensen, moslims.’
Hoe blijf je veerkrachtig, hoe wapen je je tegen een stemmetje dat zegt: ze moeten me niet?
‘Door me veel in mijn eigen omgeving te begeven. In de eerste maanden van het genocidale geweld in Gaza kwam ik naar de redactie, deed mijn werk en vertrok weer. Thuis moest ik echt bijkomen, landen in de ‘echte wereld’, waar ik me niet gek voelde. Met vrienden, familie. Al Jazeera kijkend. Ik woon in Osdorp in een overwegend Marokkaanse omgeving. Daar heb ik bewust voor gekozen, in Rotterdam vond ik het ook fijn om tussen migranten te wonen.’
El Hamidi is een geboren en getogen Rotterdammer. Hij groeide op in de multiculturele volksbuurt Delfshaven, op een steenworp van waar Pim Fortuyn woonde. Na omzwervingen door het mbo, een paar jaar werken in een broodfabriek en reizen door het Midden-Oosten studeerde hij uiteindelijk (‘ik was een laatbloeier’) maatschappijgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij gaf kort les op een middelbare school (maatschappijleer en geschiedenis) en begon in 2016 als journalist bij het progressieve weekblad De Groene Amsterdammer. Van 2017 tot 2025 werkte hij als columnist, redacteur en ten slotte chef opinie bij dagblad NRC. Begin 2025 nam hij ontslag en keerde terug bij De Groene.
Als je vorige boek een afrekening was, wat is dit boek dan?
‘Ik wil bijna zeggen: wanhoop? Omdat ik echt dacht: we gaan vooruit. Het is niet perfect, Nederland is nog steeds een rechts land, racisme is niet weg, maar onze aanwezigheid, van kinderen van migranten op allerlei plekken in de maatschappij, zoals ikzelf bij een krant als NRC – dat bewijst dat die doemscenario’s uit de jaren nul niet zijn uitgekomen. Er zijn geen no-goareas in grote steden vol fundamentalisten, de onderwijsachterstanden worden ingelopen, als je kijkt wat voor emancipatiesprong Marokkanen in één of twee generaties in het onderwijs hebben gemaakt. We hebben het tegendeel nu wel bewezen, de islamdiscussie is voorbij, dacht ik.
‘Maar sinds de genocide in Gaza, twee radicaal-rechtse verkiezingszeges op rij – het voelt als zoveel stappen terug.’
De titel Stakkers en wolven verwijst naar een column die dichter Gerrit Komrij in 1989 in NRC Handelsblad schreef, over een uit de hand gelopen demonstratie in Rotterdam tegen schrijver Salman Rushdie en zijn boek De duivelsverzen. Het boek werd met name door Pakistaanse orthodoxe moslims als godslasterlijk en kwetsend gezien. De Iraanse ayatollah Khomeini sprak in een fatwa (een religieus advies of decreet) een doodvonnis uit over Rushdie (zelf ex-moslim), met vele doodsbedreigingen en aanslagen op Rushdies leven tot gevolg.
Waarom deze titel?
‘Het zinnetje was ‘we hebben ze als stakkers verwend en we krijgen ze als wolven terug’. Het was een giftige column over de linkse houding tegenover moslims, gastarbeiders en vluchtelingen in Nederland. Dat was allemaal pappen en nathouden.
‘Komrij was zijn tijd ver vooruit. Die denkbeelden zijn nu zo volstrekt genormaliseerd: moslims, die mensen horen hier eigenlijk niet, ze zijn gewelddadig, haten vrouwen, haten ons. Ook over asielzoekers wordt zo gesproken.’
Tot een jaar geleden was je werkzaam bij NRC, een van de grote Nederlandse kranten. Waarom ging je weg?
‘Ik wilde heel graag weer schrijven. Dat kan niet als opiniechef. Als chef opinie heb je bovendien geen mening, anders ben je je geloofwaardigheid kwijt. De hoofdredactie zei: schrijven kan altijd nog. Maar ik voelde: ik moet nú schrijven, het gebeurt nú en er zijn niet zoveel mensen als ik op dit soort plekken.
‘Uiteindelijk boden ze me de mogelijkheid wel, maar bij de krant zou ik met mijn handen gebonden moeten schrijven. Je houdt je aan een redactionele lijn. Niet dat het allemaal gelijkgeschakeld is, dat iedereen doet wat de hoofdredactie zegt, of dat er een soort woordenlijst is waaraan iedereen zich moet houden. Maar bij De Groene druk je als auteur veel meer je stempel op een verhaal. Het is tenslotte een opinieweekblad, met een sterk geëngageerde signatuur.’
Uit je boek maak ik op dat je het moeilijk hebt gehad op de NRC-redactie in de periode na 7 oktober 2023. Kun je daar iets meer over vertellen?
