Premier Viktor Orbán schildert Oekraïne en Brussel steeds consequenter af als vijanden. Dit angstbeeld moet de kiezer terug in zijn armen drijven. Want volgens de peilingen steunen steeds meer Hongaren oppositiekandidaat Péter Magyar.
is correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant. Hij woont in Warschau.
Viktor Orbán zit in een bunker. ‘Oekraïne bereidt verdere acties voor om het functioneren van Hongarijes energiesysteem te verstoren’, zegt hij tegen de camera. De premier kondigt in deze campagnevideo de inzet van het leger en meer politiemacht aan.
Ook schreef hij op donderdag een open brief aan president Volodymyr Zelensky. Die moet zijn ‘anti-Hongaarse beleid’ veranderen en ‘zich weerhouden van verdere aanvallen op de energieveiligheid van Hongarije’.
Orbáns woorden zijn misleidend. Bewijs levert hij niet, en ‘verdere aanvallen’ impliceert dat er al een heeft plaatsgevonden. In werkelijkheid was het een Russische aanval die op 27 januari de Droezjba-pijpleiding beschadigde, die door Oekraïne loopt en Russische olie naar Hongarije en Slowakije vervoert. Dit zijn de enige twee EU-landen die deze olie nog importeren. Sindsdien stokt de toevoer. De Oekraïense regering, die de Russen als dader aanwees, zegt bezig te zijn met de reparatie. Maar volgens Boedapest talmt ze. Opzettelijk.
Sinds een week drijft Orbán de boel op de spits. Totdat de olie weer stroomt, dreigt hij het twintigste EU-sanctiepakket tegen Rusland te blokkeren en, veel belangrijker, zijn veto uit te spreken over de lening van 90 miljard euro aan Oekraïne. Zonder dit geld kan het land het waarschijnlijk niet langer dan tot april uitzingen. Orbáns dreigementen leiden tot consternatie in Brussel, zeker omdat hij in december na een moeizame discussie nog akkoord was gegaan met de lening, die unanimiteit onder de EU-lidstaten vereist.
Van een acute energiecrisis is in Hongarije geen sprake. Het land heeft voldoende reserves, alternatieven zijn voorhanden. Benzine was er al niet goedkoper dan in de buurlanden: het prijsverschil door de goedkope Russische olie vloeit naar de winstmarges van oliebedrijf MOL, waarvan de Hongaarse regering de grootste aandeelhouder is. De acties van Orbán hangen samen met de naderende verkiezingen van 12 april. Voor het eerst in zestien jaar heeft zijn partij Fidesz een serieuze uitdager: oppositieleider Péter Magyar en diens partij Tisza.
‘Fidesz staat steeds meer onder druk van de oppositie’, zegt Zsuzsanna Végh, Hongarije-onderzoeker bij denktank German Marshall Fund. Ze wijst op de laatste cijfers van opiniepeiler Medián: onder kiezers die al weten wat ze gaan stemmen, geeft 55 procent de voorkeur aan Tisza tegenover 35 procent aan Fidesz. Ook bij de zwevende kiezers staat Tisza voor. Peilingen moet je in Hongarije met een korrel zout nemen, maar de afgelopen maanden is de trend duidelijk in het voordeel van de oppositie. Het is overigens geen gelopen race: het medialandschap, kiesstelsel en de grenzen van kiesdisctricten zijn in het voordeel van Fidesz.
Om het tij te keren, gebruikt Orbán een oude campagnestrategie: angst zaaien. ‘Deze week zagen we een escalatie van de anti-Oekraïneretoriek die al langer klinkt’, zegt Végh. ‘Dat is bedoeld om angst te zaaien en Oekraïne te portretteren als een directe bedreiging voor Hongarije.’ Oekraïne is uit op ‘chaos’ en ‘onzekerheid’, beweert Orbán. Het land zou proberen met een crisis de Hongaren tegen hun regering te op te zetten, omdat Orbáns regering Oekraïne regelmatig dwarszit.
Een regering zonder Fidesz zal de Hongaren eerst laten lappen voor de oorlog in het buurland en ze vervolgens zelf de oorlog in slepen, is het campagneverhaal. ‘Dit zijn de laatste verkiezingen voor de oorlog’, zei Orbán onlangs. Door heel het land verschenen afgelopen weken billboards met een AI-gegenereerde bedelende Zelensky. Ook verspreidde Fidesz een AI-filmpje van een Hongaarse man die als krijgsgevangene wordt geëxecuteerd op het slagveld. Tegenover deze grimmige toekomstvisioenen presenteert Orbán zich als ‘de veilige keuze’.
Tel daar de EU bij op: Orbán en zijn ministers herhalen met ijzeren regelmaat dat Kyiv en Brussel samenspannen om een ‘pro-Oekraïense’ regering te installeren in Boedapest. De premier portretteert Tisza als een nep-oppositiepartij, een instrument van duistere buitenlandse krachten. ‘De Oekraïners zitten tot aan hun nek in Tisza’, zei hij vrijdag op de radio.
Hoe anders is de campagne van Magyar, een conservatieve populist die zelf uit de gelederen van Fidesz stamt. Tisza richt zich op de sociaal-economische werkelijkheid van Hongarije na zestien jaar Orbán: de slechte staat van de zorg en het onderwijs, uitgeholde publieke voorzieningen, economische malaise en grootschalige corruptie. Orbán heeft het geld en de toekomst van de Hongaren gestolen, zegt hij op campagnebijeenkomsten.
Magyar spiegelt de Hongaren een betere toekomst voor; Orbán een toekomst die zonder Fidesz nog slechter wordt.
Orbán escaleert niet alleen; hij provoceert. Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commisie, en António Costa, EU-president, stonden deze week in hun hemd toen ze in Kyiv met lege handen in plaats van de beloofde miljardenlening de herdenking van vier jaar oorlog bezochten.
Orbán hoopt op een felle tegenreactie: die zou namelijk precies bevestigen wat hij zijn kiezers op de mouw probeert te spelden. Geeft Brussel toe aan Orbán, dan kan hij zich wederom presenteren als de hoeder van Hongaarse belangen. De Europese Commissie hapte niet en vond een Brussels geitenpaadje: na toezeggingen over een onderzoeksmissie naar de kapotte pijpleiding bond Orbán een beetje in, hoewel zijn veto’s nog in de lucht hangen.
In Hongarije zelf is de rust allerminst teruggekeerd. Critici speculeren over een zogenoemde ‘valse vlag’: een incident dat aan Oekraïne zal worden toegeschreven, wat de regering kan gebruiken als voorwendsel om de oppositie te onderdrukken of zelfs de verkiezingen uit te stellen.
Végh is ‘terughoudend’ als het om deze speculaties gaat. Wel is de situatie ‘onvoorspelbaar’, zegt ze. ‘Hongarije heeft een regering die bereid is om ver te gaan om aan de macht te blijven. De vraag is hoe ver.’ Nog zes weken te gaan tot de verkiezingen.
Source: Volkskrant