‘In eerste instantie was iedereen natuurlijk in shock, overvallen door die grote aanslag. Er moest gewerkt worden, een krant gemaakt, stukken online. Vanaf november was duidelijk welke kant het opging. Dat merkte je aan de uitspraken van Israëlische regeringsleden, de militaire acties, de bombardementen, het dodental dat opliep. Ik had niet het gevoel dat de redactie doorhad hoe extreem het was, wat er gaande was.
‘Een voorbeeld: tijdens een live-uitzending kreeg een Palestijnse journalist een telefoontje dat zijn familie was gedood bij een bombardement. Ik zat er ook naar te kijken, diezelfde avond zag je hem naar het mortuarium gaan, waar zijn kinderen en vrouw lagen. En de volgende dag, op de site, in de krant: niks. Ik begreep het niet.’
Heb je toen iets gezegd?
‘Je moet niet onderschatten wat voor mentale gymnastiek redacteuren met een migratie- en vooral islamitische achtergrond moeten uitvoeren. Wanneer je wel en niet iets kan zeggen, je kunt uitspreken, en vooral niet te vaak, want dan nemen ze je niet meer serieus.
‘Natuurlijk deed ik het, en andere collega’s ook, even de nieuwsdienst porren: misschien niet telkens de Israëlische legerwoordvoerder in de eerste alinea opvoeren. Maar je blijft bezig.
‘Omdat Wael Al-Dahdouh zo’n vooraanstaande journalist in de Arabischtalige wereld is, besloot ik er toch een punt van te maken in de vergadering. Als hij een vooraanstaande westerse oorlogscorrespondent was, hadden we alle registers opengetrokken, en nu zie ik niks.’
Hoe werd daarop gereageerd?
‘De reactie was kenmerkend voor die periode: ‘maar die Israëliërs doen dat toch niet met opzet’. Mijn klomp brak. Ik besefte: ik kom echt uit een andere wereld dan de meeste mensen op de redactie.
‘Er waren toen al zo’n dertig journalisten gedood. Dertig! Maar het beeld was: dat is niet met opzet en ook: zijn het wel écht journalisten, want het zijn Palestijnen, we weten het niet, is het wel objectief.’
Diepe zucht. ‘Het enige wat ik kon doen, was de beste opiniestukken afdrukken die daarover gingen. Het stuk van Ramsey Nasr bijvoorbeeld, over hoe Israëlische slachtoffers een naam en verhaal krijgen maar dode, vernederde en onderdrukte Palestijnen al drie generaties lang slechts nummers zijn. Zo’n stuk had eerder nooit de krant gehaald, dus, hoewel traag, er veranderde wel iets.
‘Toch was ik teleurgesteld. Ik had gedacht dat de krant meer een voorhoederol zou spelen: niet wachten tot de publieke opinie verschuift, maar de verschuiving veroorzaken. Waarom was er zoveel voor nodig om het woord ‘genocide’ of ‘genocidaal geweld’ te gebruiken, waarom duurde het anderhalf jaar voordat we een actie uitvoerden (een volledig zwarte voorpagina, red.) voor vermoorde journalisten? Tegen die tijd gingen al een kwart miljoen mensen de straat op.’
Je schrijft dat je hoopt dat Nederlandse kwaliteitskranten hun taakopvatting heroverwegen. Wat bedoel je precies?
‘Ik zou mezelf als kwaliteitskrant, dat geldt ook voor Trouw en de Volkskrant, de vraag stellen: waartoe zijn wij nou op aarde? Is de krant simpelweg een doorgeefluik, gewoon registreren en opschrijven wat is? Ik vind dat een manier om het echte gesprek te vermijden: wat betekent het om een journalistiek medium of een liberale krant te zijn in tijden van fascisme, genocide, een wereldorde die afbrokkelt, en in tijden van een intense Marokkanen- dan wel moslimhaat.
‘Het is niet de reden dat ik ben vertrokken, maar ik liep daar wel tegenaan: het gevoel dat de ernst van al die dingen niet genoeg werd onderkend. En dat dat misschien komt doordat het nou eenmaal niet over hen gaat.’
Is dat een typische progressieve reflex: de angst om voor progressief te worden aangezien?
Lacht. ‘Ik geloof niet dat ze bij SBS of De Telegraaf denken: als we maar niet te rechts overkomen. Deels komt het nog voort uit de kramp die in de periode na Fortuyn is ontstaan bij progressieve media: we hebben het gemist, we hebben de stem van de ‘gewone man’ niet gehoord. Sindsdien is er een soort rode loper uitgerold voor ‘de bezorgde burger’.
‘En of de rechtse lezer wel voldoende wordt bediend? Om mijn oud-collega Frank Vermeulen te citeren: hoezo, komt het rechtse geluid iets tekort? Zijn ze niet aan de macht? Zijn ze niet overal op tv en in de media?
‘Deze kranten, de NOS, wij worden inmiddels als vijand gezien, gewantrouwd door een aanzienlijk deel van de bevolking. Aangevallen, voor leugenaars uitgemaakt door politici. We moeten assertiever worden. Bedenk waar je voor staat en ga daarvoor staan. Wees niet als de dood om als ‘woke’ neergezet te worden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant